Krijtstreep doet urban jungle

Een oliemagnaat gaat op safari door zijn eigen stad. Weet hij nog wel wat er gaande is? Een tocht langs een gastvrije vrouw met een levendige binnenplaats, een moskee en twee werkloze moslima’s. door Annemieke Vermeulen, foto’s Jean-Pierre Jans

Hij was vorig jaar de hoogste binnenkomer in de Quote 500: Peter Goedvolk, eigenaar/directeur van Argos Oil, en in 2006 de Rotterdamse havenman van het jaar. In 1984 kocht hij een oliehandeltje in de Hoeksche Waard, ‘met een dame voor de telefoon en een chauffeur voor de tankauto’. Zelf ging hij bij boeren langs om brandstoffen en smeermiddelen te slijten. Inmiddels heeft hij 350 man in dienst (nog steeds met die dame en die chauffeur) en draait zijn bedrijf een miljardenomzet. Goedvolk is voorloper op het terrein van biobrandstoffen.

Maar kent hij de stad nog? Komt hij nog onder de mensen? Is zijn hightech- kantoor aan de rand van Hoogvliet en villa in Rhoon niet te ver verwijderd geraakt van zijn roots in proletarisch Rotterdam-Zuid?

We namen hem mee op een City Safari, zoals Marjolijn Masselink in Rotterdam organiseert voor mensen die de stad niet kennen. Ze leidt buitenstaanders naar intieme adresjes van mensen in oude wijken die anders nooit op hun pad zouden zijn gekomen. Dat moet te voet en met de tram. De deelnemers krijgen geen gids mee, maar gaan zelf naar een coffeeshop, een kruidendokter, een buurtmoeder, een jongerensoos, een hindoetempel, een Thaiboksschool, een huis met vluchtelingen. Deuren die normaal gesloten blijven, gaan open. Directeur Peter Goedvolk en zijn general manager John Bijl gingen voor hun ontdekkingsreis naar Crooswijk en het Oude Westen, de onveiligste wijk van Rotterdam.

De binnenstad en de oude wijken zijn niet meer Goedvolks wereld; hij komt er niet of nauwelijks. De laatste keer dat hij naar de stad ging, was toevallig kortgeleden, met Pasen. Hij zei tegen vrouw, dochter (13) en zoon (17): “Kom, we gaan lekker shoppen op de Lijnbaan.” Daar waren ze snel mee klaar, want alle winkels waren dicht. Zelfs een terrasje pakken was hondsmoeilijk op die dag. In een ommezwaai waren ze terug in Rhoon, voor een kopje thee in het gerenommeerde, chique Kasteel van Rhoon, waar hij stamgast is, hoewel hij voor een snelle avondhap met zijn vrouw toch liever kiest voor het meer volkse eetcafé Het Wapen van Rhoon.


Hij parkeert zijn BMW 7-serie op de rauwe Nieuwe Binnenweg. Strak in het pak lopen Goedvolk en kompaan op schoenen met glanzende gespen, die zeker meer dan 500 euro hebben gekost. Twee tegen de muur hangende Turkse bodybuilders met opgeschoren koppen kijken er vol bewondering naar. De heren laveren op die schoenen volledig op hun gemak langs ruim vertegenwoordigde gekleurde Rotterdammers. Om de hoek in de Saft-levenstraat houdt Marjolijn Masselink kantoor. ‘Camerabewaking’ staat er op een bord aan het begin van de straat.

Bij de instructie is al na vijf minuten duidelijk dat het duo eerst een cursus nodig heeft. Hoe stempel ik een strippenkaart? Sinds mensenheugenis hebben ze geen gebruik meer gemaakt van het openbaar vervoer. Wat wil je ook van benzineverkopers? Marjolijn geeft ze een reismap met plattegrond en het programma.

Lijn 7 moeten ze hebben. De rit voert van west naar oost richting Crooswijk. Van de ene naar de andere Vogelaarwijk. Bij halte Hofplein wijst Goedvolk op de betonkolos waarin ooit het hoofdkantoor van Shell zat, door wethouder Mentink betiteld als de laatste erectie van het grootkapitaal in Rotterdam. “Die heb ik nog gebouwd zien worden. Verdieping voor verdieping zien groeien. Ik word oud.” Hij is 51. Aanvankelijk zei hij 49 te zijn, maar basale research op internet leerde dat dat niet kon kloppen. Per e-mail geeft hij later toe dat hij de vijftig is gepasseerd. Waarom hij dat niet wilde zeggen? “Hou het maar op ijdelheid.”

Inderdaad ja, Hofplein. Daarachter lag de inmiddels opgeheven middelbare detailhandelsschool waar hij ploeterde. Hij maakte hem af, maar hij ‘was geen studiekop, meer een doener’.


De heren zetten in de tram een boom op over hoe het ooit nog goed kan komen met de binnenstad. Bijl weet het wel. Het gaat er niet om het winkelaanbod beter te maken; er moet meer ruimte komen voor parkeren.

Goedvolk: “Maar hoe valt dat te rijmen met een autovrije binnenstad?”

Bijl: “Laat iedereen buiten de stad parkeren. Daar zet je een paar torens neer met minicars zoals de Smart. Voor tien euro per dag huur je zo’n autootje. Daarvan passen er twee op één parkeerplaats. Als mensen met zo’n kleine wagen naar de stad komen, hoeven ze geen parkeergeld te betalen. Dat scheelt. Mensen willen nu eenmaal zelf aan het stuur zitten en niet hoeven sjouwen met tassen. Ik denk dat wij praktischer en efficiënter oplossingen hebben dan die lui aan de Coolsingel.”

Goedvolk: “Dit probleem staat al vijftien jaar prominent op de agenda. Rotterdam noemt zich een wereldstad en de stad heeft natuurlijk die grote haven, maar nog geen 600.000 inwoners. Eigenlijk is het twee keer niks.”

Op naar Stien Weijgertse (68) in Crooswijk, langs eenvormige laagbouwflats.

Ze komt niet uit de wijk; ze is er ingetrouwd. Haar man zat op zee, werkte voor de Holland-Amerika Lijn. Haar ouders kwamen uit de Pluk-me-Kaalstraat, de bijnaam van de Puntegaalstraat, omdat daar het centrale belastingkantoor stond. “Mijn ouders hadden tien kinderen. De huisbaas stond maximaal drie kinderen toe. Mijn moeder ging dus met drie van de kinderen naar de huisbaas en kreeg een woning.”

Stien schudt de heren de hand en troont ze direct mee naar ‘haar’ binnentuin. Toen ze 28 jaar geleden haar huurwoning kreeg, trof ze in die tuin oude bankstellen en afgedankte ijskasten aan. Die kieperde ze subiet in een grofvuilcontainer van de Roteb. Ze plantte bomen en struiken en maakte de binnenplaats tot een groene plek waar iedereen welkom was. Jong en oud, van binnen of buiten de wijk.


De binnenplaats van Stien is in kleine kring beroemd. De sociale controle is groot. Alle nationaliteiten komen er om hun kinderen te laten spelen. ’s Zomers brengen bijna alle 169 nationaliteiten van Rotterdam etenswaren mee naar feesten.

In een hoek staat een blokhut, in de wijk beter bekend als het chalet. Ooit door het AVRO-programma Voor elkaar neergezet als bedankje aan Stien. In het chalet praat Stien op vol volume honderduit. Ze steekt de ene na de andere Camel op.

De heren drinken hun thee en horen toe. Soms krijgen ze tijdens de spraakwaterval de kans een vraagje te stellen. Goedvolk: “Heb je last van jonge Marokkanen waar de kranten over volstaan?”

Stien: “Ik zeg ze gewoon gedag. Als ik boodschappen ga doen, vraag ik: ‘Let even op mijn auto.’ En laatst zo’n jongen.” Stien schuift haar stoel naar achteren en toont staande hoe laag het kruis van de broek van de jongen precies hing. “Met een grote blow kwam hij de tuin binnen lopen. Ik zei: niet blowen hier, doe dat maar lekker bij jezelf binnen. En toen liep hij weg.”

Stien laat Goedvolk een blaadje munt uit de kruidentuin ruiken en wijst de fruitbomen aan waarvan ze binnenkort de stam wit gaat kalken tegen de insecten. Dat heeft ze van de Turkse buren geleerd.

De heren laten zich door Stien de weg wijzen naar het volgende bezoekadres, een Turkse moskee. Buiten zijn ze stellig in hun commentaar. Goedvolk: “Stien verandert structureel iets in haar buurt. Rotterdammers zijn aanpakkers. Zoals Stien zijn er meer.” Bijl: “Hier is geslaagd waar ze op de Coolsingel nog over nadenken.”


Een hels toetersalvo onderbreekt de conversatie. Een bezorgauto verspert de straat. Automobilisten kunnen geen kant op en laten hun ongenoegen blijken.

Bijl en Goedvolk grappen: “Laat Stien er maar op afgaan en dat concert dirigeren.” Bijl lijkt het wel wat om Stien wethouder te maken. “Ze gaat misschien wat kort door de bocht, maar dan gebeurt er tenminste wat.”

Goedvolk en Bijl lopen de moskee aanvankelijk straal voorbij. Geen koepel of minaret te bekennen. De gebedsruimte is gevestigd in een oud pand inclusief jeugdhonk, theehuis en verschillende zalen waar onder meer Nederlandse les wordt gegeven. In het sober ingerichte theehuis zitten oude mannen in hun beste pak in groepjes van drie of vier of alleen aan de formica tafels, gebedssnoer in de hand. Ze zijn in afwachting van het vrijdagmiddaggebed.

Achmed Yilmaz (40), bestuurder van de Gültepe-moskee, valt op in jeans en spijkerjack. Hij is de rondleider, maar praat slecht Nederlands. Goedvolk merkt op dat alle teksten in het Turks zijn, behalve een A4’tje op de deur waarop staat ‘verboden toegang voor onbevoegden’. Bijl: “Dat noem ik nog eens integreren.”

Het gesprek dat zich staand tussen de pooltafels in het jeugdhonk ontspint, wil niet vlotten. Yilmaz beweert zomaar vanuit het niets dat tijdens de drooglegging in de Verenigde Staten geen verkeersslachtoffers vielen door alcoholmisbruik. Goedvolk en Bijl pruttelen beleefd tegen, maar dat is gericht aan dovemansoren.

De schoenen met de gespen moeten in een van de vele houten vakken op de overloop worden gezet als ze de gebedsruimte willen betreden. Het tapijt op de vloer is mintgroen met ingeweven een rode bies in Moorse stijl om de bidplekken te markeren. Goedvolk vraagt hoe een moslim zijn bidrichting weet te bepalen. Yilmaz legt uit dat er een speciaal kompas is voor moslims dat naar de Kaäba in Mekka wijst. Maar bij gebrek aan kompas mag de gelovige ook, zoals hij op school leert, zorgen dat de zon achter zijn rug is. In de moskee zelf is een betegelde nis die de gebedsrichting aangeeft.


Nauwelijks weer buiten vragen drie jochies van een jaar of acht de mannen om een bijdrage voor hun sponsorloop. Een paar euro’s worden opgediept. Op weg naar de tram kan Bijl het niet helpen zich af te vragen of het geld wel daar terechtkomt waar het terecht moet komen. Goedvolk vraagt zich af hoe je productief kunt zijn als je je werkdag een paar keer moet onderbreken voor gebed. Wachtend bij de tramhalte vertelt hij dat hij zich nog kan herinneren hoe in de jaren zeventig in de Afrikaanderwijk rellen uitbraken tussen de Turkse gastarbeiders die daar in pensions waren samengepakt en de Nederlandse buurtbewoners. Voor zover hij kan nagaan, zijn er met de Turkse gemeenschap daarna nooit meer problemen geweest. “Het zijn de machootjes van de tweede en derde generatie Marokkanen die nu het probleem vormen,” zegt Goedvolk. Zelfs Stien leek even stil te vallen toen hij naar hen vroeg.

In de tram terug naar het Oude Westen neemt Bijl het stempelen weer voor zijn rekening. Bij het uitstappen helpt Goedvolk een vrouw haar kinderwagen naar beneden te tillen. Op de stoep kijken ze op de kaart. De conclusie is dat ze te vroeg zijn uitgestapt. Bijl: “Als Belgen in Amerika.” Een passerende donkere jonge vrouw in kleurige rok houdt even in. Ze bekijkt de man in krijtstreep van top tot teen en lijkt bereid de weg te wijzen. Maar ze weten het al. Ze moeten een stukje lopen over de Nieuwe Binnenweg. Een straat met de Thaise toko Bang Pra, coffeeshop Nemo, eethuis Tadim, King Foeng Fastfood, naast tapijthallen, wasserettes en veel leegstaande panden. Jongens staan met hun snelle auto’s langs de stoep. Goedvolk voelt zich als een vis in het water. “Hier zitten nog kleine winkels. Allerlei nationaliteiten lopen door elkaar. Het bestaan speelt zich deels buiten af. In deze snelle tijden met pc’s en andere elektronische communicatiemiddelen geeft me dat een nostalgisch gevoel.”


De seksclubs om de hoek aan de ‘s-Gravendijkwal moeten gewoon blijven, vindt Goedvolk. “Aboutaleb wil de panden aanpakken. Daar was Opstelten nooit over begonnen. Ze hebben er altijd gezeten, er moet ruimte voor zijn. De façades zijn al flink opgeknapt vergeleken met een aantal jaren geleden. Ze waren schreeuweriger.”

Bijl: “Als wij bij onze tankstations een luifeltje willen veranderen moeten we langs 25 welstandscommissies. Waarom zou de gemeente niet bij die sekspanden een normale uitstraling eisen in plaats van foeilelijk knalrood en roze?”

De geur van wiet drijft mee naar een verwaarloosde bordeauxrode deur vol roestige punaises, van nummer 96A, het opgegeven adres. Tweehoog moeten ze zijn. Via een donkere, smalle trap bereiken ze de overloop van de woning van Jamila Tellayee (45) die met haar Iraakse vriendin Chiman Saleh (45) staat te wachten. Na het handen schudden stappen de heren zonder meer de woonkamer binnen. Totdat ze zich realiseren dat de gastvrouwen hen op kousenvoeten hebben begroet. Voor de tweede keer vandaag gaan de schoenen uit.

Als even later de man van Jamila, Momtaz Asharf (48), in de gang struikelt over de schoenen schiet Goedvolk overeind. Hij haast zich zijn glanzende instappers netjes opzij te zetten. Jamila, een kleine, ronde vrouw met lang donker haar in een staart en een vriendelijk vol gezicht, vraagt hem wat hij voor werk doet. Omdat Goedvolk zo zorgvuldig met die schoenen omging, vermoedt ze dat hij in de medische sector werkt, net als haar man, die in Afghanistan apotheker was. Als ze ‘oliebranche’ hoort, spitst ze haar oren. Ze is zelf afgestudeerd als chemica, net als haar vriendin. Maar hun diploma’s zijn in Nederland niet geldig, zeggen ze.


In Afghanistan werkte Jamila als projectmanager voor Unicef en het Rode Kruis. Ze zette onder meer microkredietprojecten op. Werk vinden in Nederland lukt de vluchtelingen niet, ook al zegt de sociale dienst dat hun Nederlands goed genoeg is. Jamila doet veel vrijwilligerswerk en is de eerste moslima in het bestuur van het wijkpastoraat. Of Goedvolk niet een baan voor ze heeft? De directeur vertelt dat zijn bedrijf in de Rotterdamse haven een biodieselfabriek aan het bouwen is. Hij zal navraag doen of er mogelijkheden zijn bij de chemische tak.

De man van Jamila luncht niet mee. Hij gaat naar de moskee voor het vrijdaggebed en daarna meteen door naar zijn werk in de keuken van een restaurant.

Het is ruim over tweeën als Bijl opmerkt dat ze dwars door de parkeertijd heen hebben zitten kletsen. Goedvolk en Bijl overhandigen de vrouwen hun kaartje. Hilariteit bij Jamila en Chiman als de heren de deur van de meterkast aanzien voor de deur naar de trap. Het lachen verstomt snel. Ze maken zich ongerust over hoe de heren denken met hen contact op te nemen als die niet eens hun adres of telefoonnummer hebben gevraagd.

Op straat constateert Goedvolk: “Deze mensen leven noodgedwongen aan de zijlijn. Ze hebben een taalachterstand en missen kennis van de cultuur.” Bijl vindt het moeilijk te geloven dat de dames niet aan de slag raken. “Ze zijn nota bene universitair geschoold. Als het een taalprobleem is? Dan ram je er toch nog drie taalcursussen doorheen.”

Allebei moeten ze nu dringend bellen. De Blackberry’s gaan naar hun oor. Plotseling hebben ze haast en moeten ze snel terug naar de auto; er zijn nog veel zakelijke afspraken deze middag.

import vrije tijd