Het verdriet van Goor

Het Twentse plaatsje met de rare naam kampt met een identiteitscrisis. Op naar Goor, eens kijken of het echt zo erg is.

Goor heeft een imagoprobleem. En dan heb ik het niet over die vuilbekkende zanger uit Amsterdam-Noord, maar over het ruim twaalfduizend zielen tellende stadje in Overijssel. Goor wordt wel liefkozend ‘het Twentsche Haagje’ genoemd, maar dat is toch eigenlijk maar de spreekwoordelijke vlag op de al even spreekwoordelijke modderschuit. Want hoe chic zo’n plek zich met een dergelijke eretitel ook wil voordoen, de naam Goor hangt er toch als een stinkende deken overheen. De plaatselijke ondernemersvereniging gaat nu onderzoeken of Goor van naam kan veranderen, zo leerde een onlangs verspreid persbericht. De naam Goor, die al meer dan acht eeuwen wordt gebruikt, zou nu ineens ‘een positief imago in de weg staan’. De Gorenaren (nóóit zeggen: Goorlingen) mogen via een digitale vragenlijst hun mening geven over deze heikele kwestie. “In het imago-onderzoek komt ook de rol van asbestfabrikant Eternit aan de orde,” aldus het persbulletin. “Door de fabriek geldt Goor zo ongeveer als het epicentrum van de asbestvervuiling in Nederland.” En: “Een naamswijziging is wettelijk mogelijk; het vergt alleen veel tijd.”

Op naar Goor, per spoor. Checken of het echt allemaal zo erg is als wordt beweerd. Bij leven en welzijn zou Martin Bril er natuurlijk heen zijn gegaan, maar bij diens diepbetreurde ontstentenis moest een ander de honneurs maar waarnemen. Hopelijk, zo hield ik me bij vertrek voor, zou ik ter plekke een fraaie rotonde scoren. Als hommage.

Station Goor, een uit 1863 daterend bouwwerkje van Märklin-proporties, ligt aan de spoorlijn Zutphen-Hengelo. Een loket is er niet te vinden – zelfs niet voor een kroket. Het gebouw doet anno nu dienst als Goors Historisch Museum en biedt ‘bodemvondsten van ver vóór onze jaartelling’ alsook ‘afbeeldingen en voorwerpen die een beeld geven van de ontwikkeling van de textielindustrie’. Ongetwijfeld zeer boeiend, maar daarvoor was ik niet naar Goor afgereisd. Mij ging het om het Goor van nu, het Goor van het imagoprobleem. Welnu, dat Goor openbaart zich in al z’n lelijkheid tegenover datzelfde museum, waar een nieuwbouwbombardement aan de gang is van huizen die vóór ze goed en wel af zijn al vragen om te worden gesloopt.


Me een weg banend over het bouwterrein, hoestend als een Mexicaan op een varkensboerderij, stuitte ik op de eerste tekenen van Goorse middenstand: een Aldi, een Lidl en een Zeeman. Voorwaar, een goedkope entree! In het verlengde daarvan presenteerde zich een kapsalon met een al even goedkope woordgrap in de naam: Suc6.

Hier moest ik even van bijkomen en ik vervoegde me daartoe bij cafetaria The Sweet 60’s, op het adres Grotestraat 114. “Wij hebben de grootste hamburger van Goor!” schreeuwde een bord aan de gevel. Nu hoeft dat op zich niets voor te stellen – als Goor drie snackbars heeft, zal er allicht één hamburgers verkopen die iets groter zijn dan die van de concurrentie, ook al is het anderhalve centimeter – maar in dit geval stelde The Sweet 60’s niet teleur. De zogeheten megaburger maakte z’n naam volledig waar: 330 gram robuust rundvlees tussen twee stukken brood die bijna nog ronder en dikker waren dan de billen van de flink uit de kluiten gewassen serveerster. Werkelijk een joekel van een burger, aan de bovenkant opgeleukt met een geharpoeneerde stertomaat.

Ik besloot het gevaarte in de flank aan te vallen. Eerst een punt eruit, zodat de burger eruit kwam te zien als een grafiek naar aanleiding van een onderzoek waar veruit het grootste gedeelte van de ondervraagden het mee eens is. Of oneens. Snijden, prikken, happen, kauwen, slikken. Ik zou me er toch zeker niet door zo’n burger onder laten krijgen? Snijden, prikken, happen, kauwen, slikken. En toen wist ik het al: dit wordt werken, hard werken.


Halverwege besloot ik het strijdplan aan te passen en legde ik de kap van het broodje ter zijde. De megaburger was nu een cabrioburger geworden. Moedig sneed, prikte, hapte, kauwde en slikte ik verder. Tot ik het zweet van mijn slapen voelde stromen en de tactiek andermaal moest wijzigen. In dit stadium van de strijd werd ook de onderkant van het broodje naar de rand van het bord verwezen, zodat het nu ging tussen mij en naar schatting 75 gram met mayonaise besmeurd vlees waar schilfertjes sla aan zaten geplakt, als grassprieten aan een natte voetbal. Dapper hield ik het nog drie happen vol. Toen wierp ik, bij gebrek aan handdoek, het servet. De megaburger had gewonnen, op technisch knock-out.

Waggelend verliet ik het pand, waarna het me ook niet meer lukte om in een rechte lijn door de Grotestraat te lopen. Ik voelde me vol, vies, vet.

Goor.

Al zigzaggend door het hartje van Goor, kwam ik tot een even logische als opmerkelijke conclusie. Een Gorenaar met een onverzorgd kapsel heeft geen enkel excuus. In Goor barst het namelijk van de kappers. Ga maar na: om de hoek bij Suc6, in de Grotestraat, zit Rita’s Trendy Hair. Daar schuin tegenover, op 151, vinden we Kapsalon Brand. Een paar stappen verder, op de hoek van de Spoorstraat, treft de voorbijganger een zaak met het opschrift Hair & Beauty by Petra van den Burg. Petra zit goed in haar vel, want blijkens een spandoek aan de gevel is ze ‘2x genomineerd voor de Coiffure Award’. ‘De’ Coiffure Award – een Gorenaar weet dan kennelijk voldoende.

Ter hoogte van eetcafé De Ster, met z’n fraaie glas-in-loodramen, maakt de Grotestraat een niet te negeren bocht naar links. Wie deze route volgt, laat het centrum van Goor achter zich en begeeft zich in iets wat we met enige dichterlijke vrijheid de buitenwijken kunnen noemen. Je loopt langs Ellen’s Hairdesign en passeert vervolgens, als klinkend slotakkoord, de zaak van Elmi Kappers (‘3 nominaties Coiffure Award!’). Of misschien heet die kniptent wel Ami Kappers, of Eimi Kappers – dat is uit het frivole logo met geen mogelijkheid op te maken.


Alvorens ik me in het avontuur stortte dat aan het einde van de Grotestraat lonkte, wandelde ik even terug naar een enorm plein waaraan mijn blik was blijven hangen. En bij nader inzien ging het hier niet om een gewoon groot plein, maar om een lelijk groot plein. Wat heet: een spúúglelijk groot plein! Midden op dat spuuglelijke grote plein, tegenover een spuuglelijk gemeentehuis en een spuuglelijke bibliotheek, stond een haringkar met het opschrift ‘Vishandel Gebr. Verdriet’.

En toen viel het kwartje.

De gebroeders Verdriet!

Maar natuurlijk, daar hééft Martin Bril al eens over geschreven! Hij zat destijds op dit immens grote plein en at een broodje garnalen bij de kar van de gebroeders Verdriet, zich ondertussen afvragend wat een klein stadje als Goor in vredesnaam met zo’n enorm plein moet. Bril heeft Goor dus al, om maar even in kapperstermen te blijven, geknipt en geschoren! En een paar dagen later ging collega-columnist Wim de Bie erheen, om tot zijn niet geringe teleurstelling te constateren dat de kar van de gebroeders Verdriet de rolluiken omlaag had.

Onvoorstelbaar, heeft Bril dan werkelijk héél Nederland voor onze voeten weggemaaid?

Heel wel mogelijk.

“Respect!” kun je dan alleen maar zeggen.

Ik liet de kar van de gebroeders Verdriet achter op het plein, dat monsterlijk grote plein dat zóveel ruimte biedt dat FC Twente er straks makkelijk z’n bekerfeestje zou kunnen vieren. Zelfs met dertigduizend hossende voetbalsupporters zou er nog voldoende ruimte zijn voor de gebroeders en hun garnalen.

In de prettige wetenschap dat ik me nu in de voetsporen van Martin Bril bevond, kuierde ik het centrum van Goor uit, de onverteerde megaburger nog altijd met me mee zeulend. Aan mijn linkerhand passeerde ik een Chinees restaurant, ‘Kota Radja’ genaamd. Zo heten ze altijd in de provincie. Dat wil zeggen: als er niet ‘Peking’ op staat, of ‘De Lange Muur’.


Even verderop stuit de Grotestraat op de Hengevelderstraat. Pontificaal in het midden een verkeersbord, met tal van keuzemogelijkheden om de reis te vervolgen. Links voert de weg naar Enter en Almelo, rechts gaat het richting Haaksbergen, Zutphen, Delden en Hengelo. Enter, daar kwam Folkert Velten vandaan, de legendarische spits van Heracles! Diep in de oogkassen verscholen vissenogen boven een snorretje van stro. Geen enkele doelman was veilig voor deze zwaar gereformeerde sluipschutter, die in het dagelijks leven varkenskoppenpeller was.

Met de toevoegingen ‘Braakmolen’, ‘Klompenmuseum’ en ‘Oudheidkamer’ beloofde de andere kant van de Hengevelderstraat vertier op Van Gewest Tot Gewest-niveau – en dat leek me wel zo gepast. Voort ging het dus, langs Eet-, Bier- & Biljartcafé ‘Hart van Goor’ naar het Prinses Julianaplein, waar de weg naar links buigt en tegelijkertijd rechtdoor loopt. “Wat een besluiteloosheid!” ben je geneigd de Hengevelderstraat hier toe te bijten, tot je tot de ontdekking komt dat het rechtdoor ineens de Iependijk wordt. Door die gelijktijdige afbuiging en continuatie is in het midden van het plaveisel een driehoekje ontstaan, waar met de beste wil van de wereld geen rotonde van valt te maken. Ik weigerde dit flutkruisinkje dan ook op te dragen aan Martin Bril.

De Iependijk is een keurige straat met keurige huizen en keurige tuintjes, constateerde ik. Het zou hier ook Heiloo kunnen heten, of Etten-Leur. Steenwijk voor mijn part. Maar het is Goor, het Goor dat de Gorenaren zo graag een beter imago zouden willen zien hebben. Moeilijk voor te stellen. Wolboetiek Maria (Iependijk 38) meldde op een briefje ‘maandag en donderdag’ gesloten te zijn. Op zondag nog maar eens proberen dan, grapte ik tegen mezelf, overigens zonder dat ik daar ook maar om moest grinniken.


Waar de rustige Iependijk de stille Rozenstraat kruist, worden de wieken van de Braakmolen zichtbaar, hoog boven het struweel. In weerwil van z’n besmette naam is Goor typisch zo’n plek waar je struweel aantreft. Het platteland heeft immers patent op dat woord – in de Amsterdamse Pijp of de Haagse Schilderswijk is geen struweel.

Er vloog een kauw boven mijn hoofd en ik dacht: als ik nu een buks had en zou schieten, dan was de kauw uit de lucht. Want kapsalon Suc6 moest vooral niet denken dat ze het alleenrecht heeft op goedkope woordgrappen! Ik passeerde de Troefmarkt, een lokale grutter met ‘ambachtelijk brood van Brunnikmeijer’, en liet me verrassen door een aantrekkelijke potgrond-actie. Ik noteerde: ‘1 zak 1,45, 4 zakken 5 euro’.

En toen vond ik dat ik wel genoeg gemartinbrild had. Ik raffelde nog snel even de Braakmolen en het ernaast gelegen Klompenmuseum af en vond mezelf toen al gauw terug op het terras van eetcafé De Ster, in de bocht van de Grotestraat. De Ster in Goor. “Ik heb het liever andersom!” zou die vuilbekkende zanger uit Amsterdam-Noord ongetwijfeld bulderen.

Ook bij De Ster wordt de goedkope woordgrap niet geschuwd, bleek uit een blik op de menukaart. Een broodje zalm heet er olijk brödje ik zallum. Binnen in het etablissement klonk het vertrouwenwekkende geluid van op elkaar klotsende biljartballen, ondersteund door Nederpop uit vervlogen tijden. Upside Down van Vanessa, dat werk. En Lee Towers, met I Can See Clearly Now.

Look all around,

there’s nothing but blue skies…

En zo was het maar net, op deze zonnige maandagmiddag in Goor. Terwijl het terras van De Ster met stoffer en blik nog schoner werd gemaakt dan het al was, viel mijn oog op het tegenover de uitspanning gesitueerde reisbureau. Onzinnige toko. Want waarom zou je weg willen uit Goor, als Gorenaar? Het kost je een eeuwigheid om bij een vliegveld te komen en bovendien: in Goor heb je alles wat je nodig hebt. Hamburgers waar je twee dagen van kunt eten, een door wel drie auteurs beschreven viskraam, twee musea, een molen, heel veel struweel en genoeg Rita’s, Petra’s en Ellens om je elke dag door te laten knippen.


Goor. Het is niets – en tegelijk is het alles.

Michiel Blijboom, foto's Ilse Bakker