De mooiste stad

Leve de sloopkogel, leve de bouwput, Rotterdam is bijna klaar. Is de stad dan eindelijk van het Calimero-complex af? door Judith Spiegel, Marius van Heesewijk, Philip Bronzwaer & Liza Titawano,

Heien, boren, graven, hijsen, slijpen, slopen. Damwanden, afwatering, zand, klei. Grommende machines. Slurpende buizen. Spugende pijpen. De marketingafdeling van de gemeente heeft op elk bouwhek levensgroot de tekst geplakt: “Hoor, hier bonkt het nieuwe hart van Rotterdam.” Dat hoor je niet alleen, dat zie je ook, en ruik je. Want we hebben het hier over een openhartoperatie. Alleen is er geen bloed maar stof. Geen chirurgen, maar bouwvakkers. Geen drainageslangetjes maar drainagebuizen van een meter doorsnee.

Bouwputten leveren in elke stad gegarandeerd gekanker op. In Rotterdam ook. Zeker als de bouwput een blunderput blijkt. Maar de Rotterdammer is stiekem ook apetrots op het eeuwige gehamer en geklop in zijn stad. Want de bouwput is van de nood een deugd maken; symbool van beweging, dynamiek, vernieuwing, verbetering. Van noeste arbeid.

Het is dan ook dringen voor de inschrijftafel van de eerste bouwputtenfietstocht van het seizoen, deze zaterdagochtend. De Rotterdammer komt er zijn bed graag voor uit, voor bouwputten en sloopprojecten. Hij wil weleens weten hoe het ermee staat. Met het oude postgebouw naast het Centraal Station, de markthal aan de Binnenrotte, de Maastoren of de blunderput.

De stad verandert snel. Waar na het bombardement jarenlang grauwbouw werd neergekwakt, beleeft Rotterdam nu zijn tweede wederopbouw. Meer en meer grijze blokken worden gesloopt. Er komen gewaagde projecten voor in de plaats; gebouwen die hun kop in de wind durven te gooien. Maar die staan er niet zomaar. Wie de hoogte in wil, moet laag beginnen. Wie mooi nieuw wil, moet lelijk oud slopen. De stad is daarom al jarenlang een bouwput, en zal dat nog jarenlang blijven.


Waarom al dat gebouw en gesloop? Omdat Rotterdam een leeg centrum heeft. Anders dan in de meeste grote steden wil niemand er wonen. En al helemaal geen hoogopgeleide en creatieve werkers. Daar moet verandering in komen. Want Rotterdam wil ze wel hebben, die economisch interessante groep. In de Stadsvisie Rotterdam, een vuistdik document over de ontwikkelingsstrategie van de stad tot 2030, is de lat hoog gelegd: er moeten 56.000 woningen bij komen in de binnenstad. Bouwen dus, en slopen.

Met knikkende knieën daalt de fietsgroep van de open trap af, de blunderput in. Het is diep en eng. De verplichte kaplaarzen en over de ogen zakkende bouwhelmen zijn een extra hindernis. Eenmaal beneden is het een zee van onderwaterbeton. Waar een parkeergarage onder het Museumpark moet komen, is nu een enorme put. Overal buizen, pulserende pompen en wapeningsstaal. Het grondwater moet bedwongen worden; dat wil altijd omhoog. En dat mag niet meer, want binnenkort moeten de auto’s hier omlaag. De monumentale Remonstrantse Kerk ertegenover heeft nu last van paalrot, doordat het grondwater wat al te rigoureus werd weggepompt, maar daarom heet het niet de blunderput. Door slecht management was het geld halverwege opeens op. Rotterdammers maalden er nauwelijks om, de bedrijvigheid in tientallen andere bouwputten ging gewoon door.

De dynamiek van het bouwen trekt niet alleen Rotterdammers, maar ook toeristen. Voorbij zijn de dagen dat Rotterdam in de Lonely Planet-gids vermeld stond onder het kopje ‘Places to avoid ‘. Tegenwoordig staat de stad in de top tien van dingen die je van de reisgids in Nederland moet doen, want ‘architecture, architecture and more architecture ‘. Een T-shirt met I bouwputten is er nog net niet. Bouwputtenparfum wel, althans bouwputtenlucht in een buisflesje. Op de markt gebracht door Parfum de Boem Boem, dat ook de fietstochten organiseert.


De fietsgroep is aangekomen bij de stenenwoestijn aan de Binnenrotte. Naast de zaterdagmarkt, daar waar niet lang geleden nog de Jan Prinsschool stond. Nu komt er een markthal; een ultramoderne, maar wel in de vorm van een ouderwetse overdekte markt – zoiets als de Mercat de la Boqueria in Barcelona. In Rotterdam krijgt de hal een vloeroppervlak ter grootte van een voetbalveld. En 250 appartementen die als het ware het boogvormige dak vormen. Voorlopig doet het vooral aan Gaza denken. De graafmachines die de brokstukken van de school moeten afvoeren, staan nu uit te rusten van een slopende werkweek.

Niet alleen het centrum wordt onderhanden genomen, ook Zuid krijgt een facelift. Neem Katendrecht, het rauwe zeemannenschiereiland tussen de Rijn- en de Maashaven. Jarenlang een no-go-area. Panden werden dichtgetimmerd. Horeca en andere bedrijvigheid kwijnden er weg. Het enige dat er welig tierde, was criminaliteit. De voormalige burgemeester Ivo Opstelten stelde er in 2008 nog een avondklok in. Nu verrijzen luxe appartementen aan de kades. De kopers waren er als de kippen bij. Er valt dan ook veel te zeggen voor een huis aan de Maashaven; wakker worden en zwaaien naar de binnenvaartschippers die meel komen laden bij Meneba – dat is gewoon mooi.

Mooi wordt ook de Maastoren. De bewoners van het Noordereiland zien het gebouw elke dag een stukje klimmen. Onderaan zijn de panelen die de gevel van het gebouw bedekken bijna zwart, naar boven toe worden ze lichter. Tot de 165 meter bereikt is, en de bovenste verdiepingen bijna wit zijn. Alsof ze aan de wolken krabben. Wonen kan hier merkwaardig genoeg – gezien de plannen in de Stadsvisie – straks niemand. Werken wel.


Het blijft niet bij fietstochten. De bouwput wordt jaarlijks geëerd met een bouwputtenfestival en de verkiezing ‘bouwput van het jaar’. En wat levert het nou allemaal op, dat getimmer aan de weg? Dat weet je als je via de Maasboulevard Rotterdam binnen rijdt. Want daar, net na het Shell-station, ontvouwt zich een panorama en een skyline waar je u tegen zegt. Die van de mooiste stad van Nederland.

Is Rotterdam nu over zijn calimero-complex heen?

Hans Blankert, voorzitter van de Economic Development Board Rotterdam: “Als ik mensen ontvang, laat ik altijd de foto van de verwoeste stad uit 1946 zien. De afbeelding toont totale kaalslag. We moeten ons goed realiseren dat we daar vandaan komen. Als je nu naar buiten kijkt, is er genoeg om trots op te zijn.

“Ik heb geen last van een minderwaar- digheidscomplex en vind het onzin om tijd aan de tegenstelling tussen Amster-dam en Rotterdam te besteden. Het is natuurlijk leuk om het in dat sfeertje te trekken, maar de media creëren ook af en toe een stemming waarvan ik zeg: nou jongens, kom op. Als Feyenoorder heb ik het nog wel over 020, en we moeten ook met elkaar constateren dat de eerste Europa- en Wereldcup door Feyenoord zijn gewonnen.

“De grote Rotterdamse evenementen zijn er niet op gericht ons af te zetten tegen Amsterdam. Het Zomercarnaval bijvoorbeeld is ontstaan bij Antillianen thuis, dus heel kleinschalig. De marathon is een mooi affiche voor de stad. In Amsterdam hebben ze er ook een, maar die van ons is sneller, en dat moet ook zo blijven.

“Rotterdam is een stad van deze tijd en er zijn ontzettend veel positieve ontwikkelingen gaande. We weten Rotterdam alleen niet zo best te verkopen. De haven is overal wel bekend. Het Erasmus Medisch Centrum is het grootste academische ziekenhuis van Nederland en ook internationaal gezien een fantastisch instituut; dat verkopen we te weinig.


“Wij hebben de naam doeners te zijn en geen praters. We houden die naam nog steeds hoog, terwijl ik denk dat het in vergelijking met de Wederopbouwperiode wel meevalt. Als de zon een beetje doorkomt, zitten de terrassen hier vol; dat was in de jaren vijftig wel anders.”

Zien ze dat in Amsterdam ook zo? Geerte Udo, manager citymarketing van de stichting Amsterdam Partners: “Ik vraag me af of er in Rotterdam nog een sterk minderwaardig gevoel leeft. Wel merkte ik dat Rotterdam bij het binnenhalen van de Volvo Ocean Race in 2006 overduidelijk een lange neus richting Amsterdam trok, omdat ze ons eindelijk de loef afstaken. Maar de vele evenementen die Rotterdam organiseert, komen denk ik niet voort uit een minderwaardigheidscomplex. De manifestaties zetten Rotterdam op de kaart en zijn juist goed voor de stad.

“Amsterdam positioneert zich in haar citymarketingbeleid niet ten opzichte van Rotterdam, we zijn puur internationaal georiënteerd. We pakken bij marketingactiviteiten ook een stukje nationale markt mee, maar dat is niet de uitgangspositie. Rotterdam zal altijd het kleine broertje van Amsterdam blijven; de stad wint het toch niet op aantrekkingskracht. Elke tweede stad in een land heeft hiermee te maken; Milaan is geen Rome en Lyon geen Parijs. Ik kan me wel voorstellen dat Rotterdammers het niet leuk vinden om in het buitenland elke keer als het over hun stad gaat de vraag te krijgen: ‘Is that close to Amsterdam?’

“Ik denk wel dat er een bepaalde arrogantie in Amsterdam heerst, maar iedereen wil nou eenmaal naar Amsterdam komen. Wij kunnen meer op onze lauweren rusten. Rotterdam heeft weer andere voordelen. Het is voor de stad bijvoorbeeld goedkoper om broedplaatsen van creativiteit in te richten. Bovendien heeft Rotterdam een lef en een ondernemingsgeest waar Amsterdam nooit aan kan tippen. Deze bewijsdrang komt denk ik voort uit een minderwaardigheidsgevoel. Ja, dan heerst dus in Rotterdam toch een minderwaardigheidscomplex.”


Volgens de Rotterdammer is er geen minderwaardigheidscomplex, volgens de Amsterdammer wel. Wat zegt een objectieve wetenschapper? Godfried Engbersen, hoogleraar algemene sociologie aan de Erasmus Universiteit: “Het beeld dat Rotterdam zich lager inschaalt dan andere grote steden is er altijd al geweest. In de roman Karakter (1938) van Bordewijk wordt over Rotterdam gesproken als ‘het stiefkind onder onze grote steden’. Stiefkind is hier eigenlijk een ander woord voor minderwaardigheidscomplex.

“Het calimero-effect speelt een rol bij de organisatie van grote manifestaties, maar het is niet alleen vanuit een inferioriteitscomplex te verklaren. Er is geen structurele museale stad. Daarom creëert men een vluchtige stad met veel evenementen. Er wordt dus ook goed gebruikgemaakt van de voordelen die de stad te bieden heeft. In Amsterdam kun je moeilijk vliegtuigjes over de grachten sturen. Rotterdam kan zich weer moeilijk profileren als een zeventiende-eeuwse stad. Dus maak je een stad van de 21ste eeuw met torenflats, legio evenementen en veel moderne architectuur, kunst en cultuur.

“Er zijn ook sectoren in Rotterdam waar een superioriteitscomplex zichtbaar is. Architect Rem Koolhaas kijkt helemaal niet naar Amsterdam, maar naar de wereld. Hetzelfde is zichtbaar in de haven en bij het Erasmus Medisch Centrum. Voor deze segmenten is de vergelijking met Amsterdam irrelevant geworden.

“Het negatieve zelfbeeld is in het verleden bewust gebruikt als lobby-instrument om geld in Den Haag los te krijgen. Voormalig burgemeester Opstelten was wereldkampioen in het benadrukken dat Rotterdam de lijstjes met de hoogste criminaliteit, werkloosheid en armoede aanvoerde. Typisch Rotterdams om het negatieve zelfbeeld strategisch uit te buiten. Het perverse effect van deze strategie was dat het beeld van Rotterdam daadwerkelijk negatiever werd. Hierop begon de stad juist de positieve punten van Rotterdam te benadrukken, maar dat was toen niet meer erg geloofwaardig.


“Helemaal verdwenen is het minderwaardigheidscomplex nog niet. Als je nu in Rotterdam straatinterviews houdt over de stad, zul je vaak te horen krijgen ‘maar wij zijn ook echt wel leuk’. Het is een ingebouwd defensiemechanisme dat veel mensen in de stad hebben. Er heerst een gevoel van onrechtvaardigheid over het feit dat de leuke dingen en evenementen van de stad niet altijd gezien worden.”

Prof. dr. Henk van der Molen, hoogleraar psychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam: “Mensen met een minderwaardigheidscomplex voelen zich minder dan anderen. Ze zijn timide, verlegen en hebben zwakke sociale vaardigheden omdat ze zich onzeker voelen. Als je kijkt naar de gemiddelde Rotterdammer, met zijn niet-lullen-maar-poetsen-mentaliteit, dan heeft die daar allemaal zeker geen last van.

“Als volk zijn de Rotterdammers juist heel open en direct. Ze hebben altijd hun woordje klaar. En de stad zit vol ondernemers, mensen die initiatief tonen en risico’s durven te nemen. Die hebben zeker niet het gevoel dat ze minder zijn dan anderen.

“De bouwdrift en de culturele aanspraken van Rotterdam komen voort uit gezonde ambitie. Dat is niet te vergelijken met bijvoorbeeld de overcompensatie van mannen als Napoleon Bonaparte of Adolf Hitler; zij voelden zich inferieur en wilden zich bewijzen door heel Europa te veroveren. Rotterdam wil zich in het buitenland profileren als cultuurstad om toeristen te lokken en geld te verdienen.”

Montevideo: “Wat verhoudingen betreft, is deze redelijk gelukt. De hoogte is zeer goed.”

Euromast: “Een heel mooi ding, met name door die mast erop. Als klein jongetje was ik er ontzettend van onder de indruk. Hij is niet heel elegant omdat hij recht is; sommige mensen noemen hem ook wel een wc-rol met een restaurant erop.”


Erasmusbrug: “Natuurlijk een prachtig element, het handelsmerk van de stad.”

KPN: “Als dit een architectonisch gebaar is, vind ik het niet erg fantasierijk. Waarom is dat nodig: een scheef gebouw met een steunpilaar ertegenaan. Als iets extravagant moet zijn, moet daar ook een reden voor zijn. Alleen die ‘lichtkrant’ op de gevel vind ik wel leuk.”

Boompjes: “Qua vorm vind ik ze wel interessant, maar de afwerking vind ik niks. Die naden vooral – het doet denken aan socialistische woningbouw.”

World Port Center: “Als je het werk van de architect kent, dan stelt dit niets voor. Norman Foster ontwierp bijvoorbeeld die glazen augurk in Londen. Het World Port Center is vergeleken met dat gebouw een suf dikkerdje zonder enige kwaliteit.”

Red Apple: “Een op zichzelf staand interessant gebouw. Door de rode lijnen heeft het een soort bamboe-effect. Naar boven toe lopen die lijnen smal uit waardoor de toren een rank, transparant geheel wordt. Hij lijkt daardoor langer dan hij is.”

Maastoren: “Ik heb een beetje moeite met de opbouw. Eerst heb je de begane grond met daarboven een heleboel etages om te parkeren en daarna komen pas de kantoren. Dat vind ik een dooddoener voor de stad.”

Coopvaert: “Die bestaat net als de Boompjes uit relatief lichte beton-elementen. Daar zie je heel snel de naden van; het is alsof het erop is geplakt. Daar houd ik niet van. Het geeft een koude, kille sfeer; als van socialistische bouw.”

Willemswerf: “Dat is toch die witte ijskast die voor de Red Apple staat? Daar hadden wij in 1980 een ander ontwerp voor dat veel mooier was. Het heeft wel wat aan de voorkant, maar de achterkant met die parkeergarage die half in het water staat, dat vind ik niets. En die afwerking, de zichtbare naden zijn niet mooi.”


Willemsbrug: “Die ligt aan beide kanten als met zijn staart tussen zijn benen op de dijk. Oorspronkelijk was deze brug bedoeld om als weg over de Oude Haven en de Koningshaven te gaan. Dat plan veranderde in de jaren zeventig en door een merkwaardige politieke beslissing is die brug, die eigenlijk veel te lang is, over het huidige stuk water gedrapeerd. Dat geeft een grappig effect. Vanuit Zuid is het net alsof je een operettedecor in rijdt en dan op het laatste moment naar links moet.”

Millenniumtoren: “Vreselijk! Het lelijkste gebouw van Rotterdam. Ik begrijp niet dat een stad als Rotterdam, die architectuurstad van Nederland claimt te zijn, op zulke cruciale plaatsen zulke lelijke gebouwen neerzet. Onbegrijpelijk. Het is een doorsnee-miniwolkenkrabber uit een provinciestad in Amerika. Hij heeft heel slechte proporties; de verhouding hoogte-breedte is ontzettend lomp. En dat spiegelglas afgewisseld met natuursteen is enorm kitsch. Het past hier niet.”

Delftse Poort: “Qua volume elegant. Het glas zelf is wat afstotend, dat had wat transparanter gemogen. Maar de vorm vind ik erg mooi. En die lichtjes ’s nachts op de gevel hebben wel iets vriendelijks.”

Kubuswoningen: “Wat een armoedig gezicht. Het was eigenlijk bedoeld als voetgangersbrug over de Blaak, maar het is uitgegroeid tot een soort gezwel. Het sluit de stad af in plaats van dat het actie genereert.”

import reportage