De juiste muur

Marco Pastors (1965) werd door Pim Fortuyn geïnspireerd de politiek in te gaan. Hij was wethouder namens Leefbaar Rotterdam, en is nu raadslid. door Marjolein Kooyman, foto Arenda Oomen

In het land van Maas en Waal ligt het plaatsje Beneden-Leeuwen. Een klein, katholiek dorp midden in het polderlandschap, met genoeg ruimte om te ontdekken en te spelen. Iedere dag, het liefst de hele dag, was Marco Pastors dan ook buiten. De favoriete speelplek was een meertje binnen de polder, waar het water in was gelopen tijdens een kleine dijkdoorbraak. Met grote kaplaarzen waadden Pastors en zijn vriendjes door de ondiepe gedeeltes van de plas. Een opwindend spel, dat tot een eind kwam als de laarzen van een van de jongens waren volgelopen.

Later maakten hij met vriendjes hutten van strobalen in de hooibergen die bij een van de vele boerderijen in Beneden-Leeuwen hoorden. Stiekem, want eigenlijk mocht dat niet, maar dat maakte het natuurlijk extra spannend. Pastors: “Als we vanuit de verte iemand schreeuwend hoorden aankomen, maakten we dat we wegkwamen.”

Thuis was de rolverdeling traditioneel: vader werkte bij de Rabobank, moeder gaf naaicursussen voor de Margriet, maar was bovenal huismoeder. Echt goed contact had Marco Pastors niet met zijn vader en moeder. Dat was vooral te wijten aan de slechte relatie die zijn ouders met elkaar hadden. Voor Marco was dat lastig en hij voelde de druk om te bemiddelen. Aan zijn twee jaar jongere zusje Anne had hij steun en met haar bracht hij ook humor in de enigszins gespannen gezinssituatie.

Zijn ouders waren wel eensgezind over de opvoeding. Er lag nadruk op zelfontwikkeling en op het nemen van verantwoordelijkheid. Als je goed kunt leren, moet je kijken hoever je kunt komen, was het motto. Na de basisschool ging hij dan ook naar het gymnasium, hoewel dat twee keer zo ver fietsen was als het atheneum. “Dat wat je hebt, moet je gebruiken, vonden mijn ouders. Dat is nog steeds een belangrijke culturele waarde, waarmee Nederland zelf ook groot is geworden.”


Zes jaar lang fietste Pastors veertien kilometer heen en terug naar het gymnasium in Tiel. Met een klein groepje spraken ze af bij de laatste lantarenpaal van het dorp. “Even wachten op elkaar en dan de twee bruggen over.” Omdat het toch een heel stuk fietsen was, bleef hij na schoolfeesten en soms ook doordeweeks bij vriendjes slapen. Dat gaf hem als veertienjarige jongen een zelfstandig gevoel.

Pastors schooltijd begon midden jaren zeventig, ‘net na de babyboomgeneratie met de grote mond’. De geldende opvattingen op school waren nog altijd links. Zaken als kernenergie en kapitalisme, waar de goegemeente tegen was, vond hij best verdedigbaar. “Niet uit rebelsheid, maar ik vond dat er niet vanuit de inhoud werd gedacht; iedereen nam maar een politiek correct standpunt in.” Echt de discussie opzoeken deed hij toen nog niet. “Als je jong bent en erbij wilt horen, is dat lastig.” Pastors pakte het slimmer aan. Bijvoorbeeld door goed onderbouwde spreekbeurten te houden over de voordelen van kernenergie en van deelname van Nederland aan de NAVO. “Daar kwam overigens geen enkele vraag op; blijkbaar was het toch volkomen logisch wat ik vertelde. Toen had ik al wel het idee: met die logica van mij is niet zo veel mis.”

In de weekeinden werkte Pastors met veel plezier in een snackbar in Tiel. Het leverde een extra zakcentje op om plaatjes te kopen van Dire Straits en U2. Bij de snackbar zat een café, waar hij praatjes maakte met mensen en biertjes dronk.

Met een verbluffende eindlijst van het gymnasium vertrok Pastors naar Rotterdam om economie te studeren. Na de eerste week kwam hij thuis en deelde zijn ouders mee: “Eén: mijn fiets is gestolen in de portiek van mijn studentenflat en twee, ik ga zes (in plaats van de voorgeschreven vier – red.) jaar over deze studie doen.”


Studeren beviel hem prima; hij genoot van de vrijheid, anonimiteit en de vele kroegen van Rotterdam. Hij zag het als een soort verlengde puberteit, waarbij natuurlijk ook het lidmaatschap van SSR (Rotterdamse studentenvereniging – red.) en vele nachten doordrinken (negentig cent voor een pilsje) hoorden.

Hoogtepunt van zijn studie was een uitwisseling naar de Michigan State University in de VS, samen met 24 andere studenten uit Rotterdam. In groepjes van vier kochten ze auto’s waarmee ze in colonne naar de omliggende bedrijven reden voor excursies. Pastors vond het een verademing om door de schone straten te lopen en te zien dat mensen wel zonder voordringen in de rij konden staan. “Waarom is het bij ons zo dat degene die zich aan de regels houdt zich de sukkel voelt, en degene die ze overtreedt ‘vrijgevochten’ is – wat krijgen we nou?” Hij kon zich goed vinden in de mentaliteit van de The American Dream. “In Amerika kijken mensen naar de mogelijkheden die ze hebben. Hier zijn we vooral cynisch en arrogant: Nederlanders denken dat het er hier veel beter aan toegaat, met onze betuttelende verzorgingsstaat.”

Echt enthousiast werd Pastors niet van zijn studie. De colleges sloeg hij meestal over omdat die te massaal waren; bovendien waren er maar weinig echt goede professoren. Op zijn eerste werkplek, bij de ov-studentenkaart, kwam hij erachter wat hij op de universiteit had gemist. Pim Fortuyn had hem aangenomen en kwam zelf ook net van de universiteit af als hoogleraar. Samen hadden ze gesprekken over de kant die het bedrijf op moest, maar ook over de maatschappij. “Er ging in één keer een hele wereld voor me open en er sprong een soort vonk over, iets wat mijn docenten economie nooit was gelukt. Van iedereen die daar werkte, was ik wel degene die het meest met Pim had.”


Na het werk nam Fortuyn zijn personeel vaak mee uit eten. De discussies gingen dan gewoon door. Tijdens een van deze gesprekken voelde Pastors de roeping om de politiek in te gaan. Goede en verstandige dingen doen in een overheidsomgeving leek zo veel belangrijker dan geld verdienen in het bedrijfsleven. “Als alle slimme mensen voor het bedrijfsleven kiezen, wordt het nooit wat met die overheidsvraagstukken, dus ben ik me daar maar op gaan richten. Succes is als een ladder opklimmen, maar je moet ook een goede muur uitkiezen waar je die ladder tegenaan zet. Met de politiek en Pim dacht ik: dit is mijn muur.”

import jonge jaren