Tante Maatje krijgt een scootmobiel

Sinds in 2007 een nieuwe wet van kracht werd, kunnen burgers bij de gemeente terecht voor allerlei voorzieningen. En als de burger liever niets vraagt, dan kríjgt hij gewoon iets. Over wonderlijke zorg in zuunig Zeeland. door Kees van Oosten, illustraties Ien van Laanen

Mijn 87-jarige moeder woont even buiten de bebouwde kom van Kapelle, in een vrijstaande woning met grote tuin. Daarachter ligt de boomgaard. Na pa’s dood, tien jaar geleden, is ze hier blijven wonen. Ze is goed ter been, doet boodschappen – vaak lopend, soms met de auto – in het dorp, gaat elke vrijdagmorgen met haar autootje (ze mag tot haar grote vreugde blijven rijden) naar het zwembad in Goes en donderdag en zondag naar de bijbelkring en de kerk. Doordeweeks is het een komen en gaan van familie en kennissen. Zelf gaat ze ook op stap. De tuin is haar lust en haar leven. In het voorjaar en de zomer is ze buiten te vinden, achter de grasmaaier of aan het schoffelen. In de achtertuin teelt ze aardbeien, frambozen, tomaten, aardappelen en groente.

Al die activiteiten blijven in een kleine gemeenschap als Kapelle niet onopgemerkt. Is dat wel verantwoord, vragen kennissen haar. Moet een professionele kracht geen oogje in het zeil houden? In De Scheldepost, het plaatselijk nieuws- en advertentieblad, lezen we dat de thuiszorg klaarstaat om ouderen huishoudelijk werk uit handen te nemen, zodat ze zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. En dat onder de noemer van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO).

We bellen de gemeente, waarna de machinerie in beweging wordt gezet. We kunnen wegens de marktwerking kiezen uit zestien zorginstellingen, die echter niet op prijs maar alleen op identiteit concurreren. Dat betekent dat we een voorkeur kunnen uitspreken voor een vrouw in driekwart rok (reformatorische stichtingen) of voor een hulp in spijkerbroek. Op advies van kennissen kiezen we voor Allévo, een neutrale organisatie, die werkzaam is op de Bevelanden, Schouwen-Duiveland, Tholen en Sint Philipsland.


Een maatschappelijk werkster meldt zich voor het stellen van de ‘indicatie’. Er zijn drie mogelijkheden: Alfahulp, de goedkoopste mogelijkheid, Huishoudelijke Hulp 1 en Huishoudelijke Hulp 2. Een Alfahulp regelt zelf haar zaken, Huishoudelijke Hulp 1 is in feite een gewone werkster, Huishoudelijke Hulp 2 is een veredelde werkster. Naast poetsen en boenen heeft ze een ‘signaleringsfunctie’. Als moeder bijvoorbeeld een beetje vergeetachtig wordt, zou dat kunnen duiden op dementie. Huishoudelijke Hulp 2 kan ook assis-teren bij het aanbrengen van een steunkous of het doen van een boodschapje. Daar hangt een prijskaartje aan: Huishoudelijke Hulp 2 is zes euro per uur duurder dan Huishoudelijke Hulp 1. Vervolgens krijgt moeder namens de gemeente een alleraardigste jonge arts op bezoek, die moet kijken of ze, indien nodig, gebruik kan maken van een goedkope taxi of ander vervoer. Hij zal het in orde maken, geen probleem.

Uiteindelijk verschijnt in lijn met de indicatie Huishoudelijke Hulp 1 op het toneel: een huisvrouw met kinderen, die graag voor het gezin wat bijverdient. Ze komt één ochtend per veertien dagen, in totaal zes uur in de maand. Dat gaat volgens een vast patroon. Eerst een kopje koffie (voor het contact, aldus de zorgmanager), en daarna gaat ze als een tornado door het huis. De wc, douche en wastafels worden schoongemaakt, de ramen worden gezeemd, kasten en tafels worden afgestoft en de woning wordt van onder tot boven gestofzuigd. Aan het eind van de rit moet in drievoud een formulier worden ingevuld. Eén exemplaar is voor Allévo in Goes, een tweede gaat naar het Centraal Administratie Kantoor – Bijzondere Zorgkosten (CAK-BZ) in Den Haag en een derde is bestemd voor de klant.


CAK-BZ? Nooit van gehoord. Daar komt snel verandering in. In april vorig jaar valt de beschikking eigen bijdrage WMO in de bus. Het CAK-BZ heeft, ongevraagd, bij de Belastingdienst, inkomen en vermogen opgevraagd en daaruit is een eigen bijdrage gerold, die een stuk hoger ligt dan het bedrag dat voor de hulp moet worden betaald. Met andere woorden: moeder moet de hulp via een omweg tot op de laatste eurocent zelf betalen.

De beschikking gaat vergezeld van een brochure van 23 pagina’s met foto’s van breeduit lachende Huishoudelijke Hulpen (met stofzuiger), innig tevreden ogende bejaarden en informatie over de wijze waarop de beschikking tot stand is gekomen. Weliswaar kan een bezwaarschrift worden ingediend en kan een klant weigeren toestemming te geven om inkomensgegevens op te vragen, maar een dergelijke ‘brutaliteit’ wordt meteen afgestraft. Onder het kopje ‘LET OP!’ staat: “Geeft u geen toestemming om uw inkomensgegevens op te vragen? Dan betaalt u het volledige bedrag voor de hulp die u ontvangt en de hulpmiddelen of voorzieningen die u gebruikt.” Ons wordt aangeraden de facturen goed te bewaren, omdat ze voor een deel aftrekbaar zouden zijn voor de belasting. Moeder, nuchtere Zeeuwse: “Dat kost meer aan boekhoudkosten, dan dat het wat oplevert.”

Elke maand rolt er vervolgens een rekening van CAK-BZ in de bus van 87 euro, samen met een foldertje over de zegeningen van de WMO. Het is een steeds terugkerend ritueel, zodat we ondertussen in het bezit zijn van een fiks dossier met folders, brochures, rekeningen en formulieren.

Onder de koffie (voor het contact) komt regelmatig de beloning aan de orde. De hulp bezweert dat ze slechts negen euro per uur ontvangt, terwijl moeder via een omweg het volle pond, zijnde 14,50 euro per uur, moet betalen. Van de direct betrokkenen wordt niemand er dus beter van.


Na een jaar komt er met wederzijds goedvinden een einde aan het experiment. Zorginstelling Allévo wordt bedankt voor de geleverde diensten; dochter en schoondochter, die beiden in Kapelle wonen, nemen het stokje over. Gratis en voor niks, zonder formulieren, folders, rekeningen en evaluatiegesprekken. Maar dat dringt niet door tot het CAK-BZ. In een brief gericht aan ‘Geachte heer, mevrouw…’ wordt vlak voor de kerstdagen het nieuwe tarief voorgerekend, terwijl de thuishulp is opgezegd. Het oude tarief Huishoudelijke Hulp 1 bedroeg 14,50 euro per uur, het nieuwe tarief voor het ‘zorgjaar’ 2009 is vastgesteld op 20,93 euro per uur. De Huishoudelijke Hulp 2 gaat naar 25,16 euro. In ons geval (Huishoudelijke Hulp 1) zou dat betekenen dat we voor zes uur hulp maandelijks 125,58 euro zouden moeten overmaken naar het CAK-BZ. Moeder: “Nu houdt die instelling in Kapelle helemaal geen klant meer over.”

Wanneer ik in het Zeeuwse Kapelle aan het werk ben, nemen we ’s ochtends aan de keukentafel de krant door. Kopje koffie, boterham en de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC). De PZC gaat niet alleen uitvoerig in op de capriolen van bankiers en hun bonussen, maar brengt ook de misstanden in de zorg in Zeeland aan het licht. Managers van thuiszorgorganisaties, die moord en brand schreeuwen over de teloorgang van de thuiszorg en het mogelijke ontslag van honderden huishoudelijke hulpen, worden ineens ontmaskerd als grootverdieners. Een hoofdrol is daarbij weggelegd voor Léon Phernambucq, een van de drie directeuren van Zorgstroom (actief op Walcheren) en in het verleden districtsbestuurder van het CNV in Zeeland. Een vakbondsman in hart en nieren, die zich sterk maakte voor de zwakkeren in de samenleving. Nu knokt hij voor betere arbeidsvoorwaarden voor de 1100 thuishulpen, die schromelijk zouden worden onderbetaald en met ontslag worden bedreigd.


Maar zie, de PZC is erachter gekomen dat Phernambucq voor 163.427 euro op de loonlijst van Zorgstroom staat; de twee andere directieleden, Peter de Boevere en Johan Maliepaard, moeten het doen met respectievelijk 145.775 en 128.076 euro. Moeder reageert verontwaardigd. “Het gaat van de grote hoop, hè. Mooi weer spelen van andermans centen. Daar komt nu vanzelf een einde aan.”

Dat was afgelopen november. De dagen erop regende het ingezonden brieven in de PZC over de managers in de zorg, die zich laten voorstaan op hun menslievendheid, maar vooral goed aan zichzelf denken. Zakkenvullers zijn het, menen boze lezers, die tevens de gelegenheid te baat nemen om hun ongenoegen over de bureaucratische santenkraam en de enorme papierwinkel te ventileren.

Om de weerzin tegen al die geldsmijterij en bureaucratie te kunnen begrijpen, moeten we terug in de tijd. Mijn ouders zijn geboren en getogen in grote gezinnen (respectievelijk negen en zes kinderen) in Biezelinge, een dorpje met toen pakweg duizend inwoners. Aan de ene kant van de spoorlijn ligt Biezelinge, aan de andere kant Kapelle. Samen vormen ze Kapelle-Biezelinge. Beide grootvaders werkten als zelfstandigen in de fruitteelt, zoals bijna iedereen in Kapelle en Biezelinge. Zaadhandel Jan Balkenende – de opa van Jan Peter – was de grootste werkgever in het dorp. Daar konden de kleine zelfstandigen terecht in de winter, als de natuur in rust was.

Het oogstseizoen liep van eind mei tot begin november. Eerst kwamen de aardbeien, frambozen, zwarte, rode en kruisbessen en bramen, daarna de pruimen, kersen, appels en peren. In de pluk werd het hele gezin ingeschakeld. Bij het ochtendgloren werden de kinderen uit bed gehaald om aardbeien en ander klein fruit te gaan plukken. Wanneer de lagere school begon, hadden de leerlingen in de hogere klassen er al een schaft op zitten. Verder leren was er niet bij, zowel voor de jongens als de meisjes. Alleen de kinderen van de notabelen (dokter, dominee en notaris), zoals domineesdochter Annie (M.G). Schmidt (haar vader was predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk in Kapelle), konden doorleren, naar de mulo of hbs in Goes.


Sinds de jaren twintig van de vorige eeuw is er in alle opzichten onvoorstelbaar veel veranderd. Maar één ding bleef recht overeind staan: de inwoners willen zo lang mogelijk hun eigen broek ophouden en hebben een broertje dood aan betutteling, bureaucratie en verspilling. En als het even tegenzit (ziekte, financiële tegenslag), springen familie, buren, vrienden en bekenden en de kerk bij. Daar hebben ze ‘Den Haag’ niet voor nodig.

En zo kan het gebeuren dat de gemeente Kapelle (bestaande uit de kernen Kapelle, Biezelinge, Wemeldinge en Schore, samen 12.225 inwoners) het geld dat ze van de rijksoverheid ontvangt om de WMO uit te voeren, niet kwijt kan. Sinds de WMO in 2007 van kracht werd, krijgt elke gemeente in Nederland naar rato van het aantal inwoners een bepaald bedrag. Het is de bedoeling dat het geld wordt besteed aan het inhuren van huishoudelijke hulp, scootmobielen, (elektrische) rolstoelen, rollators, losse woonvoorzieningen, trapliften, elektrische fietsen, parkeervergunningen voor invaliden en verhuiskosten.

Op jaarbasis vloeit er voor die voorzieningen ongeveer een miljoen euro in de toch al rijkelijk gevulde gemeentelijke kas. Ondanks alle pogingen van verantwoordelijk wethouder Leo Kosten (SGP) om het hele bedrag door te sluizen naar bejaarde dan wel gehandicapte inwoners van Kapelle, is hem dat niet gelukt. In 2007, het eerste jaar van de WMO, hield de gemeente ongeveer 150.000 euro over, over het afgelopen jaar zal eenzelfde bedrag uit de bus rollen. Die drie ton is gestort in de algemene reserve.

Als we op bezoek zijn bij wethouder Kosten, haalt hij een staatje tevoorschijn. In 2007 ging het grootste deel naar medische adviezen en hulp in de huishouding. Beide zijn drastisch afgenomen. Het aantal inwoners dat gebruik maakte van Huishoudelijke Hulp 1 en 2 daalde van 232 naar 167. Ter compensatie financierde de gemeente 23 scootmobielen en 24 rolstoelen.


Weten al die aanvragers van hulp en voorzieningen wel waar ze mee bezig zijn, vraagt wethouder Kosten zich af. Hij vreest van niet. De meeste mensen denken immers dat hulp in de huishouding en hulpmiddelen gratis zijn. Niet dus. Ouderen met AOW, een pensioentje, een paar spaarcenten voor moeilijke tijden en een eigen woning, vallen buiten de boot. Het CAK-BZ weet hen wel op te sporen, zo hebben velen inmiddels ervaren. De Huishoudelijke Hulp moet eens per maand worden betaald, de hulpmiddelen worden in termijnen teruggevorderd. Bezint eer ge begint, is zijn advies. “Mensen met een beetje vermogen hebben geen fluit aan de WMO,” weet Kosten.

Hulp in de huishouding kunnen ze beter zelf regelen – goedkoop en simpel – en hetzelfde geldt voor al die hulpmiddelen. “Een geavanceerde scootmobiel kost tussen de zeven- en tienduizend euro, maar iemand met een redelijk inkomen betaalt die in termijnen terug. Tel uit je winst.

Ze kunnen veel beter een tweedehands aanschaffen. Op internet worden scootmobiels te kust en te keur aangeboden voor honderden in plaats van duizenden euro’s.”

Met andere woorden: die hele poppenkast is alleen interessant voor mensen die op een minimuminkomen zitten of een hele waslijst aan hulp en middelen nodig hebben, waardoor ze over de eigen bijdrage heen schieten. Daarbij komt dat de inwoners van Kapelle niet graag met hun (eventuele) armoede te koop lopen.

Kosten wist dat al en werd nog eens met de neus op de feiten gedrukt met de eindejaarsuitkering voor de minima, een verzinsel van het kabinet. De gemeente ontving eind 2008 ineens 21.500 euro ofwel een extraatje van 50 euro voor de 400 minima die Kapelle zou tellen. De gemeente stortte 50 euro op de bankrekening van 180 personen of huishoudens van wie bekend was dat ze wel vijf tientjes konden gebruiken. In De Scheldepost riep Kosten vervolgens medeburgers diverse keren op om zich te melden voor die 50 euro. Het bleef echter stil. “Ik heb mijn best gedaan, maar we halen nog niet de helft. Een inwoner zei tegen me: ‘Leo, je denkt toch niet dat ik zo gek ben om m’n hand bij de gemeente op te houden.'”


Binnen mijn familie waren we er allang achter gekomen dat in de zorg met geld wordt gesmeten. In de categorie verkwisting scoort de splinternieuwe scootmobiel die in een naburige Zeeuwse gemeente plotsklaps bij tante Maatje (begin 80) werd bezorgd, ook hoog. Gratis. Een medewerker van de gemeente had gevraagd of ze zo’n vervoermiddel kon gebruiken. Waarom niet? Ze had hem niet nodig, maar ja, wie weet zou het in de toekomst wel makkelijk zijn. Bovendien: je kunt hem ook gebruiken als mini-auto. Het ding is intussen weer ingeleverd, nadat de gemeente ontdekte dat-ie werkeloos in de schuur stond.

import zorg in zeeland