‘Brussel heeft geen gezicht’

Politiek filosoof Luuk van Middelaar (1973) schreef ‘De passage naar Europa’ over de Europese geschiedenis. Een gesprek over ontroerende politiek, Tony Blair als Europees boegbeeld en de impopulariteit van Brussel. ‘Woede is ook een vorm van betrokkenheid.’ door Meike Wijers, foto’s Arenda Oomen

Voor veel mensen blijft Europa een ver-van-mijn-bedshow. Hoe komt dat?

“Het belangrijkste misverstand is dat mensen denken dat Europa zich alleen in Brussel afspeelt. Terwijl Europa ons allemaal aangaat. De regeringsleiders zijn de baas. Balkenende en zijn collega’s nemen samen alle belangrijke beslissingen in Europa.”

Toch voelt het voor veel mensen niet zo. Zij hebben niet het idee dat ze invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming in Brussel.

“Terwijl ze dat wel kunnen! Maar zelfs Tweede Kamerleden zien Brussel als iets waar ze buiten staan. Zij zeggen tegen eigen partijgenoten die in het Europees Parlement zitten: wat hebben júllie nu weer besloten? Met ‘jullie’ bedoelen ze Europa. Dat is heel eigenaardig, want het Europees Parlement neemt nooit een besluit waar de Nederlandse regering niets van weet. Die Tweede Kamerleden zouden juist de eigen ministers die in Brussel vergaderen moeten bestoken met volgens hen dringende zaken. Maak ze het leven zuur, zorg dat ze in Brussel precies doen wat jij wilt! Die invloed hebben Kamerleden, ze maken er alleen weinig gebruik van.”

Als het voor volksvertegenwoordigers al moeilijk is, kun je van burgers toch moeilijk verwachten dat zij hun stem wél laten gelden?

“Ja, het staat natuurlijk heel ver van de mensen af.”

Waar ligt het toch aan dat er zo’n onjuist beeld heerst?

“Het heeft te maken met hoe de Europese Unie is begonnen. Helemaal in het begin was het ideaal: we gaan een Europese federatie maken. Dat was het idee van de grondleggers van de Kolen- en Staalgemeenschap in 1950. Na de twee wereldoorlogen wilde men voorkomen dat zoiets nog een keer kon gebeuren. Ze wilden de nationale staten ontmantelen. Dat zou een nieuw begin markeren, een nieuw Europa. Misschien wel het einde van de nationale staten, naar Amerikaans voorbeeld. Daardoor zijn mensen nog steeds argwanend.”


Men is bang dat Europa hun nationale soevereiniteit afpakt?

“Ja. Terwijl het zo helemaal niet is gegaan. Het Europa dat er nu is, werkt absoluut niet zo. Als je goed kijkt, zie je dat het Europa waarin we nu leven het Europa is waar de nationale staten de baas zijn. We zitten met alle landen samen aan tafel.”

In uw boek beschrijft u de drie ‘sferen’ van de Europese politiek. U houdt een fel betoog voor het belang van de ‘tussensfeer’, die volgens u onderbelicht wordt. Leg eens uit?

“Men richt zich vooral op de binnensfeer en de buitensfeer. De binnensfeer staat voor de Brusselse instellingen die de verdragen maken, de buitensfeer representeert de natiestaten die volharden in het najagen van nationale belangen. In de tussensfeer komen deze twee uitersten samen. Dat is de wereld van de dubbele rollen, daar zijn de mensen Europeaan en nationaal politicus tegelijk.”

Kunt u een voorbeeld geven?

“Neem de kredietcrisis. Dat is een gebeurtenis die totaal onvoorspelbaar was. We hebben geen Europees verdrag waarin staat wat te doen als er een financiële crisis komt. Toen bleek dat de binnensfeer, de mensen van de verdragen, weinig kon doen. Commissievoorzitter Barroso is verweten dat hij te weinig initiatief toonde. Alle actie ging uit van de Franse president Sarkozy, die op dat moment voorzitter was van de Europese Raad van regeringsleiders. Hij ging meteen overal naartoe, met de Franse én de Europese vlag op zijn limousine. Hij sprak namens alle Europese landen. Sarkozy droeg als het ware twee petten, die van Frankrijk en die van Europa. Dat is de tussensfeer die uiteindelijk het meest teweegbrengt.”


U vergelijkt deze tussenwereld in uw boek met het vagevuur. Wat bedoelt u daar precies mee?

“Met deze metafoor wilde ik de tegenstellingen doorbreken. De ‘hemel’ staat voor de wereld van het verdrag als een soort voorhoede van de wereldvrede. De hel staat voor de ‘oude’ wereld van oorlogen tussen Europese landen, waar we nu aan ontsnappen. In 1950 hadden ze het idee: we springen in één keer van de hel naar de hemel. Maar dat ging natuurlijk niet. Ik wil laten zien dat er toch wel iets is veranderd en dat een nieuwe sfeer zich tussen deze werelden heeft gewurmd. In de tussenwereld jagen landen nog steeds hun eigen belangen na, maar ze worden ook steeds meer gedwongen samen te werken en niet meer bij elkaar binnen te vallen. Er wordt niet meer door soldaten over de Rijn gemarcheerd, dat is toch een hele voorruitgang.”

Naast de tussensfeer heeft u het ook over de politicus als ‘tijdskunstenaar’. Hoe gaat zo’n kunstenaar te werk?

“De politiek moet steeds een antwoord vinden op unieke situaties. De wereld is steeds weer anders, hij staat nooit stil. Dat klinkt als een cliché, maar het wordt vaak vergeten. Samenlevingen hebben politiek om hier een antwoord op te verzinnen, om als het ware grip te krijgen op de tijd. De toekomst is best eng; om die in het gareel te krijgen heb je politici nodig. Politiek kan mensen doen beseffen dat we zelf ook invloed hebben op wat er met ons als samenleving gebeurt, ook al voelen we ons soms een willoos scheepje op de golven van de geschiedenis.”

Helaas lukt dat lang niet altijd.

“Nee. En de kunst van de politicus kan ook het resultaat zijn van heel menselijke dingen. De zwakheden of ijdelheden van de politicus kunnen hier een rol in spelen. Mensen willen dat liever niet zien, ze willen alle vetrandjes ervan af snijden. Zo van: dit is nu een echt schoon stukje politiek. Terwijl dat vet er gewoon bij hoort. Dat zorgt ook voor beweging en aandacht. En het houdt politiek spannend.”


Wat boeit u zo aan het politieke spel?

“Als historicus of schrijver leer je de feiten te beschrijven. Maar als politicus máák je feiten. En als een beslissing wordt aanvaard, schept dat een nieuwe situatie. Dat is een heel bijzonder moment, waarin samenlevingen hun eigen lot vormgeven. Ik vind dat zelfs ontroerend.”

Ontroerend?

“Ja, enorm. Op zulke momenten zie je de menselijke vrijheid aan het werk. Dat niet alles ons zomaar overkomt, maar dat we grip hebben. Het mooiste is natuurlijk als er een dramatische politieke beslissing wordt genomen, niet alleen door de bestuurders, maar door een samenleving als geheel. Dus bij verkiezingen. Als in één keer alles kantelt. Dat zag je weergaloos bij de verkiezing van Barack Obama. Niet voor niets kregen zo veel mensen daar kippenvel van.”

Hoe kan Europa meer tot de verbeelding gaan spreken bij de Europese burgers?

“Dat zit voor een belangrijk deel in gezichten, politici die bekend zijn vanwege hun Europese rol. Het gaat er niet om dat Europa ingewikkeld is. De Nederlandse Grondwet leest ook niemand. Maar mensen weten: Balkenende zit in het torentje, Bos past op het geld. Het is een soort theater. De Bos-en-Balkenende-voorstelling, een wekelijks feuilleton. Daar kunnen mensen zich aan ergeren, blij mee zijn, zich mee identificeren of juist niet. Het maakt deel uit van hun dagelijks leven. Die gezichten ontbreken in Europa. Juist die gezichtloosheid van Brussel zorgt voor ongenoegen.”

Wie zou het gezicht van Europa kunnen zijn?

“Tony Blair zou kunnen, ik noem maar iets. Mogelijk komt er een vaste voorzitter van de Europese Raad van regeringsleiders, voor vijf jaar – als de Ieren alsnog ja zeggen tegen het nieuwe verdrag. Dan komt er een einde aan de situatie dat je elke zes maanden een andere Europese voorzitter hebt, zoals in de tweede helft van het vorig jaar de Franse president Sarkozy. Blair die vijf jaar lang het gezicht van Europa zou zijn, is iets heel anders dan wanneer Sarkozy als voorzitter van de Europese Raad naar het Witte Huis gaat. Nationale leiders hebben altijd een nationale en een Europese pet op. En Blair, of wie het dan ook mag worden, heeft dan alleen nog die Europese pet.”


Sommige spannende gebeurtenissen die u beschrijft, zouden zó verfilmd kunnen worden. Welk hoofdstuk is uw favoriet?

“Het hoofdstuk met het verhaal dat zich afspeelt in een prachtig veertiende-eeuws fort in Milaan. In juni 1985 vond daar een top plaats van regeringsleiders, met een fantastische cast. Margaret Thatcher op het hoogtepunt van haar macht, François Mitterrand en Helmut Kohl, die toen al heel goed samenwerkten als Franse en Duitse leiders. En Bettino Craxi, die toen de Italiaanse premier was. Die toppen stonden altijd in het teken van het samenkomen, kennismaken, standpunten uitwisselen en weer naar huis gaan. Er werden nooit echte besluiten genomen. Craxi stond onder grote druk om resultaat te boeken tijdens de top. Er stonden duizenden demonstranten buiten. Hij wilde een nieuw verdrag, maar dat zag Thatcher niet zitten. Toen haalde hij een truc uit. Hij stelde voor om bij meerderheid te stemmen of er wel of niet gepraat zou worden over het nieuwe verdrag. Zoiets had zich nog nooit voorgedaan. Er barstte een enorm geweld los. De Deense regeringsleider riep: ‘verkrachting!’, de Griekse leider zei: ‘staatsgreep!’. En Thatcher gedroeg zich, zoals haar woordvoerder later verklapte, als een uitbarsting van de vulkaan de Krakatau. Maar toch gingen ze stemmen. Zeven tegen drie.”

U noemt dit in uw boek het geheim van de tafel.

“Ja. Dit zette van alles in beweging, ook al ging het besluit er alleen om of ze wel of niet gingen praten. Het geheim van de tafel is dat je eromheen gaat zitten om te praten. Dan komt er altijd iets uit. Een van de ministers heeft toen anoniem over Margaret Thatcher in de Financial Times gezegd: ‘Als we haar bij de trog krijgen, dan zal ze wel drinken.’ En zo werkte het ook. Ja, daar zou ik wel een film over willen zien.”


Wat zijn uw verwachtingen van de opkomst bij de komende verkiezingen voor het Europees Parlement?

“Ik denk dat er meer wordt gestemd dan de keer hiervoor. In 2004 ging 39 procent van de Nederlanders stemmen, vijf jaar daarvoor was dat slechts dertig procent. Ik denk dat mensen nu meer belangstelling hebben voor politiek dan in de jaren van de twee Paarse regeringen, toen alles goed ging en kalm was. In de tijd van Fortuyn groeide de woede tegen Europa. Er kwamen allerlei vragen over de nationale identiteit en veiligheid. En in 2005 ging meer dan zestig procent van de mensen stemmen bij het Europese referendum. De woede over de Europese Grondwet heeft volgens mij veel mensen bewust gemaakt van de Europese politiek.”

Begreep u de tegenstemmers van het referendum voor de Europese Grondwet?

“Er waren mensen die zeiden dat de afwijzing van de Grondwet alleen een protest was tegen de eigen regering. Dat geloof ik niet. Het is heel belangrijk dat mensen hun stem hebben laten horen. Of dat nu een angstkreet was of woede, of een rationele afweging. En er is ook wel wat veranderd sindsdien.”

Tegenstanders zeggen dat de Grondwet nu via de achterdeur toch is ingevoerd, omdat in het opvolgingsverdrag van Lissabon eigenlijk hetzelfde staat. Is het fopperij?

“Nee. Want de symboliek van de Grondwet hoorde er echt bij. Het maakt wat uit of je een wet een verdrag of een grondwet noemt, of je het over een vlag of een logo hebt, dat er een Europese minister van Buitenlandse Zaken is in plaats van hem de meer bureaucratische naam ‘hoge vertegenwoordiger’ te geven. Dan kun je zeggen: dat is alleen maar cosmetica. Maar het raakt wel de kern van de zaak. Juist die symboliek zegt iets over de manier waarop je mensen tegemoet treedt.”


Nu is er meer aandacht voor de verkiezingen, mede dankzij de PVV en de SP, die tégen Europa zijn. Geldt volgens u ‘there is no such thing as bad publicity’?

“Ja, want dat is ook aandacht. Ik vind niet dat als de Europese politiek betrokkenheid wil van mensen, ze moeten verwachten dat iedereen beleefd ‘ja’ knikt. Woede is ook een vorm van betrokkenheid.”

Heeft u een tip voor de mensen die een stemkaart op de deurmat hebben gevonden?

“Ja, ga stemmen! Denk niet: ‘Dat idee komt uit Europa, ik weet niet wie daar in Brussel over gaat. Dus laat maar zitten, ik word wel chagrijnig en scheld een beetje.’ Nee, belaag je eigen politici. Blijf in ieder geval niet thuis.”

import vraag en antwoord