Geen gemakkelijke kost

Val McDermid kan goed uit de voeten met maatschappelijke gebeurtenissen. De Schotse verweeft ze in haar misdaadromans. Daarbij schuwt ze in sommige van haar boeken de haast sadistische beschrijvingen van geweld niet. Met een reden: ‘Wij moeten iets met het soort misdaden dat onze samenleving voortbrengt.’ door Marcella van der Weg

Het is een stevige dame, Val McDermid. Met een oplettend oog voor details die de detectiveschrijfster in haar wakker maken. “Daar kun je mensen mee bespioneren,” glimlacht ze olijk, zodra ze het – zeer kleine – opnameapparaat van uw verslaggeefster ziet. McDermid, die haar sporen in het misdaadgenre al lang en breed verdiend heeft en ook de geestelijk moeder is van de populaire televisieserie Wire in the Blood (met profiler Tony Hill, opsteller van psychologische profielen van seriecriminelen), laat zich zakken in een van de frle stoeltjes in de lounge van het Amsterdamse Ambassade Hotel. Het hoge bankje laat ze aan de interviewster. Ze heeft inmiddels ontdekt dat het daarop ongemakkelijk zitten is – en zij moet nog de hele dag.

Ze voelt zich tegenwoordig af en toe ‘bloody old!’, en dat terwijl 53 toch helemaal niet oud is. Maar na een lange journalistieke en schrijverscarrière rolt McDermid op het moment van het ene ‘jubileum’ in het andere. Zo is het twintig jaar geleden dat in het voetbalstadion van Hillsborough bijna honderd mensen door de massa werden vertrapt en 25 jaar geleden dat Britse mijnwerkers het opnamen tegen Margaret Thatcher – Thatcher won. “Mensen hebben het dan over ‘sociale mijlpalen’ van de twintigste eeuw. Dan denk ik: Hallo! Dat zijn geen mijlpalen, dat is mijn leven!”

Maar het zijn wel het soort maatschappelijke gebeurtenissen waarmee McDermid als schrijfster goed uit de voeten kan. Ze gebruikt de ingrijpende mijnwerkersstaking van 1984 dan ook als decor voor het onlangs verschenen Een duister domein. Daarin verdwijnt een mijnwerker om elders werk te zoeken (zo gelooft men), en zijn vrouw is daarover zo beschaamd dat ze hem niet gaat zoeken. Een staking breek je tenslotte niet, dat is een doodzonde. Het is een sentiment dat McDermid heel goed kent, want ze groeide op in een mijnwerkersfamilie in het Schotse Fife.


“In die mijnwerkersgemeenschappen heerste een heel sterk gevoel van solidariteit. Onder de grond moest je op elkaar kunnen vertrouwen, daar hing je leven van af. Die houding zette zich boven de grond voort, de mensen hielpen elkaar als het nodig was.” Onderkruipers werden dan ook met de nek aangekeken – terecht of niet. “Toen ik de film Billy Elliot voor het eerst zag, stroomden de tranen over mijn wangen. Op het moment dat Billy’s vader besloot toch weer te gaan werken… Dat was tegen alles waarin die man geloofde, maar hij moest het doen voor zijn zoon. Die wilde danser worden, en daar was geld voor nodig. Ik begreep dat afschuwelijke dilemma van die man zó goed.”

In Een duister domein schetst de schrijfster een schraal beeld van een patriarchale samenleving, waarin de mijnwerkers en hun gezinnen de dupe zijn van de krachtmeting tussen de vakbondsbestuurders en de regering-Thatcher. McDermid steekt haar kritiek op de rol van die vakbondsleiders, het optreden van de politie en die van de Engelsen in het algemeen niet onder stoelen of banken. “In de mijnstreken leden de gezinnen in 1984 verschrikkelijke ontberingen. In een van de meest welvarende landen ter wereld gingen de kinderen met honger naar school. Maar de rest van Groot-Brittannië interesseerde het niet, iedereen was op de hand van de regering.” En juist uit de rest van het land kwam de politionele versterking.

“Ik zeg altijd: als je mensen hun burgerrechten wilt ontnemen, schakel de politie van Nottingham in.” Maar het ergst was volgens McDermid de Metropolitan Police. “Dat zijn zelfs op goede dagen al arrogante klootzakken, maar in 1984 gedroegen ze zich echt schandalig. Ze reden door die mijndorpen en wapperden met bundels bankbiljetten uit de autoraampjes. Dat hadden ze daar verdiend met overwerk. Ze kochten fish and chips en gooiden dat op straat, terwijl de bevolking nauwelijks te eten had.”


De staking van 1984 trok diepe sporen in de Britse samenleving en ook in McDermids familie. Een nicht van haar (‘maar die woont in Engeland, dus die weet niet beter’) is getrouwd met een politieman, die op een familiebijeenkomst eens liep te pochen dat hij met het extra geld dat hij tijdens de staking had verdiend een flat in Spanje had gekocht. “Ik zei tegen mijn nicht dat onze grootvader zich omdraaide in zijn graf. Hoe kun je je familiegeschiedenis zo verloochenen! Ik wil niet melodramatisch doen, maar dat verleden maakt onderdeel uit van wie je bent.” McDermid vertrok en is er sindsdien niet meer op bezoek geweest.

Er zijn meer overeenkomsten met Billy Elliot. Dat Billy danser wilde worden, wekte bevreemding in de traditionele mijnwerkersgemeenschap. Ook Val McDermid was een buitenbeentje – zonder dat ze daar overigens onder leed. Ze was een briljante leerling (ze zat met premier Gordon Brown in een speciaal klasje voor slimmeriken) en wilde schrijver worden. Maar dat deden mensen zoals zij niet. “Nu denk ik dat ik me ook anders voelde omdat ik lesbisch ben, maar dat kon ik toen nog niet benoemen.”

Na de ‘cultuurshock’ van Oxford, waar ze Engels moest leren omdat niemand op de universiteit haar platte Schotse accent verstond, dook ze de journalistiek in. Want er moest brood op de plank komen, en een ‘gewone’ baan was niet aan haar besteed. “Ik kan geen orders aannemen en de journalistiek is niet hiërarchisch.” En bovendien onvoorspelbaar. Als algemeen verslaggeefster kreeg ze inkijkjes in mensenlevens waarvan ze af en toe ‘steil achterover sloeg’. Zoals toen ze een man moest interviewen in de armetierige sociale woningbouw in Glasgow.


“De woonkamer bestond uit kale planken, met alleen een heel smerige bank die tegenover de televisie stond. Wij noemden dat altijd kettingrookhuizen: je ging er rokend in en bleef roken tot je eruit was, om de stank te verdoezelen. Terwijl ik met die man praat, loopt er een halfnaakte peuter de kamer binnen, en die begint te poepen. Midden op de vloer! Die man knipperde niet eens met zijn ogen, blijkbaar was dat heel gewoon. Dergelijke gebeurtenissen sla je op, als schrijver van fictie is dat een heel goeie database.”

Wat niet wil zeggen dat McDermid echte zaken gebruikt in haar boeken – daar brandt ze liever haar vingers niet aan. Een van de moordzaken die bijna als een rode draad door haar journalistieke carrière liep, is die van de beruchte Moors murders: de sadistische kindermoorden bij Manchester van Ian Brady en zijn vriendin Myra Hindley, begin jaren zestig. McDermid interviewde veel betrokkenen. Zoals nabestaanden van de slachtoffertjes, maar ook de moeder van Brady en een gevangenisvriendin van Hindley. “Als je daar zo direct mee wordt geconfronteerd, moet je wel een hart van steen hebben om niet te begrijpen wat voor een intense pijn dit bij al die mensen heeft veroorzaakt. Ik wil daar niet aan bijdragen.” De sfeer van angst die er toen heerste, gebruikte ze echter wel in het bewierookte De terechtstelling (1999), dat ze deels in 1963 situeerde en waarin een meisje spoorloos verdwijnt.

Eén keer zondigde ze tegen haar eigen regel. Maar dat was de schuld van ‘een lul van een profiler’. McDermid gaat er eens goed voor zitten. We schrijven 1992 en in het Wimbledonpark wordt de 23-jarigen Rachel Nickell voor de ogen van haar tweejarig zoontje verkracht en met 49 messteken om het leven gebracht. De politie heeft al gauw een treurige verdachte (‘een gek mannetje met rare fantasieën’) maar geen bewijs. En dus huurt ze een profiler in, die wel bereid is een op de verdachte passend profiel te maken. De rechter maakte gehakt van het onderzoek en verwees de zaak naar de prullenbak.


“Maar ondertussen had die verdachte geen leven meer, liep de echte dader vrij rond, en was het vak van profiling ontzettend veel schade toegebracht. Alleen omdat die rotzak naam wilde maken.” De echte dader is inmiddels gepakt en de profiler is van de lijst van deskundigen geschrapt. “Maar hij heeft nog wel even een paar bestsellers geschreven.” McDermids woede hierover vond een uitweg in de plot van De wraakoefening (2000).

Omdat ze zich makkelijk verveelt – zoals ze zelf graag mag zeggen – schrijft McDermid naast op zichzelf staande thrillers verschillende series. “Dat komt ook omdat ik me laat sturen door het verhaal, niet door de karakters. Toen ik bijvoorbeeld het idee kreeg voor De sirene, wist ik meteen dat het niet zou passen bij de hoofdpersonen die ik al had.” Een seksueel gefrustreerde seriemoordenaar die zijn slachtoffers gruwelijk mishandelt, bleek geen materiaal voor de klassieke whodunits met Lindsay Gordon aan het stuur of de snappy private eyes waar Kate Brannigan de dienst uitmaakt. Dus introduceerde McDermid Tony Hill, een getroebleerde profiler met potentieproblemen, die van zijn bedenkster alle donkere, psychologische gevallen toegeschoven krijgt.

Ongemakkelijke kost, hoort McDermid weleens van lezers. “En gelukkig maar, want dat is een gezonde reactie. Als je deze boeken leest en je voelt je níet oncomfortabel, dan heb je waarschijnlijk professionele hulp nodig.” In de Hill-serie laat McDermid weinig (sadistisch) geweld aan de verbeelding over. Ze heeft geen idee waar het vandaan komt (“Ik heb een relatief gelukkige jeugd gehad en ben niet seksueel of anderszins misbruikt,”) maar heeft er wel een reden voor.

“Ik probeer te begrijpen waarom mensen elkaar zulke vreselijke dingen aandoen. Dat kan alleen als je eerlijk bent en zegt: zo ziet geweld eruit, want geweld ziet er afschuwelijk uit, daar is niets moois aan. Wij moeten iets met het soort misdaden dat onze samenleving voortbrengt. En ik denk dat een roman een manier is om die discussie te voeren, zonder dat deze overschaduwd wordt door emoties die je bij echte zaken hebt. Want verkrachting of moord heeft niet alleen impact op de slachtoffers, familie en vrienden. Dat geweld breidt zich uit als een olievlek, iedereen raakt besmet, van de politie en de journalisten tot de mensen die toevallig als verdachte in beeld komen.”


Val McDermid trapte haar schrijverscarrière in 1987 af met Report for Murder, de eerste Lindsay Gordon. En hoewel inmiddels herhaaldelijk gelauwerd (onder meer met een aantal Daggers, de belangrijkste juryprijzen voor crime fiction in Engeland), grapt ze weleens dat de ‘Lindsay’s’ nog steeds het slechtst verkopen. De serie is van opzet zo traditioneel Brits als maar kan, met één afwijking: de hoofdpersoon is een lesbienne. Niet dat McDermid destijds op kruistocht was. “Zo vloeide ze gewoon uit mijn pen, het is slechts één onderdeel van wie Lindsay is. Maar ik wilde wel een boek schrijven dat het soort leven liet zien dat ik wilde hebben.” En dat was niet in een treurig lesbisch getto, zoals ze zich dat in haar jeugd in het hoofd had gehaald – voor zover ze het woord ‘lesbisch’ überhaupt kende. Dat kwam pas in Oxford.

Ondertussen kijkt ze met enige trots terug op de rol die zijzelf heeft gespeeld in de emancipatie van homoseksuelen. “Lesbische tieners in Edinburgh kunnen nu die belangrijke eerste kussen met elkaar uitwisselen, niet met jongens, zoals wij vroeger. Omdat dat zo hoorde.” Toch blijft er nog wel iets te wensen over, want in het traditionele Schotland vlot het niet zo met de acceptatie van homo’s, vindt McDermid. Daarom woont ze ook als ‘banneling’ in het ‘buitenland’ (lees: Engeland). “Toen mijn vriendin en ik een kind kregen, stond de tabloidpers op de stoep om dat breed uit te meten. Dat is pas acht jaar geleden. Ik wil mijn zoon niet opvoeden in een land waar lesbische stellen niet gelijk worden behandeld.” Moeilijk vindt ze het wel, want ze houdt van Schotland. “Maar ze moeten daar eerst een aantal zaken op een rijtje zetten.”

import interview