‘Ik heb echt nergens talent voor’

Iedereen kent hem als de narrige, soms felle voetbalanalist op de tv. Maar hij schrijft ook boeken. Zoals Alle ballen op Heintje. 51 vrijpostige vragen aan Hugo Borst (46). Over hoeren, beledigen en angst. ‘Ik slik al tien jaar Seroxat.’ door Roos Schlikker, foto’s Arenda Oomen

Alle ballen op Heintje is in 2004 al uitgekomen. Je hebt er nu een nogal pijnlijke epiloog bij geschreven.

“Ik heb deel één ooit voor de Bijenkorf gemaakt. Dat was een gaaf boekje met jeugdherinneringen, vooral aan het voetbalelftal waarin ik als jongetje speelde. Ik was destijds idolaat van Hein; die kwam er dus nogal veel in voor.” Hein was de enige donkere speler in het elftal. Een jongen met spieren als kabels en een veel betere voetballer dan jijzelf, een mager min mannetje.

“Ja, ik adoreerde hem. Als volwassene kwam ik hem weer tegen. Een paar jaar geleden werd hij ziek. Hij kreeg nierkanker en is in maart dit jaar overleden.” En dat zag je als een perfecte aanleiding om je boekje uit te breiden?

“Het leek me wel een bijzondere twee-eenheid, ja. Eerst de herinneringen aan vroeger en toen de laatste maanden van zijn leven, waarin hij zo ziek was. Hij is in twee jaar tijd gesloopt.” Wat viel je het meest op in die tijd?

“Dat hij zijn waardigheid heeft behouden. Hij wist dat hij een vrouw achterliet en twee kinderen, van tien en twaalf. Je denkt daar dan over na: goh, hoe zou ik daarmee omgaan? Wat ik zo bijzonder vind, is dat ik nooit paniek bij hem heb gezien.” Jij zou zelf wel in paniek raken als je wist dat je kort te leven had?

“Ik weet het niet, misschien wel, ja. Ik heb nog zo veel te doen. Dat zou ik denken. Wat natuurlijk ook maar een overdreven gedachte is, want het maakt helemaal niet uit wie wanneer de pijp uit gaat. De wereld kan heel goed zonder jou.” Heins sterven beschrijf je in het boek als een tamelijk heroïsch einde. Dat past heel goed bij de held die hij in jouw jeugd was. Stel dat hij kermend, zich verzettend, niet-moedig ten onder was gegaan? Had je dat ook eerlijk kunnen opschrijven?


“Zeker. Ik ben een echte non-fictieman, dus ik hou niet van manipuleren of afzwakken. Maar dat het anders was gegaan, is bijna niet voor te stellen bij hem. Niet alleen fysiek was het een imponerende verschijning, mentaal was hij ook sterk. Hij durfde iedereen te trotseren. Zijn bazen, zijn trainers, de scheidsrechters. Iemand met een ontzettend groot rechtvaardigheidsgevoel, die… Ja, als één woord op hem van toepassing is, is het kracht, levenskracht. En ook in zijn sterven heeft hij zich krachtig getoond.” Schrijven over zo’n sterfgeval wordt bijna altijd larmoyant en sentimenteel.

“Daar was ik me van bewust. En ik haat sentiment, dus ik heb mijn best gedaan er geen tranentrekker van te maken.” Ik vind het hele boek erg nostalgisch. Om niet te zeggen lief.

“Dat is het ook.” Je programma Over vaders en zonen ademt ook een zekere romantiek. Hoe komt het dat dat in jouw werk sluipt?

“Ik ben een nostalgisch ingesteld mens.” Ben je dat altijd al geweest of begin je een oude man te worden?

“Altijd al geweest. Ik ben iemand die dingen heel snel idealiseert. Dat deed ik vroeger met Heintje; ik keek als kleine jongen met open mond naar zijn dappere verschijning. En zo heb ik meer helden gehad. Jan Wolkers bijvoorbeeld. Met hem heb ik gedweept. Nog trouwens.” Je bezit dus het vermogen tot bewonderen, maar wat is die hang naar nostalgie?

“Ik vind het prettig voor mezelf te benoemen hoe mooi het vroeger allemaal was. De sfeer van de voetbalclub, dat vriendelijke groepsgevoel. Ik ben in wezen een zeer gemoedelijk mens. De boeman in mij krijgt meer aandacht dan mij lief is, maar dat komt doordat ik een vervelende moralistische inslag heb. En ik kan natuurlijk ook snoeihard zijn.” Niet in je boeken en ook niet nu je hier tegenover me zit. Is dat harde, bozige een rol die je je op de televisie aanmeet omdat je weet dat het kijkers trekt?


“Nee. Ik ben nu eenmaal heel temperamentvol. Dat heb ik van mijn moeder. Mijn vader was juist erg diplomatiek. Misschien zijn beiden in mij verankerd.” Wanneer komt de diplomatie naar boven?

“Ik heb heus weleens een ruzietje bijgelegd. Maar de diplomatieke kant is wel behoorlijk onderontwikkeld. Het temperament is vele malen sterker dan de diplomatie.” Ironisch: “De verhoudingen liggen helemaal scheef, mevrouw.” Zou je meer op je vader willen lijken?

“Soms. Mijn vader is in augustus gestorven. Hij was een gentleman, een echte diplomaat. Hij werd bij de amateurvoetbalclub uitgeroepen tot wijze man. Hij heeft menig fusie begeleid.” Stiekem wil je dat ook.

“Ja. Maar het temperament zit in de weg. Daar kan ik niets aan doen. We zijn allemaal slachtoffer van onze eigen biologie, hè.” Je lijkt je anders weinig te verzetten tegen die biologie. Op dat temperament van je heb je je halve carrière gebouwd.

“Absoluut. Mijn temperament maakt mij een weerbarstige man op televisie, en dat werkt blijkbaar. Maar ik ben echt niet alleen maar kwaad. Ik ben een interviewer. Ik ben een journalist. Ik kan heel goed luisteren.” Dat is niet het gedeelte dat de mensen van je kennen. Vraag op straat wat ze van Hugo Borst vinden en ze zeggen: “Dat is die schreeuwerige man op de tv.”

“Ja, ja, ja, ik weet het. Soms is dat jammer. Ik kan me uitzendingen herinneren dat ik een en al oor was, niets dan intelligente opmerkingen heb gemaakt, invoelend was… Die zijn allemaal meteen vergeten.” Voel je je miskend?

“Nee, hoor.” Zo klink je nu wel.

“Welnee. Ik kan mij zelf het best beoordelen. Het is soms natuurlijk heel verleidelijk me te laten beïnvloeden door de agressieve en verwijtende toon van mails en reacties die ik krijg. Als je dat leest, kun je weleens denken: doe ik het niet goed? Maar ik kan mezelf heel goed beschouwen. Ik weet uitstekend wat ik kan en wat ik niet kan.” Wat kan je niet?


“Ik ben geen intellectueel.” Waaruit blijkt dat?

“Je bent een intellectueel als je belezen bent. Als je je verdiept hebt. Ik heb daar te weinig bagage voor. Ik ben gewoon een havo-klant die in de sportjournalistiek is begonnen en daarna verder omhoog is geklommen.” Als je je wilt verdiepen, doe je dat toch?

“Ik zou graag ergens de tijd vandaan halen om dat voor elkaar te krijgen. Maar ik doe te veel. Ik heb een voetbalelftal, ik steun een goed doel met dat voetbalelftal, ik heb familie, ik heb een zekere vriendenkring, ik ben redacteur van Hard Gras, ik schrijf vier columns in de week. En dan heb ik ook nog eens ontzettend veel te lezen op het gebied van voetbal. Ja, dat moet allemaal bijgehouden worden, hoor. De Donald Duck onder de voetbalbladen, Voetbal International, moet nu eenmaal van voren tot achteren worden gespeld. Maar naast mijn bed ligt ook een stapeltje literatuur voor straks in de zomer. Soms lukt het me in bed een kort literair verhaal te lezen. Daar word ik dan wel heel gelukkig van.”

Vanwaar de behoefte om zo veel te doen en je op zo veel plekken te manifesteren?

“Het is allemaal vanzelf gegaan. Ik heb het steeds drukker gekregen. Vroeger had ik het helemaal niet druk.” Het klinkt nu net alsof alles jou overkomt.

“Dat vind ik ook wel, ja.” Zou je dan niet eens wat meer de regie in handen moeten nemen? Kom op, je bent 46.

“Ja, maar wacht even, er moet ook nog geld worden verdiend.” Zeg je vanwege het geld nooit nee?

“Ik zeg heus weleens nee. Ik kan in de raarste uithoeken over mijn professie als voetbalprofessor vertellen; bij allerlei voetbalclubs en zo. Dat doe ik soms, maar als het te ver is of als er te weinig vergoeding tegenover staat, zeg ik echt nee. Het is overigens niet zo dat ik geen tijd heb voor leuke dingen. Volgende week ga ik met een vriend meedoen aan een pokertoernooi in Portugal.” Daar kun je ook veel geld mee verdienen, heb ik begrepen.


“Zeker, hoofdprijs anderhalve ton, maar daar ben ik niet goed genoeg voor. Het zal nooit zover komen, want daarvoor is een hoop studie vereist, maar in mijn diepste wezen zou ik wel pokerprof willen zijn. Dat lijkt me heerlijk, zeg. Nooit meer een mening over voetbal hoeven hebben.” Hou op, dat wil jij helemaal niet. Jij wilt heel graag je mening laten horen.

“Dat kan dan toch aan de bar van de voetbalclub?” Jij hebt toch behoefte aan een groot publiek?

“IJdelheid is mij niet vreemd. Maar ik denk dat ik het zou kunnen zonder publiek. Mijn fantasie is dat ik hier in mijn kantoor heel goede boeken ga schrijven en min of meer van de tv verdwijn.” Wanneer moet die droom uitkomen?

“Over een jaar of tien. Eerst moet ik mezelf nog verder ontwikkelen. En exploiteren, dat ook. Als ik ooit wat meer economische zekerheid heb, kan ik iets met die romantische gedachte doen en alleen maar mooie non-fictieboeken schrijven.” Dus je hoereert jezelf nu naar financiële onafhankelijkheid.

“Precies. Je moet de prostituee in jezelf nooit onderschatten. Niks mis mee, zolang je het maar leuk vindt. Er zullen ook genoeg hoeren zijn die plezier hebben in hun werk.” Lachend: “Moet je me nu niet vragen of ik weleens naar de hoeren ga?” Ga je weleens naar de hoeren?

“Nee, nooit gedaan.” Dat doet iedere man toch?

“Zeg, je lijkt Marilyn French wel, wat is dat voor feministisch gedoe? Natuurlijk gaat niet elke man naar de hoeren. Ik weet zeker dat mijn vader nooit naar de hoeren is geweest en ik ook niet. Misschien doe ik het ooit als ik een jaar of 57 ben en erectieproblemen heb. Maar ik vind dat je nogal een drempel over moet, hoor.” Wat is die drempel?


“Dat je ervoor moet betalen! Kom op zeg, laat ze mij lekker betalen.” Heb jij groupies?

“Er zijn vrouwen die me schrijven, ja. Bewonderende teksten. Soms met het verzoek om eens langs te komen. Doe ik natuurlijk niet. Ze sturen namelijk nooit een foto mee en om daar nou om te vragen, vind ik wat onbeleefd. Ik schijn trouwens zelfs in de leuke-mannentop-20 van Opzij te hebben gestaan.” Ik betwijfel of die lezeressen echt jouw doelgroep zijn.

“Heleen Mees is niet te versmaden, hoor.” Waar val je op bij een vrouw?

“Ik ben daar helemaal niet zo mee bezig, want ik ben hartstikke getrouwd.” Natúúrlijk, maar jij kijkt toch ook om je heen.

“Ik heb laatst voor Esquire een lijstje gemaakt met vrouwen die ik aantrekkelijk vind en daar stond Heleen Mees hoog op genoteerd. Maar ook Neelie Kroes stond ertussen.” Sorry?

“Dat vind ik nou een karaktervolle vrouw.” Ja, maar je gaat toch niet alleen met karakter naar bed?

“Ach, je kunt best stellen dat Neelie Kroes op een leeftijd is dat het verval zichtbaar aanwezig is als je daarmee tussen de lakens terecht zou komen. Maar dat zou mij niet afschrikken.”

Je schijnt vroeger zo’n schuchter verlegen jongetje te zijn geweest. Hoe is dat overgegaan?

“Ik weet niet of dat helemaal is overgegaan. Alleen als ik ontspannen ben en de omgeving veilig vind, kom ik tot ontwikkeling. Pas dan heb ik die felle uitbarstingen ook. Maar daar zit eerlijk gezegd vaak best wat bluf bij. Ik heb geleerd me soms door het leven heen te bluffen. Een grote mond opzetten helpt nu eenmaal. De voetbalwereld is een machowereld. Na 25 jaar sportjournalistiek sta ik mijn mannetje inmiddels wel. Ik heb ook eigenlijk geen ontzag meer, voor niemand. De Hiddinks, de Van Gaals, ik trotseer ze allemaal.” Het klinkt als een lange weg die je hebt bewandeld.


“Ja, maar dat hoort bij me. Het gaat nooit vanzelf. Ik heb nergens echt talent voor. Niet voor schrijven, niet voor voetballen. Ik heb alles altijd moeten leren.” Je bent een laatbloeier.

“Heel erg. In mijn jeugd ook. Tijdens mijn puberteit heb ik ook zo met mezelf in de knoei gezeten. Het duurde lang voor ik er uit was.” Wat maakte je onzeker?

“Ik ben heel lang de kleinste van de klas geweest. De meisjes op wie ik viel, zagen me totaal niet staan. Het enige wat ze deden, was me bemoederen. Dat wil je echt niet op die leeftijd, hoor.” Ach gossie. Was dat de ongelukkigste periode uit je leven?

“Nou, ook toen ik wel ging groeien, was ik nog een tijd erg ongelukkig. Niet dat ik er uit wilde stappen, maar ik wist gewoon niet wat ik met mijn leven aan moest. Ik dacht regelmatig: jezus, moet ik nog zo lang? Pas toen ik begin twintig was en in de sportjournalistiek belandde, ging het beter.” Wanneer vond je jezelf voor het eerst enigszins geslaagd in je werk?

“Toen ik De Coolsingel bleef leeg had geschreven, een voetbalboek dat heel goed werd ontvangen. Daar heb ik zelfs een nominatie voor De Gouden Uil voor gekregen.” Is die bevestiging belangrijk voor je?

“Natuurlijk. Niemand kan zonder bevestiging, want het helpt je jezelf wat meer te overtuigen van je kunnen. Ik ben daar heel gevoelig voor. Inmiddels iets minder dan vroeger, maar toch. Ach, iedereen is uiteindelijk zo onzeker als de pest.”

Je hebt eens gezegd dat beledigen net zo lekker is als een zaadlozing.

“De knipselmap is meedogenloos, hè, mevrouw?” Het is jouw citaat, hoor. Daar mag ik toch op terugkomen?


“Natuurlijk. En inderdaad, het is wel heel fijn om mensen te beledigen die het verdienen.” Willen beledigen, is dat niet wat puberaal?

“Misschien. Maar het is nu eenmaal een wezenlijk deel van mijn karakter om mensen die fouten maken terecht te wijzen. En om die ook te beledigen.” Is dat echt nog steeds zo prettig of neemt het genot af nu je ouder wordt?

“Ik vind het nog steeds heel fijn om Louis van Gaal te bashen, merk ik. Waar ik dan altijd bij zeg, en dat doe ik ook nu weer, dat hij een absolute vakman is. Ik heb grote bewondering voor Louis van Gaal. Maar als mens heb ik er geen achting meer voor.” Jullie hebben ruzie omdat hij beweert dat jij zijn telefoonnummer aan iemand hebt gegeven terwijl hij dat niet wilde.

“Ja, en dat was dus pertinent niet waar. Maar hij belde me woedend op en explodeerde.” Exploderen doe jij ook regelmatig.

“Maar ik ben iemand die, als-ie te ver is gegaan, zijn excuses zal aanbieden. Louis van Gaal had in dit leven al tien keer zijn excuses moeten aanbieden aan allerlei mensen, maar dat laat hij na. Dat maakt hem tot een kleingeestig mannetje.” Ben je door zo’n persoonlijk akkefietje ook harder over Van Gaal dan over een andere trainer?

“Ik heb me inderdaad erg opgewonden over de klap die hij laatst op de camera van de NOS gaf. Een criminoloog heeft na onderzoek geconstateerd dat agressie tegen journalisten toeneemt. Van Gaal geeft het voorbeeld. En ook daar weer dat gebrek aan excuses.” Maar mijn vraag is of je hem dat door jullie persoonlijke conflict zwaarder aanrekent dan een ander.

“Nou, ik ben wel helemaal klaar met Louis van Gaal, moet ik zeggen. Ik zal nooit meer in mijn leven met hem aan wat voor tafel dan ook gaan zitten.” Dat is geen handige houding voor een journalist. Je moet toch met iedereen in gesprek kunnen gaan, juist omdat je hun de vervelende vragen moet kunnen stellen?


(Even stil) “Daar heb je misschien gelijk in… Maar ja, mijn rechtvaardigheidsgevoel is blijkbaar groter dan mijn journalistieke ziel, denk ik.” Over welke van jouw beledigingen ben je zelf erg tevreden?

“Ik heb de dame van de Raw Food-beweging in De Wereld Draait Door goed aangepakt. Zij gaf haar kind alleen maar rauw voedsel te eten, waardoor dat jongetje een groeiachterstand had. Toen ik dat kind zag, kwam er bij mij een raar paternalistisch gevoel boven. Ik vond het zó verkeerd wat die vrouw deed en ben behoorlijk tekeergegaan. Sommige mensen vonden dat ik dat niet kon doen waar dat kind bij was, maar anders had ze volgens mij nooit geluisterd.” Denk je op het moment dat je zo uit je slof schiet ook: dit is goeie tv?

“Ja. Daar doe ik het niet voor, maar het gaat wel door mijn hoofd.” Je zegt de dingen vaak met grote stelligheid. Twijfel je weleens aan jezelf?

“Heel erg. Maar meestal achteraf. Dan vraag ik me af of ik goed zat of niet. Maar meestal zit ik goed.” Wanneer zat je fout?

“Ik heb over Van Gaal geschreven dat hij moest worden ontslagen als trainer van AZ. Dat kan ik nu natuurlijk geen vooruitziend inzicht noemen van mezelf. Ik heb me toen te veel laten leiden door rancune. Moet ik niet meer doen. Ik heb een persoonlijke mening over Van Gaal maar moet ook zijn kwaliteiten erkennen.” Waarin ben je zelf het meest te beledigen? Wat is jouw achilleshiel?

“Ik laat me niet meer zo snel beledigen, want je krijgt tegenwoordig sowieso de raarste verwensingen in je mailbox. Ik roep een zekere agressie op met mijn verschijning. Mensen zeggen vaak dat ik onverzorgd ben. Op een gegeven moment ben je daar niet meer door te raken.”


Word je weleens bedreigd?

“Ik krijg soms mailtjes binnen met teksten als: ‘Ik breek je poot.’ Ik mail altijd terug dat ik het liefst heb dat ze dan mijn linkerbeen nemen want ik schiet rechts.” Is dit een stoere houding of ben je echt niet bang?

“Ik ben niet bang, totaal niet.” Ook niet als je naast je vriend Hein zit die sterft? Iedereen krijgt dan toch last van doodsangst?

“Nee, want of je jong doodgaat ligt al in je genen besloten, je doet er niets meer tegen. Dat vind je misschien rationeel klinken, maar dat ben ik waarschijnlijk ook. Kijk, ik weet heel goed wat angsten zijn en daar slik ik al tien jaar lang elke dag een halfje Seroxat tegen. Helpt enorm goed.” Jij bent dus chemisch niet bang.

“Mijn psychiater zei me destijds: ‘U mist een stofje in uw hersenen en als u dat in de vorm van een pilletje neemt, wordt uw leven een stuk aangenamer.’ Toen zei ik: ‘Ja, maar ik ben bang voor medicijnen.’ Hij antwoordde: ‘Dat hoort precies bij uw probleem.’ Hij had gelijk. Mijn leven is er met die pillen een stuk prettiger op geworden.” Hoe hoop je na je dood herinnerd te worden? Als de tv-man met die grote bek of als melancholisch schrijver?

“Pfffff, geen idee. Als ik dood ben, maakt het me niet meer uit hoe ik word herinnerd. Daar merk ik toch niets van.” Dus erkenning telt alleen als je er zelf iets van merkt?

“Natuurlijk. Ik zou graag een boek willen schrijven als In Cold Blood van Truman Capote, maar dan wil ik ook van het succes genieten. Wat heb je aan complimenten op het moment dat je al in een urn zit?” Maar wil je niet dat je naasten op een bepaalde manier aan je terugdenken?


“Dat natuurlijk wel. Ik hoop dat de kleine kring om me heen zich mij na mijn dood zal herinneren als een lieve, geestige man. Daar gaat het om. Ik wil goed doen in dit leven.” Die kan zo op een tegeltje.

“Dat is dan maar zo. Er is niets op tegen om het goed te willen doen, lijkt me. Het mag dan braaf klinken, maar dat kan me niet schelen. Ik wil een goed mens zijn.”

Hugo Borst: Alle ballen op Heintje.

Nieuw Amsterdam. €14,95.

Ook verkrijgbaar via ww.ako.nl.

De televisiereeks ‘Over vaders en zonen’ wordt op 26 mei hervat.

import interview hugo borst