De Tovenaar van Tatabánya

Jarenlang was de spits József Kiprich de lieveling van het Feyenoord-publiek. Nu is hij terug in Hongarije, waar hij coach is van een hotseknots-begoniaclub. Zijn kwakkelende oude club wenst hij veel ‘soekses’. ‘Moet groeien, hè.’ tekst en foto’s Judith Spiegel en Christjan Knijff

József staat nog onder de douche. Het is vrijdag half twaalf. We wachten voor huize Kiprich in Tatabánya, Hongarije. Met boerenkool en worst om de familie Kiprich te paaien, want we willen weten hoe het gaat met de Tovenaar van Tatabanya.

József woont niet in een sterrenpaleis. Een gewoon wit, wat afgebladderd, ternauwernood vrijstaand huis. In een straat van een buurt die met een flinke portie goodwill het Hillegersberg van Tatabánya genoemd kan worden. Zakken vuil liggen voor de deur. Een plastic buis op het tuinpad. Waarom zou je die weghalen als je er ook overheen kunt stappen? Dat doet József dan ook als hij naar buiten komt.

Op boerenkool met worst zit hij om de een of andere reden niet te wachten, maar hij wil ons best Tatabánya laten zien. Maar alles op zijn tijd. “Zoelen wij eerst koffie drinken?”

Gelukkig, er is niets veranderd. József is nog steeds geen sprinter. Stond in zijn gloriejaren bij Feyenoord al minutenlang met zijn handen in de zij, de boel aan te kijken vanaf de middellijn. Pas in het strafschopgebied van de tegenstander vond hij het de moeite waard om een tandje bij te schakelen. Het legioen vergaf het hem. Sterker nog, het was onvoorwaardelijke liefde.

Van alle culthelden die Feyenoord begin jaren negentig op het veld had staan, was hij de grootste. John de Wolf was stoer, Ed de Goey goed en Mike Obiku exotisch. József was vooral gewoon. Hij stond in het telefoonboek en woonde in een eengezinswoning in Sterrenburg, een rustige jaren-zeventigwijk in Dordrecht. Net zoals de doorsnee-supporter. Die hem zag als een buurman die er af en toe uit het niets een bal in trapte.


Heel veel doelpunten maakte József niet. Maar als hij ze maakte, waren ze vaak belangrijk. Neem nou de wedstrijd thuis tegen PSV, in het seizoen ’94-’95. In de vijftigste minuut kreeg Feyenoord een strafschop. József stond net in het veld, zonder warming-up, en had nog geen bal aangeraakt. Geen enkele twijfel wie ‘m zou nemen. Hij slofte naar de stip. Wachtte net zo lang tot keeper Stanley Menzo een hoek koos. En schoot ‘m niet overdreven hard in de andere: 2-2. Twintig minuten later scoorde hij het winnende doelpunt. Het publiek was uitzinnig en scandeerde de rest van de wedstrijd ‘Jóóóózsef, Jóóóózsef’. De Tovenaar van Tatabánya maakte zijn bijnaam weer waar.

József Kiprich (45) is alweer tien jaar terug in Tatabánya, ooit de rijkste stad van Hongarije. Ooit. Toen het nog een mijnwerkersstad was. In die mijnen verdienden opa en papa Kiprich hun geld. József zag dat niet zo zitten, hard werken. Hij is geen negen-tot-vijf-man. Hoewel hij met zijn handen als kolenschoppen en gebogen lichaamshouding zo de mijnen in had gekund, koos hij voor een bovengronds bestaan als voetballer. Nou ja, kiezen: via de Hongaarse schoolcompetitie belandde hij min of meer toevallig op zijn twaalfde bij FC Tatabánya, dat toen nog Tatabánya Bányász heette. Op zijn zeventiende debuteerde hij in het eerste en speelde er negen jaar.

Op weg naar de koffie stoppen we even bij het stadion van FC Tatabánya. Hij vindt het niet veel soeps, hoe het er bij ligt. Wij vinden het eigenlijk wel meevallen. Keurig hek, goed veld, ijverige groundsman, nette sintelbaan eromheen. Toegegeven, gezien het aantal reclameborden rond het veld, lijkt het aantal sponsors afgenomen tot één. Het is een beetje uit tussen József en FC Tatabánya. “Dit was ooit een rijke cloeb. Nu komen maar paar honderd mensen.” Hij haalt zijn schouders op. We stappen weer in de auto en scheuren naar het enige levendige café van Tatabánya.


Tijdens de koffie wordt ons duidelijk waarom József het niet zag zitten dat wij boerenkool met worst voor zijn familie zouden komen maken. Zijn vrouw Tunde en hij zijn sinds vijf jaar uit elkaar. Ze wonen wel nog steeds in hetzelfde huis. Een lta-relatie, living together apart. “Tunde beneden, iek boven. Niet echt samen.” Of het nog goed komt? “Pff,” puft József op zijn Józsefs. Maar laconiek is hij er zeker niet onder. Hij neemt wat trekjes van zijn sigaret en laat een ongemakkelijke stilte vallen. Dan, een beetje mismoedig: “We komen niet meer samen.” Het huilen staat hem nader dan het lachen.

Terug naar zijn favoriete onderwerp: voetbal. Zijn ogen gaan weer twinkelen. Zeker als het over Gyirmót SE gaat, de club uit een dorp zestig kilometer van Tatabánya waarvan hij nu coach is. Ze staan tweede in de eerste divisie van de Hongaarse voetbalcompetitie. Maar veel vertrouwen in promotie naar de eredivisie heeft József niet. Koploper Pécs moet promoveren, dat staat al vast. “Iedereen wil dat Pecs promoviert, want die komen uit grote stad. Honderd procent is niet genoeg. Wij moeten honderdtien procent. Corroeptie, echt ongelofelijk. Vorige week twee strafschoppen tegen, echt onterecht. Ik word nooit boos op scheidsrechters, maar nu wel.” József beweegt zijn hand voor zijn gezicht heen en weer om aan te geven dat hij een waas voor zijn ogen kreeg.

Maar hij geeft toe, helemaal de eerste keer was het niet. Toen tegen Zaragoza in 1995 werd het onrecht hem ook te machtig. Feyenoord had thuis met 1-0 gewonnen, maar stond uit met 2-0 achter. Eén doelpunt was genoeg om door te gaan naar de volgende ronde. József werd onderuitgehaald in het strafschopgebied. Een penalty dus. Vond József. De scheidsrechter dacht er anders over. “Echt ongelofelijk.” József slingerde zijn uitgeschoten schoen naar hem. En kreeg een rode kaart.


Na een lastig te volgen pleidooi over ‘koenstgras’ is het tijd voor de volgende etappe in de Tour de Tatabánya. In de geel-blauwe spelersauto van Gyirmót SE – waar overigens alleen de coach recht op heeft – scheuren we weer met een rotgang door de stad. Een bijna dode inwoner later staan we bij de enige toeristische attractie die Tatabánya rijk is: een reuzenadelaar op een heuvel. József doet een poging om uit te leggen waarvoor het monument staat. “Heel lang geleden was er oorlog. Mensen vluchtten naar de heuvel. Toen wonnen ze en kwam de adelaar er.” Oké, dat is dan duidelijk.

Heel concreet is József nooit geweest. Een ideale politicus dus. Ook politieke partijen hadden dit door. Twee jaar geleden werd hij voor de lokale verkiezingen in Tatabánya gevraagd als lijstduwer voor de rechts georiënteerde partij Fidesz. Nee zeggen komt in het woordenboek van József niet voor. Dus zei hij ja. Het was trouwens niet de eerste keer dat József zich met lokale politiek bemoeide. In Rotterdam was hij in 1998 ook al lijstduwer voor Tocado. Een partij die zich inspande voor het legaliseren van bungeejumpen vanaf de Erasmusbrug en, vooral, het fiscaal aftrekbaar maken van de seizoenskaart van Feyenoord. Fidesz werd tweede, en van Tocado hebben we nooit meer iets gehoord. József maakt zich er allemaal niet druk om.

Hij kijkt op zijn horloge. Tijd om te gaan, de training begint over drie uur. Mogelijk nog harder rijden we de heuvel weer af. Op rechts iets dat op een villawijk lijkt. József snapt onze verbazing en heeft er als gids een goede verklaring voor: “Goervrouwen.” Huh? “Pff, iek kan niet goed uitleggen.” Een vertaalslag verder denken we hem te begrijpen. “Huurvrouwen bedoel je? Hoeren, dus. Wonen die hier?” József, blij dat we hem snappen: “Ja, ja.”


Op de terugweg naar het hotel rijden we langs grauwe, eentonige flatblokken, door vrijwel uitgestorven straten. Een centrum heeft Tatabánya niet. Het dichtst in de buurt van een stadshart komt een winkelcentrumpje uit de jaren vijftig met een handvol supermarkten en wat 24-uurs- casino’s. Inwoners in trainingspakken hangen op bankjes en laten hun honden rondscharrelen. József parkeert de clubauto bijna op een invalidenplek, maar bedenkt zich en gniffelt: “Bijna, nog even niet.”

In 1995 moest József weg bij Feyen-oord. Na zes seizoenen kon hij het tempo niet meer bijbenen. Dikke tranen bij het legioen en bij József. Na wat geharrewar over geld met een aantal clubs bood Apoel Nicosia het meest. Op naar Cyprus dus. Achteraf toch niet zo’n goed plan, want de Cyprioten hielden van de ene op de andere dag op met betalen. En het restaurant, dat hij had geopend met een zakenpartner, leverde ook niet zoveel op. Tenminste.

József hield er niets aan over. Zo kwam er een einde aan zijn zelfverkozen ballingschap op Cyprus. Hij moest zijn heil ergens anders zoeken.

Niemand had er meer op gerekend: de Tovenaar van Tatabánya dook weer op in Nederland. Bij FC Den Bosch in de eerste divisie. Een wonder. Het Feyenoord- legioen was door het dolle heen. Ze kwamen hun held massaal toejuichen: “Jóóóózsef, Jóóóózsef”. József speelde uiteindelijk negen wedstrijden en scoorde vijf doelpunten. Een mager seizoen. Met veel blessures.

Dat laatste hadden ze kunnen weten in De Vliert. Want József liep op de vreemdste momenten blessures op. Zoals tijdens de kampioenswedstrijd met Feyenoord, uit tegen FC Groningen (0-5) in seizoen ’92-’93. József scoorde met een stiftje het openingsdoelpunt. Van het juichen kreeg hij spontaan een spierverrekking. József even later eruit, John van Loen erin. Na de wedstrijd had hij nergens last meer van.


Met al die blessures had József in Den Bosch tijd voor een nieuw zakelijk project. Een eigen spijkerbroekenmerk: de ‘Kiprich no. 9’. Met knopen in de vorm van voetballen. Het idee was gebaseerd op het feit dat hij zelf graag een spijkerbroek droeg en dat hij aan de toekomst moest denken. Als het een succes zou worden, wilde hij een dames- en kinderlijn beginnen en de herencollectie uitbreiden met overhemden en T-shirts. Het werd geen succes.

In 1998 hield het echt op in Nederland. De kans op een verblijfsvergunning had hij al verspeeld door tussendoor naar Cyprus te vertrekken. Daar heeft hij nog jaren spijt van gehad. Want József wil nog steeds terug naar Nederland. Niet dat hij er nog vaak komt, eigenlijk nooit. De enige met wie hij nog sporadisch contact heeft van zijn oude team is Arnold Scholten. Toch zou hij graag weer in Rotterdam wonen. Alles was er lekker geregeld en het voelde gewoon goed. Hij realiseert zich dat het er steeds minder in zit. Hongarije is inmiddels toegetreden tot de Europese Unie. Een verblijfsvergunning is dus het probleem niet meer. Maar József moet natuurlijk wel aanbiedingen krijgen, en die zijn er nog niet. “Ik blijf in Tatabánya. Maar ja, je weet nooit.”

Hij heeft zijn hoop nu gevestigd op zijn zonen Daniel (20) en David (15). Beiden hebben de voetbalgenen van hun vader. Afgelopen zomer probeerde Daniel een contract te krijgen bij RKC Waalwijk. De trainingsstage liep op niets uit, tot teleurstelling van József. Hij had niets liever gezien dan dat Daniel in de Nederlandse competitie aan de slag was gegaan. Dan had hij ook weer een reden om naar Nederland te verhuizen. Daniel speelt nu bij Gyirmót SE, de ploeg van zijn vader. Maar misschien lukt het David wel. “Hij heeft goede kans,” vindt József. David gaat volgend jaar naar een Hongaarse voetbalacademie.


We ontmoeten József de volgende dag weer op het trainingsveld. Morgen is de topper tegen nummer drie, Kaposvölgye. De ploeg van Jószef traint op het achterveld van Gyirmót SE. Wat rekoefeningen en rondootjes. József is geen coach die constant aanwijzingen geeft. Eigenlijk kunnen we hem niet één keer betrappen op iets wat daarop lijkt. Liever doet hij zelf mee met het rondootje. Hij heeft er zichtbaar plezier in om zijn spelers te pesten en zich niet aan de regels te houden. Er wordt gedold en gelachen. Tot het Józsefs beurt is om in het midden te gaan staan. Daar past hij voor. De training is afgelopen.

Veel allure heeft Gyirmót SE niet. Een accommodatie waar de gemiddelde amateurclub in Nederland zijn neus voor ophaalt. Houten bankjes als tribune, met een plastic tentdak erboven. Alles in de kleuren geel-blauw. Alles, tot aan de prullenbakken, lichtmasten en het doelnet toe. De mini-kantine is aandoenlijk en past minstens drie keer in een toiletblok van de Kuip. Aan de muren hangen posters van alle eerste elftallen. Veel zijn dat er niet. De club werd in 1993 opgericht door de rijkste man van het dorp, groot geworden met het recyclen van papier en plastic.

Zondag, de dag van de wedstrijd, komt de regen met bakken uit de hemel. Het maakt de aanblik van Gyirmót SE er niet vrolijker op. Het autootje van József is pal voor de ingang geparkeerd. De spelersbus van Kaposvölgye staat een beetje verloren op het zompige parkeerveld. Op de tribune zitten twee- tot driehonderd toeschouwers. Het zijn vooral oude mannetjes met petten en hoeden. Plastic bekertje sekt in de hand. Ergens klinkt een eenzame ratel.


József staat te kleumen in de dug-out. Ook nu geen aanwijzingen. De handen natuurlijk in zijn zakken. Heel af en toe komen ze eruit. In een gebaar van ongeloof als hij het niet eens is met de scheidsrechter. Of voor een sigaret. En natuurlijk als Daniel, rechtsback, zijn eerste doelpunt van het seizoen scoort. Vader en zoon vliegen elkaar dolgelukkig in de armen. Na dit hoogtepunt zakt het niveau van aardig naar hotseknots-begonia-voetbal. József kijkt het gelaten aan. Brengt nog twee wissels in en steekt er nog maar eentje op.

Na afloop is hij niet tevreden. “Had 4-0 moeten zijn bij roest,” foetert hij. “Nu 2-2. Nog bijna verloren!” Zo fel hebben we hem nog niet eerder gezien. Lang duurt zijn irritatie ook niet; al snel volgt de voor József zo typerende berusting. “Maar ja, kan gebeuren, is voetbal. Volgende week moeten wij winnen.”

Waar doet dit ons toch aan denken.

Joszef geeft onbedoeld het antwoord en begint over Feyenoord te praten, zijn geliefde Feyenoord. Helaas moest hij het honderdjarig bestaan in 2008 missen vanwege een belangrijke wedstrijd van Gyirmót SE. Hij volgt Feyenoord nog altijd op de voet. József heeft nog een boodschap voor zijn fans in Rotterdam. Hij wenst Feyenoord volgend jaar veel ‘soekses’. Hij weet zeker dat het beter zal gaan: “Maar moet groeien, hè. Net als bij Gyirmót.”

De regen druipt van het afdakje van het clubhuis. József schudt nog wat handen en staat het lokale sufferdje te woord. De lichten van het stadion gaan uit, de laatste toeschouwers verlaten het terrein. Het is mooi geweest. Wat meewarig nemen we afscheid. Het liefst zouden we hem meenemen naar Nederland.


Maar zo werkt het niet. Dat weten wij, en József weet het ook. De Tovenaar trekt zijn geel-blauwe capuchon nog wat verder over zijn oren en loopt ineengedoken door de regen naar de kleedkamer.

Hugo Borst (journalist): “Rotterdam zal hem nooit vergeten. En als hij terugkomt, wordt hij met open armen ontvangen. Hij had nooit naar Cyprus moeten gaan, dat is zijn grootste fout geweest. Hij staat voor wat je normaal vooral in de wielersport tegenkomt: de ultieme tragiek.”

Jacco Verhaeren (zwemcoach): “Geniale voetballer. Als je hem zag, dacht je eerder aan een oude man dan aan een voetballer. Maar dat klopte niet. Hij was zo iemand van wie je het ’t minst verwachtte, en die dan uit het niets iets extra’s bracht.”

Sander de Kramer (hoofdredacteur Rotterdamse straatkrant): “Als-ie over het veld liep, was het alsof-ie een Kip- caravan achter zich aan sleurde. Hij had alles wat de gespierde held niet heeft.”

Wilfried de Jong (televisiemaker/schrijver): “Geniale gek.”

import j