De smaak van roti

Monic Hendrickx (1966) is actrice. Op 10 mei is ze te zien in de televisiefilm Julia’s hart op Nederland 2. Ze groeide op in Suriname en Noord-Brabant. door Matt Dings

De eerste levensjaren van Monic Hendrickx speelden zich af in het Land van Cuijk, aan de oostelijke rand van Noord-Brabant, waar dorpen luisteren naar namen als Sint Anthonis, Oploo en Ledeacker. Zelf stamt ze uit Stevensbeek, een vlucht huizen die valt onder Sint Tunnis, zoals ze het ter plekke zeggen. Hun houten huisje heette Zandloper.

Die start was dus niet echt kosmopolitisch, maar daar staat tegenover dat ze op haar derde naar Suriname verhuisde, waar haar vader een baan had gevonden als leraar wiskunde – een paar jaar in de tropen leek hem een mooi avontuur. Ze heeft nog een vage herinnering aan de lange zeereis naar Paramaribo en spelletjes op het houten scheepsdek.

Als ze terugdenkt aan de vier jaar dat ze in Suriname woonde, rijzen er flarden, geuren, smaken en geluiden op. De smaak van mango en roti. De klanken van krekels en kikkers, ook in de stad. De concerten van de tropische vogels. Die dag dat ze verdwaalde toen ze van school terugkwam, en ze Paramaribo toch wel wat eng vond. En die keer dat haar kano op de Surinamerivier omsloeg en zij zo snel als ze maar kon naar de kant zwom en zich aan de lianen op de oever trok, wetend dat er kaaimannen door het water zwierven.

In Paramaribo woonden ze op verscheidene adressen, het langst in een huis op palen (tegen het ongedierte) met een kokosnootboom in de tuin. De drie kinderen Hendrickx behoorden tot de weinige witte kindjes in de stad, en toch voelde Monic zich er nooit wit: ze maakte gewoonweg deel uit van het ratjetoe culturen dat Suriname vormde. Zo vond ze het geweldig om mee te doen aan Holi Phagwa, een uitbundig Hindoestaans lentefeest waarbij men elkaar met kleurstoffen bestrooide om kwade geesten te verdrijven en broederschap te vieren.


Op school stak iedereen verplicht in een grijsgroen uniform, waar ze een hekel aan had. Thuis gingen die kleren meteen uit en speelde ze in onderbroek in de bushbush. Ze hield en houdt nog steeds van de klamme warmte van de tropen. Zelfs als het stortregende, bleef de temperatuur aangenaam; dan roetsjte ze op blote voeten zalig over de glibberige zandpaden.

Er waren bijzondere uitstapjes, zoals vakanties in Brazilië of Grenada. En regelmatig gingen ze op bezoek bij een vriend van haar ouders in het binnenland. Een buurman van die vriend had allemaal slangen, wat ze even eng als spannend vond. Je had er ook boeiende indianendorpen. En bij zonsop- en ondergang luisterde ze naar de brulapen, die hoewel ze klein waren een enorm geluid voortbrachten, dat klonk alsof het uit de aarde zelf kwam.

“Dierbare jaren,” vat ze samen, “één groot hoogtepunt.”

Toen het gezin na vier jaar Suriname naar Nederland terugkeerde, had Monic een romantisch beeld van dit land. Ze dacht dat ze, net als de Hollandse kinderen uit een boekje dat ze kende, zouden gaan wonen in een boerderij met kippen in de tuin en dat ze elke dag met een mandje naar buiten zou lopen om eieren te halen. Maar hun huis in Deurne bleek – hoewel fijn en groot – geen boerderij, Nederland was niet romantisch maar vooral koud en op school werd ze voor de gek gehouden omdat ze met een Surinaams accent sprak.

Als kind wil je zo normaal mogelijk zijn, dus dat accent was ze snel kwijt. Om niet af te wijken, verzweeg ze ook dat ze al twee zwemdiploma’s had en deed ze op zwemles maar net alsof ze haar eerste slagen maakte. Maar Deurne vond ze een plezierige plaats en het nieuwe leven wende van lieverlee. Ze leerde allerlei nieuwe ooms en tantes kennen, die regelmatig over de vloer kwamen en voor een boel Brabantse uitbundigheid zorgden met op z’n tijd een feest.


Op haar achtste werd haar vader ziek. Hij bleef vaak thuis, las de hele bibliotheek leeg en vertelde daarover. Dat vond ze gezellig, net als het samen kijken naar natuurfilms, die haar op het idee brachten later onderwaterfilmer te worden, net als de beroemde Jacques Cousteau. Maar gaandeweg begon haar vader te verzwakken. Hij kreeg ook veel pijn en zijn actieradius werd steeds kleiner. Na vijf jaar velde de kanker hem en stierf hij thuis.

“Misschien,” bepeinst ze, “is Suriname een nog grotere heimweeplek geworden, omdat mijn vader daar nog in goeden doen was. Ik vond het heel heftig hem te zien aftakelen, ook al klaagde hij nooit. En zo’n vroege dood hoort natuurlijk helemaal niet. Maar ik wil er niet te veel nadruk op leggen, want ik ben niet mijn dode vader en zijn sterven is niet het enige dat me heeft gevormd.”

Moeder besloot dat ze zichzelf en de kinderen het beste hielp door niet bij de pakken neer te zitten maar aan te pakken. Zo ging ze met een vriendin en acht kinderen op vakantie naar Italië. Monic stak daarvan op dat doen hélpt. Dat zou ze later, dankbaar voor de kansen die ze zelf als kind kreeg, nog eens vertalen in de oprichting van de stichting Small Change, die wil helpen de levensomstandigheden van kinderen uit de Zuid-Afrikaanse township Mbekweni te verbeteren.

De gezinsband werd na vaders dood alleen maar hechter. Voor ruzies was geen plaats; Monic sloeg haar puberteit dan ook over. Op haar veertiende kreeg ze een langdurige verkering met Ralph, met wie ze na enige andere liefdes sinds tien jaar opnieuw samen is. Intussen ging ze met plezier naar het atheneum op het Peellandcollege, dat veel werk maakte van creativiteit. Ze speelde in musicals en cabaretgroepjes en merkte dat ze in het acteren haar neiging tot binnenvetten en haar verlegenheid kon overwinnen.


Ze werd aangenomen op de toneelschool van Maastricht, maar daar een jaar later weer weggestuurd omdat men haar ‘indolent’ en niet theatraal genoeg vond. Een tijdje later meldde ze zich aan bij een nieuwe dramaopleiding in Eindhoven, met enthousiaste docenten. Samen met Theo Maassen speelde ze daar Una giornata particolare en danste ze de rumba in een decor vol lakens.

Een jaar of tien later haalde ze met haar rol in de film De Poolse bruid de eerste van haar drie Gouden Kalveren.

www.small-change.nl

import jonge jaren