Niet on-, maar anders-maatschappelijken

Tussen Eindhoven en de Belgische grens ligt, aan de rand van het dorpje Veldhoven, een klein woonwagenkamp dat eigenlijk geen kamp, maar alleen maar een standplaats is. Er bevinden zich de laatste maanden bijna uitsluitend zigeuners: kleurig geklede vrouwen met veel sieraden en even donkere mannen met meestal lang sluik haar. Een corpulente zigeunerin grijpt onmiddellijk de hand van een der HP-verslaggevers en zegt op een dreun een uit het hoofd geleerd lesje op: “Ge houdt niet van huichelen en smeigelen, aan eten en drinken ontbreekt het u niet, ge zijt veel in het buitenland, ge hebt succes bij de vrouwen,” enz. Steeds onderbroken met ‘verstaat u mij goed’, of ‘als het niet waar is moet ge het zeggen’.

Twee langharige jongetjes zeuren om een dubbeltje: ze krijgen het en even later vragen ze het weer. Op het ‘jullie hebben toch al gehad’, zegt een van hen vaag: “Was ik dat… dat is een ander geweest… ik ben het zeker verloren.”

Adolph Steinbach komt direct met zijn met inlegwerk versierde violen aandragen en gaat uitvoerig vertellen hoe ‘goejekoop’ hij wel is. Zijn prijs: 50 gulden. De zigeunermeisjes willen niet gefotografeerd worden, wel ‘voor een knaak’.

Er blijft een barrière tussen de zigeuner en de burger als er niets meer te verdienen valt: ze zijn stug, gereserveerd, wantrouwig soms, en erg op hun vrijheid gesteld. Het zijn karakteristieke mensen, met een eigen allure, met eigen normen en gewoonten, een eigen taal en (vroeger) een eigen cultuur; ze zijn beroemd om hun muzikaliteit, al zijn de meesten nu autohandelaar.

“Smeerlappen zijn het! Ze gebruiken mijn naam om van alles op afbetaling te kopen,” oordeelt de zigeuner Tata Mirando (66). “Ik ben Tata, orkestleider Tata,” zegt hij, met Duitse tongval. Een grote zware man met fonkelende ogen en meer goud dan wit in zijn mond, die met zijn wagens voor geen geld van de wereld in een woonwagenkamp wil staan; zijn wagen (met het opschrift ‘het vermaarde orkest “Mirando”‘) en die van een getrouwde dochter en zoon staan op een terrein achter het ziekenhuis in Roermond. Hij veracht de zigeuners uit de kampen. Hij gaat zelfs zo ver in zijn afkeer dat hij gewoon ontkent dat het zigeuners zijn: “Een echte zigeuner is een goed artiest.”

Als kind trad hij al op met zijn vader en (in Auschwitz omgekomen) broers in Boedapest, vluchtte in de jaren dertig uit Duitsland naar Nederland met vrouw en vijftien kinderen en zat in de oorlog in Amsterdam, ondergedoken en in de illegaliteit (“Ik heb een diploma van Eisenhower”).


Na de oorlog trad hij met zijn orkest, bestaande uit zijn zeven zoons Nello, Roma, Adolph, Christian, Morro, Morchie en Michel, voor radio en televisie op; vol trots toont hij een foto van prinses Beatrix, waarop een geschreven dankbetuiging voor het opluisteren van een feest.

De meeste zoons zijn niet getrouwd met rasgenoten, zoals de traditie het eist, maar met ‘burgermeisjes’. “Wat wil je,” zegt Tata, die zich er maar in geschikt heeft. Maar zijn vrouw zegt bitter: “Verbasterd.”

Waar de zigeuners precies vandaan komen, weet niemand met zekerheid, maar men neemt nu algemeen aan, naar aanleiding van bepaalde taalverwantschappen, dat ze uit Voor-Indië stammen. Aan het eind van de Middeleeuwen zochten ze hun toevlucht in Europa, waar ze zelden met rust werden gelaten. Steeds werden zij aan wrede achtervolgingen blootgesteld, vooral in de achttiende eeuw, toen Europa overstroomd werd door dievenbenden. Maar in de twintigste eeuw nam de achtervolging bijna de vorm aan van een totale vernietiging: in het vernietigingskamp Auschwitz werden tienduizenden zigeuners vergast.

De meeste zigeuners zijn statenloos, waardoor ze geen recht hebben op kinderbijslag. Maar pater Brand, de landelijk aalmoezenier van de woonwagenbewoners, werd eens door een zigeuner aangeschoten, die, tot zijn eigen verbazing, wel kinderbijslag kreeg. Zou de pater, als hij in Den Haag kwam, voor hem eens willen nazoeken of hij dan als Nederlander was ingeschreven, dus of hij er wel recht op had? Een paar dagen later schreef pater Brand vanuit Den Haag de zigeuner een briefje dat hij het nagezocht had, dat hij inderdaad als Nederlander stond ingeschreven en dat hij dus zijn kinderbijslag zonder gewetensbezwaren kon incasseren. Maanden later ontmoette hij de man in een van de kampen. In zijn woonwagen hing het briefje, ingelijst.


De in Nederland trekkende zigeuners geven de meest vreemdsoortige geboorteplaatsen op, in geen atlas te vinden. Sommigen vertellen afkomstig te zijn uit Guatemala; hoe ze hier gekomen zijn, weet niemand.

Zij die met burgers trouwen, zijn nog uitzonderingen, maar zigeuners zelf verwachten dat binnen 75 jaar, tenminste in Nederland, van het echte ras geen sprake meer zal zijn. Dat zal ook het einde van hun eigen cultuur en van hun eigen (kuise) normen betekenen. “Ik zeg daarom altijd tegen de jongens of meisjes: neem er een van je eigen soort,” aldus pater Jan Brand (53), een man met gevoel voor humor en een reële kijk. In zijn Volkswagen is hij dagelijks op weg naar de woonwagenbewoners, van wie de zigeuners wel de meest spectaculaire representanten zijn, maar tegelijk een kleine minderheid. Als geestelijk verzorger, want bijna alle woonwagenbewoners (20.000 in 4000 wagens) zijn katholiek. Dat wil zeggen, met Pasen en Kerstmis gaan ze naar de kerk, ’s zondags wordt er uitgeslapen (“Bepaald ideale gelovigen zijn het niet”).

De woonwagenbewoners zijn te verdelen in drie categorieën: de reizigers, de zigeuners en de burgers. De reizigers vormen tachtig procent van de woonwagenbevolking en zijn Nederlanders, al zijn velen onder hen van buitenlandse afkomst. Zij zijn de afstammelingen van trekkende seizoenarbeiders (als de Duitse hannekemaaiers), van huursoldaten die op de rand van rechtsgebieden leefden, en van hen, die door de aard van hun beroep altijd trekkende waren (veenarbeiders, scharenslijpers, stoelenmatters, venters in galanterieën, voddenrapers). Trokken deze mensen vroeger met kruiwagens, hondekarren, open wagens en huifkarren, aan het eind van de vorige eeuw kwam pas de woonwagen in gebruik.


De burgers hebben geen zwervende en trekkende voorouders, maar komen direct uit de maatschappij: gezien de opvattingen die in de maatschappij over de woonwagenbewoner bestaan, zijn zij die ondanks die opvattingen toch in een kamp terechtkwamen, meestal onmaatschappelijken.

In ’18 kwam er een wet], die een belangrijke rol zou spelen en verandering zou brengen in de sociale status van de woonwagenbewoners. Men vond namelijk dat deze groep gesaneerd moest worden, want al eerder had zij de aandacht getrokken van de overheid, vooral naar aanleiding van rapporten over drankmisbruik en bedelarij. Er moest voor gezorgd worden dat in de wagens behoorlijke mensen ondergebracht waren, en als dat zo was, mochten ze niet meer opgejaagd worden; zo kwam er een van de vele vergunningensystemen bij. In principe mochten ze nu overal met hun woonwagen staan, maar als een gemeente zelf een plaats aanwees, binnen die gemeente, dan moesten ze daar staan. Wat in de praktijk neerkwam op een leven aan de rand van de samenleving, letterlijk, maar ook figuurlijk. Een isolement, dat men nu weer langzamerhand probeert op te heffen. Over de manier waarop lopen de meningen nogal uiteen.

Romantici zeggen: laat ze hun eigen kleurrijke leven leiden. Maar de maatschappij dringt zich onherroepelijk en meedogenloos aan de woonwagenbewoners op; en dikwijls is hun onontwikkeldheid, gevolg van hun isolement, de oorzaak van een sterk minderwaardigheidscomplex, dat ze dan wel achter een muur van grofheid en bravoure proberen weg te werken, maar dat ze zelf toch wel degelijk blijven voelen.

Men moet ze leren werken, zeggen de instanties. Maar pater Brand is het daarmee niet eens: “Het zijn handelaren, die van generatie op generatie een minachting hebben voor handenarbeid. We laten toch ook niet alle winkeliers omscholen? Via de scholen moeten de kinderen komen tot individuele beroepskeuze, dan pas zal er enigszins sprake zijn van aanpassing; maar dat alles duurt nog minstens vijftig jaar.”


Handelen zit hun in het bloed. De afgelopen weken werd er door de bewoners van het kamp Helmond druk gehandeld in (waardeloze) horloges en er werden goede zaken gedaan. Land van herkomst: België, waar de horloges per kilo werden ingekocht. Gretige afnemers waren vooral de Duitsers, die er soms vier of vijf tegelijk kochten, om in de Balkan weer met winst te verkopen. Een ander berucht handelsobject zijn de (even waardeloze) tapijten, zogenaamd door zeelui gesmokkeld en op de meest geraffineerde manieren aan de man gebracht. Aan die handelsgeest zou men, vindt pater Brand, moeten appelleren. Maar dan ‘een handel op een meer bonafide peil’.

En als de handel eens wat minder goed gaat, kunnen ze altijd nog, en ze doen het met weinig tegenzin, een beroep doen op Sociale Zaken. Door middel van de veel meer comfortabele regionale kampen – maandag werd in Den Bosch een regionaal ‘woonwagenkamp’ geopend door minister (van Maatschappelijk Werk) Klompé – hoopt men de woonwagenbewoner voor de religieuze, pedagogische en hygiënische opvattingen van de maatschappij waarin zij leven maar waarvan zij geen deel uitmaken, te winnen. In opdracht van haar ministerie verscheen in juni De woonwagenbevolking van Nederland, de resultaten van een sociologisch onderzoek onder deze Nederlanders.

Een belangrijke rol in zo’n regionaal kamp vervult de maatschappelijk werkster. Haar taak: de woonwagenbewoners met raad en daad bijstaan en goodwill voor de maatschappij kweken bij deze mensen.

Maar er blijven (ook commercieel) onafhankelijken, die juist zo’n regionaal kamp als een zekere bedreiging voelen, een aantasting van hun vrijheden, waarover “de normale burger” zo zijn romantische voorstellingen heeft. Die ongebonden vrijheid valt in een moderne maatschappij nogal mee. Want vanuit een toneelzaal van een voormalig internaat in Den Haag is een oog op hen gericht, dat voortdurend de verrichtingen van de woonwagen bespiedt en bijhoudt: het is de onderafdeling ‘Opsporingsbijstand’ van de afdeling Criminele Zaken van het ministerie van Justitie, vroeger genoemd Rijks Identificatie Dienst (of kortweg RID). Een van de werkzaamheden van deze instantie is het registreren van de trekkende woonwagen.


Als een wagen met gezin in een kamp arriveert, komt er al gauw een registrator in de gedaante van een politieambtenaar van de betreffende gemeente, die zijn gegevens onmiddellijk doorgeeft aan Den Haag. Wordt er een woonwagenbewoner gezocht, bijvoorbeeld door de politie, in Den Haag weet men in welk kamp de wagen staat. Maar ook particulieren (en velen maken er gebruik van om de verblijfplaats van hun familie te weten te komen) verstrekt deze instantie telefonisch en schriftelijk (gratis) inlichtingen.

Bovendien staat de woonwagenbewoner die zijn vaste standplaats of ergens een briefadres heeft, in het bevolkingsregister van zijn gemeente ingeschreven. Maar ook van de meer ongedurigen onder hen, die van het ene kamp naar het andere trekken, zit ergens in een archief een kaart, met naam en andere personalia: daar zorgt het Centraal Bevolkingsregister in Den Haag voor. Dit complement van de gemeentelijke bevolkingsregisters bevat ruim 6700 namen van hen die nergens anders ondergebracht kunnen worden: behalve sommige woonwagenbewoners zijn het meestal schippers, maar ook zwervers, die van het ene logement naar het andere trekken.

Het analfabetisme tiert welig onder de woonwagenbewoners. Voor de kinderen geldt nu natuurlijk de leerplichtwet en ze gaan er zeker niet gebukt onder. In de vakantiemaanden werd de maatschappelijk werksters van het kamp wel tien keer per dag dezelfde vraag gesteld: “Juf, wanneer gaat de school weer beginnen?” Het intelligentiepeil is behoorlijk en ze zijn bijzonder leergierig. Het onderwijzend personeel komt soms wel eens voor moeilijke situaties te staan. De meester zal het nooit in zijn hoofd moeten halen een erg lastig kind een tik te geven; de consequenties kunnen nogal pijnlijk zijn, want zoiets wordt door de ouders niet getolereerd. Maar gaat de onderwijzer bij de ouders over het (lastige) kind klagen, dan wordt het eerste het beste harde voorwerp gepakt en het kind daarmee vakkundig afgerost. Hoewel dit zeker niet wil zeggen dat de woonwagenbewoners slecht voor hun kinderen zijn: ontzetting uit de ouderlijke macht is bij de woonwagenmensen een zeldzaamheid; kinderen worden eerder gruwelijk door hen verwend.


Er worden af en toe ook cursussen in lezen en schrijven voor volwassenen gegeven. De maatschappelijk werksters, die af en toe bij elkaar komen, waren bij de eerste cursus enthousiast, want de opkomst was verrassend groot. Maar plotseling bleven de cursisten weg: toen ze hun eigen naam konden schrijven. Dat de oudere jongens helemaal wegbleven, had een andere reden: ze buiten hun analfabetisme uit om te ontkomen aan de militaire dienst; op contact met de burgerjongens zijn ze weinig gesteld. Zij die wel lezen en schrijven kunnen, gelden als een autoriteit. Hun uitlatingen worden gretig geciteerd, met de toevoeging ‘hij zegt het zelf’. Bij de veelvuldige bioscoopbezoeken vervullen de kinderen dikwijls een belangrijke rol; ze worden dan op schoot gezet om de onderschriften voor te lezen.

Dit analfabetisme is een niet geringe oorzaak van hun minderwaardigheidscomplex tegenover de maatschappij. Er zijn er onder hen die niet klok kunnen kijken, er zijn er bij die absurde omwegen maken als ze een dringend noodzakelijke bus- of treinreis maken, maar met geld kunnen ze allemaal omgaan.

De woonwagenbewoners kennen, door hun isolement, een sterke onderlinge sociale controle en strenge morele regels. De familieband is hecht, dikwijls trekken zij met de hele familie tegelijk. Ouderen staan in hoog aanzien en zullen nooit aan hun lot worden overgelaten.

Trouwen doen ze in een heel eigen stijl. De huwelijken zijn altijd tegen de zin van ouders, want zij verliezen er een kostwinner bij. De traditie is dan ook dat op zekere dag de jongen en het meisje (meestal zestien of zeventien jaar) ervandoor gaan: ze kruipen in een hooiberg, betrekken een logement of slapen in de wagen van familie of kennissen. Na een paar dagen komen ze weer terug en zijn getrouwd: geslachtelijke gemeenschap betekent een ook door de ouders aanvaard huwelijk. Later wordt er voor de wet en voor de kerk getrouwd. Huwelijksontrouw komt zelden voor.


De wagens (favoriete kleuren rood en groen) zijn niet alleen van buiten, maar ook van binnen doorgaans zorgvuldig onderhouden: pluchen stoelen, radio, soms televisie en erg veel porselein, dat bij het trekken allemaal ingepakt wordt. ’s Zomers leven ze voornamelijk op de trap van hun wagen, of soms in een hok, dat ze erbij geïmproviseerd hebben met oude planken en stukken blik.

De emancipatie van de vrouw is weinig tot deze groep doorgedrongen. De vrouw moet hard werken, doet iedere dag de was, op een wasbord. Een gesprek wordt dikwijls afgebroken als ze denkt aan haar huishoudelijke plichten, want ‘de baas komt’ of ‘de mens komt’. Af en toe wordt er door de maatschappelijk werkster van een kamp een uitstapje voor de vrouwen georganiseerd, tot ergernis van de mannen, die zoiets maar lastige flauwekul vinden. Ze zijn dan onberispelijk gekleed en in niets onderscheiden ze zich dan van de ‘gewone vrouwen’, want de lange haren hebben al vaak het veld moeten ruimen voor een slechte permanent. Ook als ‘de baas’ zich buiten het kamp begeeft, doet hij alle moeite om er niet als een woonwagenbewoner uit te zien, maar als hij terugkomt wordt het zondagse pak onmiddellijk weer uitgetrokken. Werken in een fabriek, tussen vier muren, zullen ze alleen doen als er echt niets anders op zit; er zijn er zelfs die al geïrriteerd worden als er een paar bomen om het kamp geplaatst worden.

De reizigers kijken nogal neer op de ‘zwarten’, zoals zij de zigeuners noemen, al leggen ze elkaar (meestal) weinig in de weg. Op de kampen staan de wagens van de zigeuners altijd op een afstand van de rest: ‘het achterbuurtje’, zeggen de reizigers. Onder elkaar kennen de woonwagenbewoners geen standsverschillen. Er zijn schroothandelaren bij met een bedrijf, dat berust op een stevig financieel fundament, zoals dat van de familie Van Lierop in het kamp-Helmond, die op hun terrein (huur 10 per week) een pers ( 27.500) en een knipmachine ( 20.000) hebben staan.


De tijd eist nu eenmaal dat de woonwagenbewoners aan de maatschappij aangepast moeten worden. Maar dan zal de maatschappij zich ook bij hen moeten aanpassen, dat wil zeggen, begrip tonen voor kun karakter.

Pater Brand is ervan overtuigd dat de minachting die in het algemeen in de maatschappij voor de woonwagenbewoners bestaat, dikwijls op een groot misverstand berust: “De opinie van de gewone mens lijkt soms nergens naar. Deze mensen zijn niet onmaatschappelijk, maar anders-maatschappelijk. En ze zijn zeker ook niet achterlijk te noemen, misschien in veel opzichten wel achter. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat ze niet in een asociale buurt terechtkomen. Daar zijn deze mensen te goed voor.”

import armando special