Gerrit Zalm

Gerrit Zalm

Elke week op de website: één artikel uit HP/De Tijd. Deze week Gerrit Zalm over zijn succes.

Hij was de langstzittende en misschien ook wel de vrolijkste minister van Financiën aller tijden. Gerrit Zalm (1952) bestiert als zoon van een kolenboer nu 30.000 werknemers in zijn functie van ABN Amro/Fortis-topman. ‘Soms vind ik het wel een beetje raar hoe ver ik ben gekomen.’

“Mijn prestatiedrang komt uit mijn jeugd, dat is mijn psychologische verklaring. Ik werd gepest door m’n broers. In mijn boek De romantische boekhouder gebruik ik het woord ‘kleineren’. Maar ik heb er niet alle lelijkheden in opgenomen; zelfs tegenover mijn broers probeer ik nog wel een beetje discreet te zijn. Zij beschouwen dat pesten als een bijdrage aan mijn opvoeding. Nu zeggen ze nog weleens: “Door ons ben je zo ver gekomen.” En: “Het was geen pesten, het was opvoeden.” Daar komt mijn ambitie vandaan, ja, dat denk ik wel. Mijn carrière ben ik begonnen vanuit een minderwaardigheidscomplex. De universiteit leek me wel héél erg hoog gegrepen voor mij, heao zou ik gaan doen. Tot ik iemand sprak die ik nou niet heel veel knapper vond dan ik, en die studeerde economie. Ik zag wat studieboeken en dacht: ik waag de gok, ik ga gewoon heel erg hard werken en dan kom ik er wel. Mijn kandidaats haalde ik cum laude en mijn doctoraal met een 9-, zonder te zweten. Intussen was ik op mijn negentiende getrouwd met mijn eerste vrouw en stak ik vooral veel tijd in de PvdA in Enkhuizen. Ik ging makkelijk door die studie heen; nooit heb ik iets over hoeven doen. Behalve mijn rijbewijs, daarvoor slaagde ik pas de tweede keer. Nu heb ik het laten verlopen, maar dat is geen probleem – ik heb chauffeurs. En mijn tweede vrouw Lydia en drie van mijn vijf kinderen hebben een rijbewijs. Als we privé toch vervoer moeten hebben, dan heb ik een vaste relatie in Wassenaar die dat doet. Ik ben nog wel naar het gemeentehuis geweest, met drie soorten pasfoto’s op zak. Die waren allemaal fout, moest ik nieuwe laten maken. Ik vertelde het thuis en Lydia zei: “Ik wil helemaal niet dat jij nog rijdt, je hebt al twintig jaar niet gereden, wat moet jij met een rijbewijs?” Op mijn 29ste haalde ik mijn rijbewijs pas en na mijn 35ste werd ik gereden. Meteen na de universiteit begon ik bij Financiën, daar werd ik al snel leidinggevende. Ze durfden mij hoofd te maken, ook al was ik jong. Ik heb mazzel gehad, een zondagskind ben ik. Ik bracht ook wel talent mee, dat durf ik inmiddels wel te zeggen. Maar ook als je talent hebt, moet je af en toe geluk hebben. Soms vind ik het wel een beetje raar dat ik zo ver ben gekomen. Maar het ging in stapjes, niet in sprongen. Elk jaar maakte ik promotie op Financiën, kreeg ik goede beoordelingen. Ik ben redelijk ongeduldig, maar minder ongeduldig dan vroeger. Vervelen doe ik me wel snel. En toch ga ik ten minste vijf jaar bij ABN Amro/Fortis blijven, ja. Hier is een redelijke variëteit aan werkzaamheden. Bovendien heb ik altijd nog mijn computerspelletje, op Financiën had ik dat al, Civilisation V heet het. Ik ben nu de Tweede Wereldoorlog aan het spleen in de kop van Afrika, Montgomery tegen Rommel.
Ik ben er het meest trots op dat ik minister van Financiën ben geworden, een prachtige baan. Voor een econoom is dat het mooiste wat er is, mooier dan premier. Het gaat me dan om de inhoud, ik ben niet zo kapot van de titel. Vicepremier ben ik ook geweest, die titel gebruikte ik nooit, net als mijn andere titels als professor en doctor. In Den Haag vonden ze me wel bijzonder vanwege dat vrolijke. Dan dacht ik: het is maar goed dat ze die broers van mij niet kennen, die hebben dat nog veel meer. Het is een familietrekje. Als je mijn broer die in de schoenen zit hoort dollen met z’n klanten, dan ben ik maar een slap aftrekseltje. Erkenning was belangrijk voor me, tot ik minister werd. Heel veel mensen hebben zich erover verbaasd dat ik mij verwaardigde bij DSB te gaan werken. Dat ik dat deed, vind ik wel een teken dat status en erkenning voor mij geen doorslaggevende rol meer spelen. Als ik iets leuk vind, kan het me niet schelen wat de rest ervan zegt. Mijn ijdelheid is nog niet helemaal weg. Toen ik anderhalf jaar geleden werd gevraagd me te kandideren als directeur van het IMF, vond ik dat wel een eer. Dat ik als Nederlander daar wat neer kon zetten. Maar Lydia had geen zin om naar Washington te gaan, en de kinderen ook niet. Zelf had ik ook geen enorm brandende ambitie. Ik had twaalfeneenhalf jaar roofbouw op mijn partner en mijn gezin gepleegd, misschien ook wel op mezelf. Bij het IMF zou het meteen tachtig, negentig uur in de week werken zijn en de wereld rond vliegen. Maar ook wel een heel mooie, prestigieuze baan. Uiteindelijk werd ik gebeld, ze wilden zeker weten of ik het écht niet wilde. “Geef me tien minuten,” zei ik. En tegen Lydia: “Nou belt Bos zelf, wat vind je?” “En dan ga jij me straks verwijten dat ik dit heb verhinderd?” zei Lydia. Ik heb beloofd van niet. “Nou,” zei ze, “dan niet!” Ik heb Wouter uitgelegd dat ik het alleen zou doen als het IMF zou worden verplaatst naar Den Haag. Tegen de functie van bestuursvoorzit- ter bij ABN Amro/Fortis heb ik wel ‘ja’ gezegd toen Wouter me vroeg. Ik wist van tevoren dat er ophef zou zijn over mijn salaris van 750.000 euro. Geen probleem. Het kan niet alleen maar kaviaar zijn voor Wouter Bos. Hij heeft me gevraagd, ik heb ‘ja’ gezegd, hij kan op zijn lijstje bijschrijven dat hij dat heeft geregeld. Ik vond dat hij er ook wat voor over moest hebben, en dat was onder andere dat salaris. Niet dat ik zonder die 750.000 euro per jaar niet kan leven, maar ik weet wat mijn marktwaarde is en ik wist ook dat ik hem niet het vel over de neus haalde. Daarbij heb ik ook twaalfeneenhalf jaar als minister tegen een bescheiden salaris heel hard gewerkt. Er zijn wel dingen waarvan ik soms nog denk: dat had ik anders moeten doen. In mijn PvdA-tijd in Enkhuizen heb ik samengespannen om een secretaresse af te zetten achter haar rug om. Dat vind ik nog steeds zo erg! Dat was echt fout, en dat heeft me bij wijze van spreken mijn hele leven achtervolgd. Voortaan probeer ik altijd open te zijn, ook als het vervelend is, of: juíst als het vervelend is. Verder heb ik niet veel mislukkingen meegemaakt waarbij ik mezelf iets te verwijten heb.
Mijn grootste talent is dat ik nergens echt slecht in ben. Ik heb sociale en leidinggevende vaardigheden, meen ik. Ik kan schrijven, mijn verhaal doen, ik ben een beetje creatief, niet te beroerd om hard te werken en ik ben heel goed met getallen, daar heb ik wel écht talent voor. Met die combinatie van  igenschappen ben ik een heel eind gekomen. Ja, soms vind ik het weleens raar hoe ver ik ben gekomen. Vroeger was ik het slimme jongetje dat de meest intelligente teksten wilde schrijven en dingen wilde bedenken. De sociale dimensie die bij werken in een team komt kijken, daar dacht ik niet over na. Naarmate ik hoger in de organisatie kwam, merkte ik dat het veel minder belangrijk is wat je zelf nog kan, het gaat er juist om of je de goede mensen weet aan te trekken en hoe je ze motiveert om het beste uit zichzelf te halen. Zeker als je een bedrijf van 30.000 mensen runt zoals ik op Financiën deed, en wat ik nu weer doe. Mijn eigen bijdrage is van marginale betekenis. Het is veel belangrijker dat ik zorg dat die 30.000 mensen hard werken, dan dat ik zelf hard werk.”


Reacties zijn gesloten.