Best forever

Een rondleiding door het Belfast van George Best is als het leven van de jonggestorven voetballegende: het had zo mooi kunnen zijn. ‘Sommigen beweren dat hij meer uit het leven had kunnen halen.’

Windsor Park, Belfast. Ik glijd door de poep als George Best door de verdediging van Northampton (7 februari 1970, Northampton Town – Manchester United: 2-8. Best scoorde zesmaal).

“Jammer dat het hek dicht is,” mompelt Bobby Cosgrove, met zijn vlezige armen op het stuur van zijn auto leunend. Terwijl ik me als een beginnend schaatser staande tracht te houden in de Noord-Ierse uitwerpselen, vertelt Bobby vanuit de auto wat hij me graag had willen laten zien. Windsor Park, thuishaven van de nationale voetbalselectie van Noord-Ierland, zag George Best op 15 mei 1971 een doelpunt maken waar in Belfast en omstreken nu nóg over wordt gesproken. In elk geval door Bobby Cosgrove, die toeristen rondleidt langs plekken die bepalend zijn geweest voor de eerste en laatste jaren van wondervoetballer Best (1946-2005). Op die bewuste dag in 1971 speelde Noord-Ierland tegen Engeland, dat in doelman Gordon Banks een meer dan betrouwbare sluitpost had. Maar Besty was hondsbrutaal – en flikte het om de bal van Banks af te pakken, juist toen de keeper wilde uithalen om ‘m een hengst richting voorwaartsen te geven. De goal die daaruit volgde, werd door de scheidsrechter afgekeurd – maar in de talrijke natte horecagelegenheden van Belfast scoort Best postuum nog steeds met die actie. Bobby Cosgrove had me graag de doelmond laten zien waar die historische gebeurtenis plaatsvond. Maar het stadion zit dus op slot.

In plaats daarvan glibber ik door een palet van licht- en donkerbruine smurrie naar een muur van de vervallen voetbaltempel, die met enkele welgeplaatste penseelstreken is omgetoverd tot een altaar waarop een aantal legendes uit het Noord-Ierse voetbal zijn vereeuwigd. Ik herken doelman Pat Jennings en, met een beetje hulp, Danny Blanchflower en Billy Bingham. En George Best natuurlijk, opmerkelijk genoeg in het rode shirt van Manchester United. Het is bepaald indrukwekkend om te zien hoe een natie kan omgaan met de nagedachtenis aan zijn helden. Des te treuriger dat iedereen er zijn hond laat schijten.


Terug in de auto zetten we koers richting Queen’s University. Routineus, want de stoïcijnse Cosgrove, met een buik alsof hij een opblaasbal heeft ingeslikt, reed de route al ontelbare malen. Vervelend vindt hij het geenszins, om toeristen door het Belfast van George Best te voeren. Integendeel: hij is maar wat trots op de wereldvoetballer met wie hij op de lagere school heeft gezeten. Elke dag voetbalden ze, de jongens van de Nettlefield Primary School. Soms met een tennisbal, soms met een heuse leren knikker – weliswaar lek, maar die opgevuld met natte kranten nog prima dienst kon doen. Niet dat Cosgrove het speeltuig vaak heeft beroerd overigens. “Ook toen al kon niemand George van de bal zetten. Een natuurtalent – niemand heeft hem hoeven leren voetballen.”

Terwijl we door de uitgestorven straten van Zuid-Belfast tuffen, geeft Cosgrove me een cadeautje. Een boekenleggertje van de George Best Foundation. Een deel van de opbrengst van de toer die staat aangekondigd als ‘vol anekdotes en persoonlijke herinneringen’ gaat naar die organisatie. “Die doet iets voor leverziektes of zo,” mompelt Cosgrove. Hoewel het in de auto naar poep begint te ruiken, rijden we zonder te stoppen langs het universiteitsgebouw. “Daar heeft George in 2001 een eredoctoraat gekregen,” zegt Cosgrove. “Was-ie heel trots op.” Ik neem dat onmiddellijk aan. Cosgrove: “Wat de mensen zich niet realiseren, is dat George een IQ van 147 had. Sommigen beweren dat hij meer uit het leven had kunnen halen.” Een scherpe bocht naar rechts. “Maar hoeveel meer dan wel? Hij heeft zeven Miss Worlds gehad. Nou, ik nog niet eens één Miss Belfast!


” En ook dat ben ik meteen bereid aan te nemen.

De George Best Tour bereikt Oost-Belfast. We rijden door Donard Street, waar de latere stervoetballer en zijn ouders kort na de oorlog bij opa en oma inwoonden. Het is in deze straat, zegt Cosgrove, dat de beroemde foto is gemaakt van peuter George met een veel te grote bal aan zijn voet. Het opmerkelijke aan die plaat is dat de dreumes onbewust al helemaal de houding van een volleerd voetballer aanneemt. Wel fijn trouwens dat het jongetje, ondanks zijn IQ van 147, op die leeftijd nog niet kon lezen, want vlak bij het grootouderlijke huis hangt een bord met het opschrift ‘No Ball Games’.

En voort gaat het, naar de Nettlefield Primary School, waar Cosgrove en Best leerden lezen en schrijven. De gids kruipt achter het stuur vandaan en loopt op het gebouw af. Op slot. Cosgrove steekt zijn wijsvinger door het hek – prompt moet ik denken aan het worstje dat ik eerder die dag bij het ontbijt kreeg. “Zie je dat grasveldje? Daar wilden George en ik voetballen. Maar de schoolleiding had bepaald dat er alleen op gecricket mocht worden.” Ik wacht even op wat er verder gaat komen, tot duidelijk wordt dat dit de hele anekdote is.

Hoofdschuddend en een tot mislukken gedoemde poging wagend zijn trui over zijn buik te trekken, stapt hij weer de auto in. Ik ook, met een schuin oog op mijn voetzool. Ja, het zit er nog steeds. We gaan een paar straathoeken om en staan dan plots voor een meer dan levensgrote muurschildering van George Best Superstar, wiens wapperende haren doen denken aan een doornenkroon. “Vind ik zelf de mooiste,” mompelt Cosgrove. “Omdat ie in zwart-wit is. Er zijn hier na zijn dood sjaaltjes van Celtic én Glasgow Rangers neergelegd. Vind je dat niet mooi? Katholieken en protestanten rouwden samen om de dood van George. Uniek, uniek,” zegt hij, terugwaggelend naar zijn auto.


We zetten koers naar Burren Way. Een volkomen anoniem straatje, ware het niet dat naast de deur van nummer 18 een plakkaat hangt. Wat daarop staat blijft ongewis, want Cosgrove zegt dat hij met de bewoners heeft afgesproken dat hij toeristen te allen tijde achter het tuinhekje zal laten staan. Het schijnt dat de familie Best hier ooit heeft gewoond en dat George vanuit dit bescheiden pand is begraven. “Het was mooi,” schmier ik, als ik terugkruip in de auto. Cosgrove: “Maak dan nu dáár even een foto van.” Hij wijst naar een blinde muur. “Dan leg ik daarna uit wat het is.” Ik druk braaf af en ben benieuwd wat ik daarmee heb gewonnen. “Daar zat vroeger een kruidenier,” zegt Cosgrove, terwijl hij het stuur naar rechts gooit, “en daar mocht George zich omkleden toen-ie voor de Cregagh Boys Club speelde.” Het veld waar dat gebeurde is er nog steeds – en een van de flats aan de lange zijde is thans versierd met een reusachtig portret van Cregagh’s beroemdste zoon. Het is een prachtige schildering van George in het groen-wit van de nationale selectie, maar we kunnen er niet dichtbij komen. De grasheuvel voor het gebouw is volgens Cosgrove ‘een moeras waarin je tot aan je enkels verdwijnt’. Dat dit de oplossing zou kunnen zijn voor mijn nog altijd ruikende schoen, laat ik maar ongezegd.

Het wordt tijd voor de finale: de Roselawn Cemetery waar de stoffelijke resten van George Best aan de aarde zijn toevertrouwd. Op naar de dodenakker! Als we even later halt houden voor de begraafplaats, kijkt Bobby Cosgrove me een moment aan. “Dit wordt schokkend,” zegt hij. We knerpen als hoorspelacteurs over het grind en meanderen tussen honderden Noord-Ieren die ‘aan de verkeerde kant van het gras’ liggen. “Dit wordt schokkend,” zegt Cosgrove nogmaals, “omdat mensen verwachten dat George in een enorme tombe begraven ligt, met veel toeters en bellen. Dat er een imposant bouwwerk is neergezet, ter nagedachtenis aan de grootste voetballer die we ooit hebben gehad. Nou, kijk maar, dit is alles…”


Mijn blik volgt de hand van de gids. Inderdaad: ‘alles’ is in dit geval niet veel.

Graf nummer S295 heeft een simpele, zwarte steen waarin is uitgehouwen dat hier Annie Best en haar ‘dear son’ George liggen. Moeder en zoon, beiden slachtoffer van de in deze contreien met straffe hand regerende Koning Alcohol. Daarover mijmerend besef ik dat het doodvonnis al in George’s genen zat opgeslagen, toen hij nog die dribbelende peuter uit Donard Street was. Een peuter die in later jaren de voetbalwereld zou veroveren – en domineren. “I think I’ve found you a genius,” liet Manchester United-scout Bob Bishop zijn baas Matt Busby in 1961 per telegram weten. Zeven jaar later hielp dat genie zijn club aan de Europa Cup 1 – en ontving hij tienduizend fanbrieven per week. Hij werd de officieuze vijfde Beatle en spendeerde het grootste deel van zijn immense vermogen aan drank en vrouwen. De rest, zo liet hij later weten, had hij verbrast. George Best: verafgood door miljoenen fans over de hele wereld, thans tot stof wederkerend onder een simpel steentje. Naast dat van de familie Lunn.

Maar dat is niet het treurigste wat ik hier meekrijg. Teruglopend naar de auto, zegt Bobby Cosgrove ineens dat zijn eigen zoon ook op dit kerkhof ligt. “Hij was zestien toen hij er een einde aan maakte. Tien jaar geleden, op Kerstavond. Ik kan er nog steeds niet aan wennen. Maar ik zal wel moeten. Life goes on – unfortunately.” Hij start de auto weer en zwijgend rijden we door het licht glooiende landschap. Ik vervloek mezelf dat ik me druk heb gemaakt om een plak poep onder m’n schoen.


“We gaan nu naar Stormont,” verbreekt Cosgrove het stilzwijgen. “Dat is het parlementsgebouw waar de uitvaartdienst voor George is gehouden. Langs de hele route stonden honderdduizenden mensen om hem… Hé, wat is dat nou?” Hij trapt op de rem en laat de auto terugrollen. Langs de kant van de weg staat een piepklein richtingaanwijzertje met het opschrift ‘George Best Statue’. Cosgrove ziet het voor het eerst en heeft geen idee wat het behelst. “Zullen we even kijken? Misschien is het wat voor de toer.” Met horten en stoten bereiken we over een uiterst onverharde weg een houtzagerij, waar we bij het uitstappen onmiddellijk wegzakken in de prut. We ploegen door de natte aarde en brengen bij elke stap het geluid voort van een gootsteen die wordt ontstopt. Op het droge staat de voorman van de werkplaats ons meewarig aan te kijken. Of we het standbeeld van George Best even mogen zien, vragen we hem. De man, groene kaplaarzen en een geruite pet, gaat ons voor naar een schuur, waar tussen de opgestapelde rotzooi een primitief afgodsbeeld staat. “Het is nog niet af,” verontschuldigt onze gastheer zich – maar daarmee pleit hij zich niet vrij. Want hier staat een stuk houtsnijwerk dat mogelijk indruk maakt op een pygmeeënstam in Centraal-Afrika, maar op geen enkele wijze recht doet aan de grote voetballer George Best. Het monstrueuze blok bezigheidstherapie heeft armen die tot aan de grond reiken, ook al omdat er beentjes onder zitten waarmee alleen Toulouse-Lautrec genoegen zou nemen. En het gezicht… Áls dat al een Noord-Iers trekje heeft, dan is het eerder dat van voormalig Undertones-zanger Feargal Sharkey – nadat die de intercity Belfast-Dublin uit de rails heeft gekopt. De opzichter wil vijfduizend pond hebben voor het beeld, maar dan schildert hij het nog wel in clubkleuren naar keuze. We zullen er nog even over nadenken, liegen we.


“Als deze man wil dat zijn beeld in mijn route wordt opgenomen, dan moet hij eerst zorgen dat je fatsoenlijk bij dat ding kunt komen,” bromt Cosgrove, zijn besmeurde voet op het gaspedaal drukkend. Hij stuurt zijn auto weer de bewoonde wereld in, helemaal tot aan het hek van het parlementsgebouw, dat als een suikerklontje aan de einder schittert. “Je mag erheen lopen, maar ik denk dat je er een half uur over doet.” Hoewel niet aan tijd gebonden, laat ik de uitdaging aan me voorbijgaan. Cosgrove dringt niet verder aan en zet koers naar de snelweg. Midden tussen het razende verkeer schiet hij dan ineens de vluchtstrook op en trapt op de rem. “Kijk: George Best Airport,” zegt hij, wijzend op de terminal aan de andere kant van de weg. Terwijl de auto’s voorbijschieten, kijkt hij vol bewondering naar het vliegveld, vernoemd naar het jongetje van wie hij ooit een tennisbal trachtte af te pakken. Het jongetje dat het heel, heel ver schopte.

Cosgrove draait zich naar me toe. “En hier…”

Zoef!

“…eindigt…”

Zoef! Zoef!

“…de toer. Ik hoop…”

Zoef!

“…dat je het leuk vond.”

Zoef! Zoef! Zoef!

Hij start de wagen weer en schiet terug het asfalt op. Plankgas naar het centrum van Belfast. Dan, met zijn blik op de weg gericht: “Heb je misschien nog interesse in een Van Morrison-toer? Hem heb ik namelijk ook gekend.”

Ik schud vriendelijk van nee. Want ik vind het zo wel, eh, Best.

tekst en foto's Michiel Blijboom