Blues Brothers

Een nieuw album van de Nederlandse blueslegende Harry ‘Cuby’ Muskee blijft een gebeurtenis van de eerste orde. Zeker als zo’n album wordt geproduceerd door Daniël Lohues, de gevierde singer-songwriter die zelf ook net een nieuwe plaat heeft uitgebracht. Op pelgrimstocht naar de Drentse Delta Blues. door Ruud Meijer, foto’s Reyer Boxem

Grolloo. Het loont de moeite om de auto even bij dit magische naambordje langs de weg stil te zetten en de aanblik van de kriskras door elkaar gesmeten, in het groen wegdromende boerenwoningen in je op te nemen. Op dit kruispunt verkocht Harry ‘Cuby’ Muskee, metaforisch gesproken, zo’n 45 jaar geleden zijn ziel aan de duivel. Waar bluesaartsvader Robert Johnson in de buurt van Dockery Farm, Mississippi, hetzelfde deed en in ruil daarvoor een gitarist met mythische gaven werd, mocht Muskee een rauwe, doorleefde stem ontvangen die voor altijd de personificatie zal blijven van de Nederlandse blues. Met die stem, en met zijn groep the Blizzards, nam hij in 1966 het baanbrekende, met een Edison onderscheiden album Desolation op. En – daarom staan we juist op deze plaats – een jaar later de klassieke plaat Groeten uit Grollo, inderdaad: met één o, omdat er in die tijd nog geen spellingscontrole op de typemachine zat.

Voor de Hollandse bluesfanaat is de naam van dit pittoreske Drentse dorp het Nederlandse equivalent van het Amerikaanse Memphis. Hier ontstond, vroeg in de jaren zestig, de Hollandse delta blues. Natuurlijk, de Mississippi stroomt vele duizenden kilometers verderop en ook inwoners van Afrikaanse afkomst zijn hier in Grolloo nog steeds een zeldzame verschijning, maar toch: Als bluespelgrim heb je niet veel fantasie nodig om in het Looner Diep, het Oudemolensche Diep en het Gastersche Diep – het meanderende bekenstelsel dat tezamen de Drentsche Aa vormt, een heuse Nederlandse delta te herkennen. Koppel dat landschap aan de armoede en de vermeende achterstelling van deze streek ten opzichte van het rijke ‘Holland’ in het westen, en je hebt de ideale voedingsbodem voor de blues. “Dat is een mooi verhaal,” reageert Muskee later op de dag, “en je moet het zeker ook zó opschrijven, maar ik kan je nu al vertellen dat het bij mij héél anders is gegaan.” Voor dat verhaal zijn we naar hier gekomen, dus starten we de motor maar weer, rijden het dorp binnen, en gaan op zoek naar het etablissement waar Grolloos beroemdste zoon – er staat zelfs een standbeeld voor de lokale kroeg – ons samen met producer/singer-songwriter Daniël Lohues te woord zal staan.


“Hé Lohues!” roept Harry Muskee amicaal wanneer zijn dertig jaar jongere partner in crime de gelagkamer van wijnboerderij Streuer betreedt. De crime die beide Drenten verbindt, heet de blues, die weemoedige, vaalblauwe substantie die bij beide mannen krachtig door de aderen stroomt. Muskee laat zijn blik even rusten op de imposante gestalte van zijn broeder in de blues, constateert dat deze man in black op de kansel niet zou misstaan en slingert hem grijnzend de ironische eretitel ‘Reverend!’ naar het hoofd. Daniel Lohues grijnst terug: deze twee doorgewinterde Drenten zijn zichtbaar aan elkaar gewaagd. Met de monter uitgesproken vraag “Goed te pas?” informeert Lohues in het Drents naar de gemoedstoestand van zijn kompaan. “Goed te pas!” antwoordt Muskee op opgewekte toon. De 67-jarige geeft toe dat hij even schrok toen hij twee jaar geleden een AOW-brief van de overheid mocht ontvangen. Maar oud of afgedaan voelt hij zich nog niet. Laat staan dat er sprake is van een generatiekloof tussen hem en Reverend Lohues. De afgelopen maanden werkten zij als één man aan Cats Lost, het eerste album in elf jaar van Cuby + Blizzards, waarvoor Lohues de muziek schreef en de productie voor zijn rekening nam. Ook moedigde hij Muskee aan om bij het schrijven van de teksten ook eens buiten de beproefde paden van het bluesidioom te treden. Daarnaast vond Lohues zelf ook nog de tijd om zelf een album, Allennig III, op de wankele platenmarkt te brengen.

De grote tafel van Streuers Wijnboerderij blijkt de ideale plek om het meest recente werk van beide Drenten eens naast elkaar te zetten. Vroeger kon de blues overzichtelijk worden samengevat met dat ene, hartverscheurende zinnetje ‘Woke up this morning, found my baby gone’. Nu zingt Cuby over hoe de Amerikanen in Irak de democratie willen afdwingen met de loop van een geweer (Baghdad Blues) of hoe je in Nederland doodgeslagen kan worden wanneer je de pech hebt om iemand tegen te komen die niet gecharmeerd is van de manier waarop je uit je ogen kijkt (Low Country Blues). Waar Muskee wereldwijde, sociale en politieke kwesties aan de kaak stelt, lijkt Lohues het dichter bij huis te zoeken. Allennig III is een intiem album dat wordt gedomineerd door juist dat kleine menselijke leed dat vroeger de thematiek van de blues was. Is het liedje Blief wat an ’t zuuken zunder you, met de openingsregels ”s Morgens direkt al mis/Missen maakt wat lös’ niet de Drentse evenknie van de aloude bluesjammerklacht ‘Woke up this morning, found my baby gone’? En kunnen we daarmee stellen dat Muskee zich heeft ontpopt als de geëngageerde, strijdbare artiest uit de jaren zestig en Lohues een typisch product is van het ik-tijdperk? De mannen denken even na over de prikkelende plaagstoot voordat Lohues als eerste reageert met de opmerking ‘dat die stelling te flauw zou zijn’. “Ik heb de politiek juist heel erg in de gaten gehouden en heb er ook veel liedjes over geschreven. En ook in de serie Allennig-albums staan best wat heftige protestsongs over het milieu en zo. Alleen zijn ze niet boos meer. Ik heb ze allemaal ’s nachts in mijn huiskamer gemaakt. En om die tijd ben je niet verontwaardigd meer.”


Ook Muskee voelt zich niet een typisch kind van zijn tijd. “Ik heb dat provo-gevoel natuurlijk wel een beetje gehad, maar dat gevoel leefde hier in het noorden een stuk minder dan in het westen. En vergeet niet dat ik al negentien was toen de jaren zestig begonnen. Ik kom eigenlijk meer uit de Beat Generation: Jack Kerouac, Allen Ginsberg – die jongens. Kerouacs roman On the Road was voor mij een eyeopener. Hij is degene die de alles-moet-kunnen-doctrine toen al propageerde. Hij en zijn makkers waren al aan de dope en de speed, en samen gingen ze de jazzclubs uitchecken. Kijk, en die levensstijl sprak mij heel erg aan. Maar goed, toen de problematiek met de provo’s in de jaren zestig begon – hoewel, problematiek: ik vond het soms wel grappig wat ze deden – zaten wij hier in het noorden far from the madding crowd, om het zo maar eens te zeggen. We speelden natuurlijk wel vaak in Amsterdam – Paradiso, Fantasio, noem maar op. De eerste keer dat we in Amsterdam speelden, was dat in Sheherazade, een jazzclub waar normaal gesproken keurige ensembles als de Diamond Five speelden en waar ze een band zoals die van ons nog nóóit hadden gehoord. Maar goed, wij waren dus meer met muziek bezig dan met politiek.”

Toch schrijft Muskee anno 2009 wél geëngageerde, bozige nummers als Low Country Blues, een song waarin hij zinloos geweld en onverdraagzaamheid meedogenloos aan de kaak stelt. “Dat nummer schreef ik drie jaar geleden, en het is nu helaas weer ontzettend actueel. Er is net weer iemand doodgeschoten in Amsterdam, we hebben net dat incident op Koninginnedag achter de rug, en zo gaat het maar door. Ik voelde gewoon erg de behoefte om daar iets over te zeggen.” Waar Muskee zijn woede, verbijstering en verontwaardiging over de verruwing van de samenleving openlijk ventileert, lijkt Lohues zich, zowel in zijn liedjes als als publieke persoonlijkheid, iets meer op de vlakte te houden. “Kijk, ik schrijf mijn politieke boosheid weg in mijn columns die ik wekelijks schrijf voor het Dagblad van het Noorden. Verder heb ik mij aangewend om mij in het openbaar niet al te zeer uit te spreken over dit soort gevoelige onderwerpen. De problemen zijn namelijk zo groot en complex. Maar laat ik het dan wat makkelijker zeggen: ik zou zelf eerlijk gezegd liever bij Duitsland horen. Ik vind het in Duitsland veel gezelliger. Veel fijnere mensen, ze gedragen zich beter, ze zijn beleefd en je kunt er goed eten. Kijk alleen maar eens naar het verkeer. De Duitsers staan er wel om bekend dat ze hard rijden, maar ze drukken je niet van de weg af, zoals in hier het westen. Ze zijn wel höflich. Ik vind het in Nederland ook niet altijd even leuk. Ik vind het wel interessant wat er allemaal gebeurt. Nederland lijkt wel een raar, stuurloos schip te zijn gewor-den. Ik heb daar wel degelijk een mening over, maar zing daar in mijn liedjes niet zo expliciet over als Harry dat doet.”


Toch heeft het werk van Lohues – hij won de Annie M.G. Schmidt-prijs voor het beste theaterlied – raakvlakken met de kleinkunst, en impliceert die link geen maatschappelijke betrokkenheid? Met name de pianoliedjes op Allennig III werden gecomponeerd in de Nederlandse cabarettraditie. Jules de Corte, die net als Lohues zijn carrière begon als organist in de katholieke kerk, is hoorbaar een inspiratiebron. En is het niet zo, dringen wij nog een keer aan, dat cabaret per definitie politiek geëngageerd moet zijn? “Ja dat is zo,” beaamt de lijvige zanger. “En een nummer als De horizon komp kichterbij is dat in feite ook. Dat is een protestsong die beweert dat vooruitgang ook achteruitgang kan wezen. Maar verder is dit voor mij een serie albums – ik maak er hierna nog één – waarvoor ik mooie, kleine liedjes wil maken.” En mooi zijn ze, die liedjes. Deze regels uit Zowat altied bijna bijvoorbeeld. “Mooi allennig is goed te doen/As iedereen nou en dan belt/En elke dag kom jij aobends langs/Niet in ’t echt maar toch… /Bijna, bijna/Bijna kan ik joe dan heurn/Bijna voel ik joe hier/zowat altied bijna.” De kleinkunstblues van Lohues mag dan anders zijn dan die van zijn blues brother Muskee, het zieleleed is er niet minder om.

Wat het gevoel van de blues voor hen persoonlijk heeft betekend, daar zouden Muskee en Lohues uren over kunnen praten. Met name Muskee heeft in de loop der jaren veel meegemaakt met die muziek die hij op zijn nieuwe album ‘a bad habit’ noemt. Als je vijftig jaar een relatie met iets of iemand hebt, dan zijn er onvermijdelijk ups en downs. “Op een gegeven moment was ik inderdaad een beetje flauw van steeds maar weer ‘Woke up this morning’,” bekent hij in afgemeten Drents. Laatst schreef een recensent over de Blues Night in de Groningse Oosterpoort dat er nog één zanger was geweest die het had aangedurfd om ‘Woke up this morning’ te zingen. “Die uitspraak zegt voor mij alles. Maar ook in Amerika waren ze het een beetje zat. Toen ik begon, zat de Mississippi Delta nog vol bluesmuzikanten. Maar nu is iedereen weggetrokken. Naar de auto-industrie van Detroit of de slachthuizen, de killing floors, van Chicago. De mensen die achter zijn gebleven, willen niet meer naar de blues luisteren. Voor hen is dat Uncle Tom-music, muziek die hen doet denken aan slechte tijden. Niet dat het veel heeft uitgemaakt: de blues mag dan weg zijn, maar slecht hebben ze het nog steeds. Ook voor mij is het niet altijd rozengeur en maneschijn geweest. Ik heb veel voor die muziek moeten laten, maar ik heb er veel voor teruggekregen. Ik had het voor geen goud willen missen.”


Daniël Lohues, die met zijn Louisiana Blues Club ook een echte bluesband heeft, spreekt van een liefde-haatverhouding. “De blues is geen sprookje, maar eerder een voodoo-ding,” poneert hij met grote stelligheid. Iedere positieve ervaring die je hebt met die muziek moet je onherroepelijk terugbetalen met iets dat slecht afloopt. Een voorbeeld? Toen ik daar was om de documentaire Hoogste tied veur de blues te draaien, slaagde ik er vlotjes in om de goede contacten te leggen. Daar stond tegenover dat ik snel daarna wel een goede vriend uit een crackpand moest halen. Dat is spooky shit hoor, het is daar in de delta echt niet pluis! De derde wereld in het rijkste land van de wereld – zó noem ik het weleens. Niet dat ik iets tegen Amerika heb. Ik mag het altijd graag voor dat land opnemen. Zeker nu het Obamanisme als een frisse wind door het land waait.”

Het verhaal van Lohues brengt ons bij de hamvraag: is het noordoosten niet altijd een beetje de derde wereld van Nederland geweest? En gezien die positie, net als de Mississippi Delta, de enige plek in het land waar de blues, die plattelandsmuziek van lijden en afzien, heeft kunnen ontstaan? Lohues lacht, en Muskee haalt z’n schouders op. “Ach die vermeende armoede is dikke onzin, een verzinsel van de Hollanders. Heb je weleens foto’s van de grote steden aan het begin van de vorige eeuw gezien? Dát was pas armoede. Veel van die stedelingen kwamen uit pure wanhoop hier in het noorden werken, en het waren de foto’s die van hén werden genomen die moesten bewijzen hoe arm ze het hier hadden. Maar verder zit er wel wat in die vergelijking: de blues is en blijft plattelandsmuziek – óók in Amerika. Maar ik moet wel zeggen dat de meest obscure vormen van country hier in het noordoosten nog véél populairder zijn.”


Muskee denkt er nog anders over. “De vergelijking is mooi,” beaamt hij, “maar daar heb ik het niet vandaan. Ik leerde de jazz en de blues kennen door Willis Connover, een diskjockey van de radiozender The Voice of America. Die man heeft heel Europa en het Oostblok aan de jazz en de blues geholpen. Bij hem hoorde ik de muziek die ik toen wilde spelen en nog stééds wil spelen. Eigenlijk had ik bedacht dat Cats Lost mijn laatste album zou zijn. Ik loop per slot van rekening al naar de zeventig. Maar door de samenwerking met deze reverend hier, heb ik de smaak weer hélemaal te pakken.”

Cuby + Blizzards: Cats Lost

Daniël Lohues: Allennig III

import muziek