‘Ik loop de lijnen van mijn verbeelding na’

Bij een nieuw boek horen interviews, en dat is niet altijd een feest. In gesprek met Tommy Wieringa over domheid, pornografie en de kunst van het schrijven. ‘Mijn persoonlijkheid was te klein om een oeuvre te kunnen dragen.’ door Tom Rooduijn, foto’s Milette Raats

In de roman Caesarion vertelt Ludwig Unger, zoon van een kunstenaar en een pornoactrice, het bizarre verhaal van zijn jeugd en volwassenwording. Auteur Tommy Wieringa baseerde dit personage op Ludwig Koons, de zoon van de Amerikaanse kunstenaar Jeff Koons en diens ex-vrouw Ilona Staller, de pornoster Cicciolina. “Het begon met mijn verwondering over een kind met twee iconen als ouders,” zet hij uiteen in een uitspanning in Amsterdam-Noord. “Ik zocht naar de monsterlijkheid die daaruit zou kunnen voortkomen: een abjecte, seksueel gemankeerde figuur. Maar het werd uiteindelijk een heel gewone jongen met een paar diepburgerlijke zijnswensen: een moeder die om hem geeft en een huis waarvan het dak niet lekt. Hij verlangt naar de opoffering. Hij is aanzienlijk conservatiever en minder egocentrisch dan zijn ouders. Zijn geloof in zulk conservatisme, in structuur en zelfopoffering heeft ook mijn voorkeur.”

Wieringa ontmoette de Italiaanse pornoster op een Ex-pornstar-feest in Amsterdam. “Ze zong een vals liedje op het podium, met op haar hoofd dat lieflijke vruchtbaarheidskroontje van gevlochten bloemetjes. Maar ze stond daar wel als porno-icoon. Ze bestaat bij de gratie van haar lichaam. Ik heb foto’s waarop ik naast haar sta. Het is een schat van een vrouw. Ze wordt ouder, maar is nog altijd beeldschoon. Ze vertelde me dat ze slechts haar borsten had laten vergroten en verstevigen. ‘Maar,’ zei ze, ‘ik had me niet gerealiseerd dat ik nooit meer op mijn buik kan slapen.’ Ze nodigde me uit naar Rome te komen als mijn boek af is. Ik ga het haar bezorgen zodra de Italiaanse vertaling er is.”


Tommy Wieringa (41) vertelt met aanstekelijk enthousiasme en wisselt een gulle lach af met momenten van diepe ernst. “De schaamteloosheid van pornosterren aangaande hun lichaam heeft me altijd verbaasd. Ze geven geheel ontkleed, op een set met lampen en camera’s, een interview. Vertellen op een barkruk waar ze vandaan komen, of ze van hun moeder houden en hoe hun huisdier heet. En voelen zich dan niet verlegen met hun lichaam. Ik ging met mijn vader mee naar de naaktcamping. Op alle vakantiefoto’s is iedereen naakt. Behalve ik! Altijd heb ik een heel klein zwembroekje aan. Ik vond het verschrikkelijk, al die naaktheid.”

In De dynamica van de begeerte onderzocht hij twee jaar geleden de gevolgen van de alom aanwezige pornografie, het resultaat van gastcolleges aan de Technische Universiteit Delft. “Ik wilde eerst eens kijken wat porno precies is, zonder een vooringenomen standpunt. Dat essay volgde een onderzoekstraject. Het was voor het schrijven van Caesarion fijn de wortels van de pornografie te kennen. Ik heb geen enkel bezwaar tegen pornografie. Verre van. Ik ben een consument. Ik constateerde alleen dat een aantal componenten van de porno nu in het dagelijks leven een nadrukkelijke rol opeist. De begeerte is schaamteloos geworden. Begeerte fungeerde in de geschiedenis weliswaar altijd als een belangrijke, onverbiddelijke levenskracht. Maar altijd als souffleur, omhuld met schaamte. Nu is die vol in het licht getreden. In dat proces ging veel verloren.”

Om in alle rust te schrijven zondert Wieringa zich graag af in kloosters. “Een omgeving zonder die prikkels heeft op mij een zuiverende werking. Op mijn hele maalstroom van gedachten, verlangens en begeertes. Een kamertje ergens in een abdij, met een kruisbeeld boven een eenvoudig bed. Voor het raam staat een bureautje. En er is een wasteiltje. Je hebt twee, drie boeken, een pen en papier bij je. Dat is alles. De eerste dag is verschrikkelijk. Je vraagt je af wat je daar in godsnaam doet. Maar als vervolgens alles wegvalt: dat is verrukkelijk. Tot mijn spijt biedt nu een aantal abdijen internet aan. Dan komt daar toch die hel aan prikkelingen binnen.”


In Caesarion weerklinkt thematisch zowel als in de vorm Heart of Darkness van Joseph Conrad: een raamvertelling, uitmondend in de ontmoeting met een geweldenaar die zich diep in het oerwoud schuilhoudt. Bij Conrad heet die Kurtz, Wieringa noemde de excentrieke vader/kunstenaar Schulz. “Namen die klinken als een krakend gebit,” zegt Wieringa instemmend. “Na lezing van dat boek, in de nieuwe bibliotheek van Alexandrië, besloot ik de structuur ervan te gebruiken.” Maar ook verwerkte hij beelden van de film Apocalypse Now, die Francis Ford Coppola naar Conrads boek maakte. “Het boek van Conrad heeft niet die dreigende monsterlijkheid van de film. Daarin wordt die tocht zó spookachtig en luguber… En die man wordt zó reusachtig in zijn ontbreken… Mijn boek is vol echo’s en verwijzingen daarnaar.

“Ik besta bij de gratie van wat ik lees en tot me neem. Dat houdt niet op als ik schrijf. Bepaalde auteurs trekken me er altijd doorheen. Die laten mij weer zien hoe het moet. Niet dat bleke gevertel van een man die in een stoel zit, dan naar de deur loopt en die vervolgens open doet. Niet dat verschrikkelijke verbalisme van de Nederlandse roman… Niemand schrijft zo erotisch, bedwongen en suggestief als James Salter. Zodra ik merkte dat dit boek hermetisch en gesloten werd, heb ik er met zijn voorhamer weer wat licht in geslagen. Dat werkte meteen.

“Zo vloeiden in dit boek talloze boeken, ideeën, zinnen van anderen. Dat geeft niks, omdat het uiteindelijk toch door de Tommy Wieringa-mal gaat. Niettemin heb ik na inlevering nog een keer elk woord opnieuw door mijn vingers laten glijden. Toen ik er vier jaar geleden aan begon, weerspiegelde ik andere opvattingen en vaardigheden. Als je er jaren niet bent geweest, schiet het gras hoog op.”


“Mijn jeugd op Aruba heeft me veel geluk en euforie gebracht,” stelt Tommy Wieringa vast. “Ik ben bij mijn vader opgegroeid. Hij is een late bekeerling. Hoewel hij vroeger wel bad voor het eten. Daarbij maakte hij soms grapjes. En noemde hij zichzelf de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Omdat hij mijn enige opvoeder was, en wij op elkaar waren aangewezen.”

Op zijn twaalfde vond Tommy Wieringa zich, na te zijn hersteld van een auto-ongeluk, terug op de katholieke jongensschool Sint Joseph in Geesteren, in Overijssel nabij de Duitse grens. “Als je bent geïmpregneerd met de wereld van Gabriel García Márquez en Boeli van Leeuwen, is Nederland een klap in het gezicht. Ik had de wringing van het ‘hier niet horen’. Misplaatstheid met een fysieke grondslag. Ik paste niet onder deze grijze hemel, maar op een rots onder de zon. Ik heb moeten leren dat ik hier hoor. Onder deze luchten. In deze taal. Ik moest me standvastigheid verwerven. Dat heeft me twintig jaar aanpassing gekost.”

Na de jongensschool ging hij naar een Vrije School te Zutphen. “Geschoeid op de leest van de Oostenrijkse dwaaldenker Rudolf Steiner. Mijn moeder vond dat een gunstige vorm van onderwijs. Krankjorum. Bovendien moest ik elke dag twee keer anderhalf uur reizen, met trein en bus. Ik stond om zes uur op. Ik ben daar uiteindelijk vanaf gestuurd. En kwam terecht bij een pleeggezin in Drenthe.”

Wieringa studeerde enige tijd geschiedenis in Groningen, daarna verhuisde hij naar Utrecht voor een opleiding aan de School voor de Journalistiek. In het eerste jaar debuteerde hij met de roman Dormantique’s manco. “Ik was voor het eerst op school goed in iets. Ik schreef beter dan de rest. Als je dan ook nog een roman publiceert, heb je een heerlijke tijd. Ik probeerde als student-assistent te verwoorden wat die taal nou precies is. En schreef levensgroot op het bord wat ik me nu nog voorhoud als een boek af is: ‘Zodra je je tekst hebt ingeleverd, is het kopij en daarmee ter beoordeling aan anderen.’ Ik had geen idee of het schrijven ooit iets zou kunnen opleveren.”


In die tijd zei de journalist Bernard Martens van Vliet, in een café te Gdansk, tegen hem: “In elke zin moet iets te doen zijn.” Het opende Wieringa’s ogen. “Ik moest niet lopen lullen in zo’n tekst, maar elk zinnetje verdorie eens een beetje secuur formuleren! Ook de zinnetjes waaraan je eigenlijk een hekel hebt. Aan die dagelijksheden moet je óók zorg besteden. Dat is voor mij een belangrijk uitgangspunt. Veel literatuur is zo vervelend omdat aan bepaalde zinnen of hoofdstukken nauwelijks aandacht is besteed. Die draderige verveling straalt af op het hele boek. Ik probeer dat te vermijden. Met als gevolg dat ik soms een halve dag op één zinnetje zit.”

Ludwigs moeder ontwikkelt in Caesarion een hang naar goeroes en alternatieve geneeswijzen. Wieringa schrijft er met onverholen weerzin over. “Die levenslange afkeer is op de Vrije School begonnen,” zegt hij. “Met mensen die het betere nastreven, een utopie najagen, komt het nooit helemaal goed. In dat streven naar spirituele gelijkheid en diepgang zit een dubbelzinnigheid. Zoals in het Chinese leger, waar op zeker moment de hiërarchie was afgeschaft en de generaals geen sterren meer droegen. Maar aan de hoeveelheid pennen in hun borstzak kon je hun plaats in de hiërarchie toch zien.

“Er is altijd een hiërarchie. En een machtsspel. En broedermoord. Dat is over het algemeen goed te verdragen. Maar niet bij idealistische gemeenschappen die zeggen zich daarvan te hebben afgekeerd. Daar komt dat spel tot allerhoogste bloei. Ik heb ze allemaal gezien: de rebirthers, de sannyasins en de mensen die zichzelf willen ‘pellen als een ui’. En ik heb niemand zien terugkeren uit die subculturen, die bestaan bij de gratie van uitkeringsgeld. Heel droevig.”


Net als de in 2001 overleden actrice Sylvia Millecam zoekt Ludwigs moeder in Caesarion ter genezing van haar borstkanker hulp in het alternatieve circuit – waarmee in het boek met een woedende litanie korte metten wordt gemaakt. “Dit meen ik echt ten diepste,” zegt de auteur ernstig. “Prachtig als dit boek iets zou kunnen bijdragen aan de strijd tegen deze brutale en lafhartige vorm van kwakzalverij. Ik heb zelden een boodschap in mijn romans. Natuurlijk ben ik maatschappelijk geëngageerd. Ten diepste. Alleen, de roman is niet het juiste vehikel voor engagement. Maar ik ben blij dat ik deze noot kon kraken. Omdat de opvatting hierover van de hoofdpersoon zo krachtig is, kon ik die van mij er moeiteloos in kwijt.”

Na drie min of meer autobiografische romans die nauwelijks werden opgemerkt, gooide Wieringa het roer om. “Ik ontdekte dat mijn persoonlijkheid te klein was om een oeuvre te kunnen dragen,” verklaart hij. “Op jonge leeftijd heb je slechts jezelf als bron. Alles wat je voor het eerst meemaakt, is verrekte bijzonder. Die ragfijne kwellingen kan iemand anders nooit eerder hebben meegemaakt. Maar op een zekere leeftijd blijkt dat gnante onzin te zijn. Daarom moet het werk van een jonge debutant met genade worden beschouwd. Pas als hij inziet dat het leven een eindeloze cyclus is, kan hij andere elementen toelaten dan zijn eigen biografie.”

Het louter aan zijn fantasie ontsproten Joe Speedboat werd aanvankelijk ook genegeerd, maar later voor alle belangrijke literaire prijzen van 2005 genomineerd. Het boek, onderscheiden met de Bordewijkprijs, werd een bestseller. Daarna schreef Wieringa columns, essays en reisverhalen. Ondertussen deed hij onderzoek voor Caesarion, dat zich afspeelt op drie continenten en in sterk uiteenlopende milieus. Wieringa: “Ik heb een voorkeur voor verhalen die weliswaar verzonnen zijn, maar geheel en al doortrokken zijn van de werkelijkheid. Op basis van onderzoek. Het moet allemaal precies kloppen. Anders wordt het aarzelende, zwemmende literatuur. Als Ludwigs moeder sterft aan borstkanker, moet ik van een oncoloog precies weten wat die in zo’n geval tegen een patiënt zegt. Dat moet! Anders zeggen mensen die dat hebben meegemaakt dat het zo niet gaat.


“Ik wil de werkelijkheid kennen voordat ik het verzinsel opschrijf. Ik kom op plaatsen en heb ontmoetingen die zó ongelofelijk veel interessanter zijn dan ik ooit zelf had kunnen verzinnen. Daarom wil ik die fuik zo wijd mogelijk open zetten. Er is geen wet. Uiteindelijk gaat het over de werkwijze, die voor iedere schrijver anders is. De Reis door mijn kamer van Maarten Biesheuvel is even reëel. Maar zelf heb ik wel de wereld nodig.”

In zijn jongste boek verwerkte Wieringa een barre tocht over de rivier de Chucunaque in 2003, naar El Real midden in de jungle van Panama. “Plotseling zat ik in het hart van Heart of Darkness. Ik was beland in de situatie die ik reeds verzonnen had. Dat zijn de wonderen van de romankunst. Thuis voel je de wind toenemen, het zeil opbollen en het verhaal krijgt vaart. Maar pas buiten de werkkamer heb je de euforie van dingen die precies blijken te kloppen met dat wat je bedacht had. De kern is: ik loop in de werkelijkheid de lijnen van mijn verbeelding na.”

Hij kende lange tijd nauwelijks geestverwanten in de Nederlandstalige literatuur, behalve Antillianen als Boeli van Leeuwen en Tip Marugg. “De Vlamingen brachten meer ruimte in de literatuur,” stelt hij vast, “en de wereld drong zich tussenbeide. Dat vreselijke cliché ‘navelstaarderig’ geldt niet meer voor de Nederlandse literatuur. Er wordt nu een grotere slag geslagen. In de jaren tachtig was het allemaal nogal beperkend. Auteurs als Van Leeuwen en Marugg verwijdden dat perspectief. Daarmee was ik heel gelukkig.”

Wieringa’s bewondering gaat ook uit naar Michel Houellebecq. “Zijn stijl is fantastisch. Koud en helder. Zouden reptielen kunnen schrijven, dan schreven ze als Houellebecq. In zijn wereld geldt het jeugdige ideaal, intellectueel en fysiek. Het oudere lichaam dat zich nog mengt op de markt, moet als een oud paard naar het abattoir worden gebracht.”


Hij deelt met de Franse schrijver een afkeer van vraaggesprekken. “In de interviews die ik de afgelopen weken gaf, bemerkte ik bij vragenstellers zo’n ongelofelijke, massieve domheid. Een domheid die zich niet voor zichzelf geneert. Dat is een verschil met de bescheiden domheid van vroeger. Daar draagt het Studiehuis in niet geringe mate aan bij. Er is toch veel te zeggen voor de gedwongen opvoeding, die voor een belangrijk deel onderdrukking is. Ik ben over dit tijdperk van digitalisering en gebrek aan kennis en concentratie niet optimistisch.”

Na enig nadenken besluit hij: “Misschien moet ik wel tegen alles in romans blijven schrijven, me interviews laten afnemen en verwijzen naar iconen die niet worden herkend. En zo langzaam en glorieus ten onder gaan.”

Tommy Wieringa: Caesarion. De Bezige Bij. € 19,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

import interview tommy wieringa