De PvdA komt tot inkeer

Onderwijs, ontwikkelingshulp, sociale zekerheid, Vogelaarwijken: één voor één brengt de PvdA haar heilige koeien naar de slachtbank. door Bart de Koning

Glasnost en perestrojka in de Nederlandse ontwikkelingshulp. Minister Bert Koenders kondigde vorige week aan de subsidies voor het bevorderen van ‘draagvlak’ voor de hulp te halveren, van zestig miljoen naar dertig miljoen euro. Critici ergeren zich al jaren aan de talloze projecten die Nederlanders warm moeten maken voor de hulp aan de derde wereld. Het nut ervan is altijd twijfelachtig geweest. Het budget voor de hulp is tenslotte al in beton gegoten – een vast percentage van ons bruto nationaal product is gereserveerd voor ontwikkelingslanden. Bovendien dragen de meeste Nederlanders de steun aan de derde wereld uit zichzelf al een warm hart toe, dus waarom moet er nog eens extra geld aan promotie worden besteed? Hoe terecht die kritiek ook was, hij gleed jarenlang af langs het ontwikkelingswereldje. ‘Draagvlakbevordering’ was heilig.

Het is niet het eerste taboe dat Koenders heeft geslecht. Al eerder besloot hij te snoeien in de wildgroei aan projecten en organisaties die nu langs elkaar heen werken in de derde wereld. De hulp moet efficiënter worden gestroomlijnd. Ook dat is een forse steen in de vijver van het Nederlandse hulpwereldje, omdat die kritiek van Koenders impliceert dat er nu dus overbodig werk wordt gedaan – en dat het, logisch doorgeredeneerd, misschien beter is als er organisaties fuseren of verdwijnen. Au!

En zo gaan er dezer dagen meer heilige koeien van sociaal-democratische huize naar de slachtbank. De Amsterdamse PvdA erkent nu eindelijk dat het stelsel van veertien stadsdelen inefficiënt is en dat het aantal gehalveerd moet worden. Daarmee zijn jaren van eindeloos herhaalde mantra’s over de ‘schaalvoordelen’ van veertien stadsdeelkantoren stilletjes begraven. In Rotterdam woedt nu een vergelijkbare discussie over het nut van de deelgemeentes. De nadelige gevolgen van de onderwijsvernieuwingen – ook zo’n roemruchte ideologische erfenis van de PvdA – waren al eerder vastgesteld door de commissie-Dijsselbloem. Op dat terrein is overigens nog steeds sprake van langzaam voortschrijdend inzicht. ‘PvdA, nooit te oud om te leren, ziet nu ook dat het vmbo op de schop moet’, kopte de Volkskrant eind vorig jaar pesterig boven een stuk over de zoveelste sociaal-democratische onderwijsnota.


Het slechten van een taboe verloopt bij de PvdA volgens een vast patroon, dat te zien is op zulke uiteeenlopende terreinen als de WAO, immigratie, onderwijs, ontwikkelingshulp, deelgemeentes en economie. Het lijkt verbazingwekkend veel op de stadia die mensen in rouw doorlopen, volgens het vijf-fasenmodel van de Zwitserse psychiater Elisabeth Kübler-Ross: ontkenning, woede, onderhandelen & vechten, depressie en ten slotte aanvaarding.

In de eerste fase ontkent de PvdA vierkant dat er een probleem is. Een miljoen arbeidsongeschikten, werkloosheid onder immigranten, dalende kwaliteit van het onderwijs, bijstandsfraude, verspilling van ontwikkelingsgeld? Nee hoor, niets aan de hand. Als de kritiek blijft aanhouden en de feiten steeds moeilijker weerlegbaar worden, komt de woede. Wim Kok kon in de jaren zeventig en tachtig prachtig boos worden op de kapitalisten van Shell en schuwde in interviews zelfs krachttermen niet om het saneren van de verzorgingsstaat te veroordelen. Niet-PvdA’ers die zich zorgen maakten over de onderwijshervormingen, integratieproblemen in de oude wijken, geldverspilling bij stadsdelen of over de effectiviteit van ontwikkelingshulp, kregen het verwijt van ‘borreltafelpraat’ en ‘onderbuikgevoelens’ naar hun hoofd geslingerd, twee termen die vaak opduiken in het PvdA-discours. Ze zijn zo geliefd omdat de spreker zichzelf daarmee op een moreel hoger peil plaatst dan de opponent en omdat ze de spreker ontslaan van de plicht om inhoudelijk te reageren op de kritiek. Op ‘borreltafelpraat’ en ‘onderbuikgevoelens’ hoef je immers niet in te gaan. Totdat het onvermijdelijke moment komt dat de borreltafelpraat salonfähig wordt, bijvoorbeeld omdat het inzicht daagt dat het onbetaalbaar is om één op de vijftien Nederlanders arbeidsongeschikt thuis te laten zitten. Of omdat het onweerlegbaar vast komt te staan dat de kwaliteit van het onderwijs wel degelijk daalt. Paul Scheffer maakte, praktisch in zijn eentje, de immigratie ‘bespreekbaar’ binnen de PvdA.


Natuurlijk kun je een vergelijking met de rouwfases niet te ver doorvoeren – het is maar beeldspraak. Toch is het aardig om er een paar voorbeelden uit te lichten. Zo heeft Wim Kok de gehele cyclus tot en met acceptatie van het kapitalisme doorlopen. Als voorzitter van de FNV leidde hij in 1977 een keiharde estafettestaking die het hele bedrijfsleven trof. Kok was zo boos dat hij zelfs weigerde om met de voorman van de werkgevers in één studio te zitten. Een van de eisen van de FNV was het instellen van ‘investeringscommissies’. De vakbond vond het zonde dat bedrijven machines die het nog prima deden vervingen door nieuwe apparaten, die minder personeel nodig hadden. Arbeiders die wegbezuinigd dreigden te worden, moesten het recht krijgen om in commissies mee te beslissen over het nut van die investeringen: de stoker op de stoomtrein moest gaan meepraten over het elektrificeren van het spoor. Gelukkig is dit idee van Koks FNV een zachte dood gestorven. Met Kok zelf is het later, zoals bekend, helemaal goed gekomen. Een paar jaar geleden adviseerde hij zelfs de Europese Commissie om de arbeidsproductiviteit te verhogen door innovatie – een acceptatie van beleid waar hij in 1977 nog woedend tegen staakte.

Op onderwijsgebied zit de PvdA nog volop in de fase van onderhandelen en vechten – andere rouwhulpverleners noemen dit overigens de fase van het ‘marchanderen’. PvdA’ers erkennen weliswaar dat grootschalige, van boven opgelegde onderwijsvernieuwingen niet goed hebben gewerkt, maar willen daar eigenlijk toch mee doorgaan. Zo kondigde Jan van Zijl van de MBO Raad vorige week aan dat een deel van het vmbo nu ‘funderend onderwijs’ gaat heten. “Het is niet de bedoeling met de nieuwe naamgeving een stelseldiscussie uit te lokken,” aldus Van Zijl, maar: “De nieuwe benaming maakt onderdeel uit van het streven het mbo beter te positioneren.” De onderliggende problemen verdwijnen daar natuurlijk niet mee. Vorige week bleek uit internationaal onderzoek dat in Nederland een derde van de Turkse leerlingen de school zonder diploma verlaat, terwijl dat in landen als Zweden, Zwitserland en België nog geen tien procent is. Dat zijn beschamende cijfers voor de Nederlandse sociaal-democraten die al decennia aan het onderwijs sleutelen.


Het treurige is natuurlijk dat het altijd de zwakkeren zijn die het meest lijden onder de stokpaardjes van de PvdA. Iedere euro die verspild wordt aan ‘draagvlak’ of aan ontwikkelingsorganisaties die langs elkaar heen werken, komt niet bij de armen in de derde wereld terecht. Echte arbeidsongeschikten hebben de WAO uitgekleed zien worden omdat er zo veel oneigenlijk gebruik van werd gemaakt. Kinderen van hoogopgeleide ouders redden zich meestal wel in het studiehuis – het zijn de kinderen van laagopgeleide allochtonen die zonder diploma van school gaan. De honderden miljoenen die Rotterdam en Amsterdam hebben verspild aan hun deelgemeentes, konden niet worden besteed aan onderwijs of achterstandswijken. Op dat laatste terrein lijkt de PvdA nog in de ontkenningsfase te zitten. Vorige week verscheen een kritisch rapport over de effectiviteit van de Vogelaar-aanpak. Minister Eberhard van der Laan dook direct in de verdediging en noemde de conclusies ‘niet steekhoudend’. Er blijkt, ook onder experts, nogal wat verwarring te zijn over wat er nu wel en niet werkt bij de wijkaanpak. De PvdA-fractie wil daar snel een eind aan maken. “Het wordt echt tijd voor een debat tussen wetenschappers,” zo zei Tweede Kamerlid Staf Depla. Debatten tussen realo’s en fundi’s kunnen bij de Pvda decennia duren. Het is voor de bewoners in de achterstandswijken te hopen dat de realo’s dit debat voor de verandering eens direct beslechten.

import focus