Op zoek naar Popul

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik ergens een woord hoor of lees dat ik niet helemaal begrijp, heb ik de gewoonte zo’n woord op te zoeken in een woordenboek. Ik heb thuis twéé van die woordenboeken. Ze staan allebei op mijn bureau en ze zijn allebei van de gerenommeerde firma Van Dale, maar wel uit verschillende jaren. Het gaat om Van Dale’s Nieuw Groot Woordenboek der Nederlandse Taal uit 1950 en Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal uit 1999. Die laatste editie is dus voor mij het nieuwst, maar kennelijk is Van Dale er ergens tussen 1950 en 1999 mee opgehouden om de eigen woordenboeken telkens weer ‘nieuw’ te noemen. Ik kan me daar overigens wel iets bij voorstellen.

In beide woordenboeken besloot ik onlangs het woord ‘populisme’ op te zoeken. In de Nederlandse politiek en in de media hoor je dat woord de laatste jaren steeds vaker, en ik was benieuwd wat het nu precies betekent. Het leuke daarbij was dat ik mij tijdens het opzoeken een beetje voelde als die vader uit de Vader & Zoon-strip van Peter van Straaten die vroeger elke dag in Het Parool stond. Die vader wist ook vaak niet wat woorden betekenden, en vroeg dat dan aan zijn zoon. Dat leverde vaak komische dialogen op. “Mag ik je weer eens een heel domme vraag stellen?” zei die vader dan. “Kijk: je hebt Lenin: en het leninisme: en Stalin: en het stalinisme. Nu zou ik zo graag van je willen weten: wie was toch in vredesnaam Femin?”

Maar goed, ik was serieus op zoek naar iets en Van Dale zou mij opheldering verschaffen. Maar al meteen ging het mis: het woord ‘populisme’ bleek namelijk niet voor te komen in het Groot Woordenboek uit 1950. Wel ‘populierzwam’ (‘steelzwammensoort van de familie der buisjeszwammen’), en direct daarna ‘por’ (‘stoot, steek’). Populisme, zo luidde mijn conclusie, was zestig jaar geleden kennelijk nog een nagenoeg onbekend verschijnsel. Onbekender in elk geval dan de populierzwam – en dat wil toch wel iets zeggen.

In het Groot Woordenboek uit 1999 bleek ‘populisme’ gelukkig wél vermeld te staan: direct na – inderdaad – die steelzwammensoort van de familie der buisjeszwammen. Van Dale bleek nu opeens drie betekenissen voor het begrip te kennen: “1 – Richting in de Franse literatuur omstreeks 1930, die belangstelling vroeg voor het leven van de lagere volksklassen en de beschrijving daarvan in zijn eigen stijl; 2 – anti-kapitalistische volksbeweging van meestal agrarische volksgroepen, met name in Zuid-Amerikaanse staten; 3 – populaire, oppervlakkige, (enigszins) demagogische betoogtrant.”


Tjonge, dit was wel heel veel informatie ineens. Met definitie nummer één, over die richting in de Franse literatuur, kon ik niet zoveel. Dat wil zeggen: in dat verband had ik de term populisme de afgelopen jaren nimmer horen gebruiken. Maar wellicht beweeg ik mij, anders dan de samenstellers van de Van Dale, te weinig in kringen die Franse literatuur uit omstreeks 1930 lezen, neemt u mij dat s’il vous plaît niet kwalijk.

Betekenis nummer twee leek mij, zo op het eerste oog, aanzienlijk boeiender, hoewel die toevoeging ‘met name in Zuid-Amerikaanse staten’ mij meteen als volkomen terecht voorkwam. Want inderdaad, een bínnenlands voorbeeld van een ‘anti-kapitalistische volksbeweging van meestal agrarische volksgroepen’ schoot mij zo gauw niet te binnen. Dat wil zeggen: met anti-kapitalistische volksbewegingen was Nederland vroeger natuurlijk zeer wel bekend (denk aan de socialisten en communisten van weleer), maar juist boeren en boerinnen kwam je in hun rijen hoogstzelden tegen. Voor zover ‘agrarische volksgroepen’ in de vaderlandse politiek wél van zich deden spreken, bleken ze juist sterk pro-kapitalistisch. Denk bijvoorbeeld aan de Boerenpartij van Hendrik Koekoek, die in de jaren zestig en zeventig niet aarzelde om het ‘dirigistische’ en ‘bemoeizieke’ Nederlandse landbouwbeleid te vergelijken met de wijze waarop boeren werden gekneveld aan gene (communistische) zijde van het IJzeren Gordijn.

Bleef over betekenis nummer drie: ‘populaire, oppervlakkige, (enigszins) demagogische betoogtrant’. Een persoon die zich van deze techniek bedient, mogen wij dus eveneens – met permissie van Van Dale – betitelen als een aanhanger van het populisme. Dat lijkt misschien duidelijk, maar is het dat ook?


Nee, niet echt. Want met deze definitie kunnen we, zeker op het Binnenhof, iederéén wel een populist gaan noemen. Politici immers zijn in Nederland voor hun (her)verkiezing afhankelijk van de steun van het electoraat, of althans van een déél daarvan. Om die zeer begrijpelijke reden bedienen politici zich doorgaans van een betoogtrant waarvan ze hopen dat die hun populariteit verhoogt. Veel politici volgen tegenwoordig zelfs allerlei trainingen en cursussen om dat goed onder de knie te krijgen. Niet altijd met doorslaand succes (kijkt u maar naar Mariëtte Hamer), maar toch: er heeft bij mijn weten nog nooit een politicus meegedaan aan verkiezingen met het oogmerk zo min mogelijk dingen te verkondigen die zijn of haar partij zetelwinst zou kunnen opleveren.

Het debiteren van wat Van Dale ‘oppervlakkigheden’ noemt, is inherent aan dat streven. Vandaar dat we politici aan de lopende band dingen horen zeggen waarmee geen weldenkend mens het oneens kan zijn. Bijvoorbeeld dat ‘de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen’ en dat we ‘samen verantwoordelijk’ zijn. Of dat we de generaties na ons – politici spreken dan graag over ‘onze kinderen en kleinkinderen’, ook als ze zelf helemaal geen nageslacht hebben – niet mogen opzadelen met bijvoorbeeld ontspoorde overheidsfinanciën of een vervuild milieu. Ook zeggen politici vaak dat er geen mensen mogen ‘achterblijven’ en dat we ‘duurzaam moeten investeren’. Het zijn goed beschouwd allemaal uitspraken die je kunt vergelijken met de bezwering dat er ‘geen reden is voor paniek’. Want zegt u eens eerlijk: hebt u ooit iemand horen beweren dat er wél reden is voor paniek?


En nu we het toch over oppervlakkigheden hebben: herinnert u zich nog de teksten op de affiches bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen? Ik heb er een paar voor u opgezocht: ‘Kies voor toekomst. Kies voor elkaar’ (CDA), ‘Gelijke kansen voor iedereen’ (PvdA), ‘Doe mee’ (VVD), ‘Een beter Nederland voor hetzelfde geld’ (SP), ‘Stem strategisch’ (ChristenUnie), ‘Eigenlijk bent u een D66’er’ (D66), ‘Groei mee’ (GroenLinks) en ‘Naar eer en geweten’ (SGP). Iets diepzinnigs of zelfs maar iets concreets zat er niet tussen – in die zin dongen er alléén maar populistische partijen naar de gunst van de kiezer.

En dan die ‘(enigszins) demagogische betoogtrant’ waarvan populisten zich volgens Van Dale bedienen. Ook daarmee komen we niet veel verder. Want demagogie is – volgens dezelfde Van Dale – synoniem met ‘volksmisleiding’. En ook dat is een verschijnsel dat onder politici van alle snit pleegt voor te komen. We zouden dan bijvoorbeeld Wouter Bos een populist moeten noemen, omdat hij tijdens de verkiezingscampagne van 2006 zei dat hij in geen geval als vicepremier onder Jan Peter Balkenende wilde dienen. Maar ook Balkenende zou een populist zijn: omdat hij de kiezers jarenlang misleidde met het standpunt dat hij faliekant tegen een onderzoek naar de Irak-oorlog was. En wat te denken van Mark Rutte? Die vertelde in april 2005 aan NRC Handelsblad dat hij in 2007 beslist géén VVD-lijsttrekker wilde worden (“Nee, nee, nee, helemaal niet”), maar liet zich al in mei 2006 toch in die functie kiezen.

Inzake het begrip populisme was Van Dale dus kennelijk niet bij machte mij uit de brand te helpen. Wat nu?

Plots schoot mij te binnen dat ik natuurlijk ook over de kwestie zou kunnen gaan bellen. Dat zou ik waarschijnlijk ook hebben gedaan als ik in mijn woordenboeken geen heldere definitie van – bijvoorbeeld – het begrip katholicisme had aangetroffen: dan zou ik zijn gaan telefoneren met Antoine Bodar, Dries van Agt of misschien wel kardinaal Simonis. Want die afficheren zichzelf al heel lang als aanhangers en voorstanders van dat ‘isme’ en weten dus, zo mag je veronderstellen, van de hoed en de rand.


Ik stond al met de telefoon in de hand toen ik mij realiseerde dat ik eigenlijk géén idee had wie te bellen. Want anders dan bij het katholicisme, maar ook bij het protestantisme, het atheïsme, het liberalisme, het socialisme en zelfs bij het vegetarisme en het nudisme, bleek ik – ook na diep nadenken – helemaal niemand te kennen die zichzelf betitelt als een adept van het populisme.

Was dit een teken aan de wand? Ik begon het te vermoeden. Want stel nu dat ik niet op zoek was geweest naar een Nederlander die zichzelf ‘populist’ noemt, maar naar een landgenoot die zichzelf ‘boskabouter’ noemt. En stel nu dat ik – ook na lang zoeken – nergens zo’n zelfbenoemde boskabouter had gevonden. Dan zou toch niemand het mij kwalijk nemen als ik zou opschrijven dat boskabouters in ons land zeer waarschijnlijk niet (meer) bestáán?

Aanvankelijk leek mij dit een sluitende redenering. Maar na een nachtje slapen dacht ik daar toch weer een tikje anders over. Want ten minste één kwestie had ik nog steeds niet opgehelderd: dat je in de media steeds vaker leest en hoort over politici die elkáár ‘populist’ noemen. Daaruit zou je kunnen afleiden dat populisten – anders dan boskabouters – in één opzicht wel degelijk bestaan, namelijk in de hoedanigheid van een etiket dat je door politieke opponenten kan krijgen opgeplakt. De meest logische vervolgvraag is dan waarom dat etiket ‘populist’ tegenwoordig zo buitengewoon geliefd is.

Decennialang werd het Nederlandse politieke toneel gedomineerd door een vaste reeks spelers. De hoofdrollen waren weggelegd voor christen-democraten (eerst KVP, ARP en CHU; daarna het CDA), sociaal-democraten (de PvdA) en liberalen (de VVD en D66). Die werden geflankeerd door een stroming ter linkerzijde (eerst CPN, PSP en PPR; daarna GroenLinks) en een aantal kleine, orthodox-protestantse partijen (de SGP en de door een fusie van GPV en RPF ontstane ChristenUnie). In die situatie is de afgelopen jaren drastisch verandering gekomen door het electorale succes van een aantal politieke nieuwkomers: de SP, de LPF en, daarna, de PVV van Geert Wilders. Hun stemmenwinst ging – uiteraard – ten koste van de ‘traditionele’ partijen. Kennelijk hadden die iets fout gedaan, want anders waren hun kiezers niet zo massaal op de loop gegaan. Maar toegeven dat je iets fout hebt gedaan, is moeilijk, ook in de politiek. Veel makkelijker is het om ánderen te verwijten dat ze iets fout doen.


Bij die ‘anderen’ zou je in eerste instantie kunnen denken aan de kiezers. Maar politici zijn over het algemeen wel zo verstandig om het electoraat niet de maat te nemen. Daarom gingen ze hun pijlen richten op de ‘verleiders’, lees: op de nieuwe partijen die al die kiezers hadden weten in te palmen. Je ziet dat ook vaak bij overspel: vrouwen die te maken krijgen met een man die vreemd is gegaan, willen hun echtgenoot soms nog wel vergeven, maar blijven vaak levenslang kwaad op die verschrikkelijke slet annex sloerie met wie hij het bed in is gedoken. Die kwaadheid heeft doorgaans te maken met het moeilijk te verkroppen inzicht dat de eigen echtgenoot nooit vreemd zou zijn gegaan als hij bij ‘die ander’ geen kwaliteiten zou hebben bespeurd die hij thuis was gaan missen. Om die ongemakkelijke waarheid te verdringen worden aan zo’n vrouw dan allerlei vulgaire eigenschappen toegedicht. Het slaat dikwijls nergens op, maar het lucht wel op.

Zo bezien is het allerminst verbazingwekkend dat juist de LPF, de SP en de PVV de laatste jaren zo vaak van populisme zijn beticht. Wat er feitelijk schuilgaat achter dit verwijt, is het voor de ‘bedrogen’ traditionele partijen moeilijk te verteren besef dat de nieuwkomers zo’n aantrekkelijke indruk maken op de kiezersmarkt. Maar dat is – let wel – niet noodzakelijkerwijs omdat het bij die nieuwkomers zou gaan om partijen van een totaal ander, namelijk ‘populistisch’ karakter. Wie dat denkt, maakt dezelfde fout als de bedrogen echtgenote die, ter bescherming van haar zelfbeeld, meent dat haar man is bezweken voor een slet of een sloerie. Terwijl er naar alle waarschijnlijkheid een ‘gewone’ vrouw in het spel was, maar dan aardiger, charmanter, welbespraakter, jonger en/of mooier dan de overspelige echtgenoot gewend was.


Over die ‘betere’ eigenschappen beschikken of beschikten, althans in de ogen van veel kiezers, ook de LPF, de SP en de PVV. Dat kun je jammer vinden (of niet), maar zoiets hoort nu eenmaal bij een open, democratisch bestel. Met het plakken van populisme-etiketten schieten we hoe dan ook helemaal niets op. Bovendien: waarom zou – bijvoorbeeld – GroenLinks wel mogen verwoorden wat aan de vaderlandse borreltafels wordt gezegd over bankiers en bonussen (‘aanpakken die handel’), terwijl de PVV steevast van allerlei narigheid wordt beschuldigd als die partij verwoordt wat aan diezelfde borreltafels wordt gezegd over criminele Marokkanen (‘uitzetten dat tuig’)?

Maar mochten Balkenende, Bos, Rouvoet, Pechtold, Rutte en Halsema het plakken van etiketten toch niet kunnen laten: verzin in vredesnaam eens wat nieuws. Bij wijze van suggestie: vinden jullie ook niet dat Geert Wilders soms een beetje op een kabouter lijkt?

import politiek