Het zuivere zitten

Rob Parry ontwierp in de afgelopen zestig jaar stoelen én een brievenbus met een eigen stijl: sober, functioneel, zonder concessies. Nu, op z’n 84ste, is zijn werk ineens hip. door Bert Nijmeijer, foto’s Hilbert Krane Er is een revival gaande, een revival van het werk van Rob Parry. Het kwam zomaar ineens, hij had het niet meer verwacht. Hoe gaat dat met revivals: je krijgt telefoon, en even later zit je er middenin. Je hebt over belangstelling niet te klagen en je wordt bij dingen betrokken. Als je heel mooie dingen hebt gemaakt, spreken ze van een réveil, een duur soort revival.

Toen er nog geen revival was, was Parry gewoon een ontwerper in ruste. Zijn tijdloze ontwerpen waren nog gewoon vergeten meubels uit de periode 1945 tot 1960. Na die periode was de wereld eerst bruin en oranje en daarna grijs gekleurd, modes kwamen en gingen, tot ze even geen nieuwe stijlen meer konden bedenken en teruggrepen op het verleden. Een voor een kwamen de trends van toen weer terug, tot het functionalisme aan de beurt was, de stroming waartoe Rob Parry behoorde.

Een halve eeuw stonden zijn stoelen functionalistisch maar ongebruikt in het atelier. Parry was andere dingen aan het ontwerpen, en hij was ook daar al tien jaar mee opgehouden toen een exclusieve meubelfabrikant zich meldde. Er werden drie stoelen van Parry in productie genomen, aanleiding om het jaar 2006 uit te roepen tot Rob Parry-jaar. Volgens de fabrikant hebben de meubelontwerpen van Parry het in zich om uit te groeien tot moderne klassiekers.

Hij heeft al één klassieker op zijn naam, de oude rode brievenbus van de PTT. Hij ontwierp hem samen met zijn toenmalige compagnon Emile Truijen in 1957 en hij zou een halve eeuw in de Nederlandse straten blijven staan. Je stond er niet bij stil, maar het was een prachtige brievenbus, met een sympathiek, strak rood buikje en twee brievengleuven, een voor post in de buurt en een voor overige bestemmingen. Het lichtingssysteem met de gescheiden postzak is uniek in de wereld.

De afgelopen jaren werd zijn brievenbus vervangen door een nieuwe, ook een mooie bus, en net zo praktisch in het gebruik. Behalve als het regent, zegt Parry, dan zie je boven aan de gleuf een rij druppels hangen en wordt de post nat. Parry’s bus heeft een plekje gevonden in het Postmuseum. Er staat er ook een in zijn achtertuin.


Een ontwerper wordt omringd door de voorbeelden van zijn eigen creativiteit; naarmate hij ouder wordt, raakt het huis ermee vol. Parry is 84, een vriendelijke, gebogen heer met een bril aan een koordje. Hij woont aan een laan met statige huizen die naar het centrum van Den Haag voert, hij heeft twee van die statige huizen samengevoegd en ingericht met kunst, design en leuke dingen. Het is er netjes en licht, er zijn schuifdeuren van glas, de wanden zijn verdeeld in rechte vlakken en vakken. Het is stil in huis, ergens vandaan klinkt een zacht gezoem, van de verlichting of van iets anders.

In het atelier heeft hij van golfplaten en verwarmingsbuizen een verlaagd plafond gemaakt. Eronder staat de hele Rob Parry-collectie bij elkaar. Het zijn vooral zitmeubelen, stoelen, fauteuils, krukken. Ze komen in maquettevorm terug in een stelling van hokjes en plankjes aan de muur, en gefotografeerd in mappen en klappers waarin het werkzame leven van Parry is ingedeeld in periodes en rubrieken. Er is orde en overzicht.

Het moest eenvoudig en ‘direct’ zijn, de stoelen van Parry waren bedoeld om op te zitten, en je moest zien waarvoor ze bedoeld waren. Bij het ontwerp werd rekening gehouden met de zittende mens, de namen geven functie en gebruik aan, zoals bij de barkruk ‘club’ uit 1954 en de fauteuil ‘lobby’. Er is een voor de Twentse textielindustrie ontwikkeld, voorover hellend krukje met een naar de weversbillen gevormd zitvlak, goed voor de doorbloeding. Het Staatsmijnenstoeltje uit 1955 droeg met dunne pootjes beambten uit Heerlen; de constructie zat goed in elkaar.


Met het ‘f&t-stoeltje’ behoorde hij in 1954 tot de Nederlandse inzending voor de designtentoonstelling Triennale in Milaan. Het is een mooi stoeltje met gekruiste pootjes en een afzonderlijk, chipsvormig zit- en ruggedeelte, hier uitgevoerd in een dofgeel blokdessin. In Het Vrije Volk van zaterdag 4 september 1954 stond het stoeltje op de foto; de Nederlandse inzending voor de Triennale werd geprezen om zijn fantasie en durf. Nu, met de revival, prijst de exclusieve fabrikant Parry’s ‘sterke lijnenspel’.

Hij was zich van geen lijnenspel bewust, zegt hij. Hij ging impulsief te werk, hij begon lijnen te tekenen, maakte schetsen en berekeningen, en zo ontstond er iets. Als het af was, had hij weer wat moois gemaakt. Het was altijd goed, het eerste idee was bijna altijd raak.

Parry kon goed tekenen, hij hield meer van vormen dan van woorden. In 1945 ging hij naar de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Hij leerde het vak in de wederopbouwjaren, er heersten optimisme en geloof in de vooruitgang. Alles kon in die tijd, overal was geld voor, een ontwerper ontwierp in vrijheid.

Het was een droom om in de leer te gaan bij Gerrit Rietveld, de beroemde architect en ontwerper, lid van De Stijl en pionier van het Nieuwe Bouwen. Rietveld woonde aan de Oude Gracht in Utrecht; hij nam bijna nooit stagiairs aan. Op een dag ging Parry naar Utrecht om te vragen of de oude meester voor hem een uitzondering wilde maken. Rietveld stemde toe, Parry kon werken in het atelier op de eerste verdieping.


Hij heeft ze allemaal gekend: Truus Schröder-Schräder, voor wie Rietveld zijn beroemde huis bouwde, Willem Hendrik Gispen, bedenker van Dutch Originals, Cor Alons, Paul Schuitema. Ze deelden een afkeer van krullen en onnutte ornamenten en een liefde voor wat nieuw, strak en zakelijk was.

Het functionalisme was een geloof, het ging om de verheffing des volks, zegt Parry. Ze waren idealisten, sociaal geëngageerd, ze wilden eerlijk zijn en dienen. De Amsterdamse School was een vloek, met zijn uiterlijk vertoon, gebouwen met sierlijke buitenkanten maar armzalige kamertjes van binnen, of de Delftse School, nog erger, met de traditionalistische stedenbouwer Granpré Molière, die dacht vanuit religie en gezinnen rond de eettafel, een perspectief waaraan de wereld bijna te gronde was gegaan.

De oorlog was donker en introvert geweest, na de bevrijding gingen de deuren en ramen open, de witte was hing klapperend in de lentezon. Ze dachten vanuit de functie van meubels en gebouwen, zegt Parry, die moesten prettig zijn om te gebruiken en om in te wonen. Binnen en buiten moesten een eenheid worden, het was één ruimte waarin mensen woonden, werkten en ontspanden. Van buiten zag je door grote ramen hoe gelukkig ze waren, en hoe schoon.

Terwijl de stromingen opkwamen en verdwenen en oude geloven door nieuwe werden vervangen, was Parry aan het werk in zijn atelier. Hij was dertig jaar docent aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, waar hij zijn opvattingen met nieuwe generaties ontwerpers deelde. Het was heel veelzijdig wat hij deed, hij richtte postkantoren in, de directeurskamers van een verzekeringsmaatschappij, tenniscentra en een wijnhandel in Haarlem. Hij deed veel tentoonstellingsarchitectuur, de vormgeving van exposities, hij verzorgde de bankjes op de Floriade. Hij kreeg altijd de vrije hand, zegt hij, hij heeft nooit concessies hoeven doen, ze vonden het altijd mooi wat hij maakte.


In de jaren zestig verrezen wijken in de vorm van honingraten, er was een ontwerper die vorm gaf aan de verkeersdrempel, een ander bedacht de wipkip. Op de woonerven haalden alleen de meest behendige bestuurders nog een redelijke snelheid. De jaren negentig brachten het organische bouwen, met huizen als graspollen en kantoren als rotsformaties, gruwelen in de ogen van de functionalist.

Het is niet gek dat juist de laatste tijd het functionalisme weer terugkomt. De wereld is ingewikkeld en in toenemende mate opgebouwd uit dingen die je niet kunt vastpakken, terwijl de mensen houden van eenvoud en dingen die ‘echt’ zijn. Computers en de kredietcrisis zijn ook echt, maar minder makkelijk te begrijpen en minder comfortabel dan mooi vormgegeven meubilair.

Het is natuurlijk fantastisch, zo’n revival op je oude dag. Dat je oeuvre een herstart maakt, er zijn weinig ontwerpers die het meemaken. Parry ging naar promotieactiviteiten en was te gast op een show in Düsseldorf. Hij kreeg de complimenten van moderne types, het was heel leuk. Het was ook leuk geweest als de revival twintig jaar eerder was begonnen.

De opdrachten kwamen binnen, Parry deed wat van hem werd gevraagd. Lijnen trekken, vormen scheppen, de wereld verdelen in vakken en vlakken. Je had de dimensie ruimte en de tijd, die verstreek terwijl Parry gebogen over de tekentafel zat.

Misschien, als hij wat handiger was geweest met de marketing en zo, dan had hij net zo bekend kunnen worden als Gispen, of als Jan des Bouvrie. Maar je adverteerde niet in die tijd, zegt hij, je ging geen opdrachten werven, dat was tegen de beroepseer. Desondanks was er belangstelling genoeg; Parry heeft een meter krantenknipsels. In het Rob Parry-jaar 2006 besteedde de Rotterdamse galerie VIVID aandacht aan zijn werk, en er was een expositie in het Museum Swaensteyn in Voorburg. Roem is aan willekeur onderhevig. In kringen van designkenners wordt Parry op waarde geschat, maar die kringen zijn niet zo groot.


Hij maakte de dingen en liet ze achter zich; als een object klaar was, ging hij er niet meer naartoe. Dan was het aan andere mensen wat ze ermee deden. Het ergste vond hij het als de mensen die zijn ontwerpen gebruikten zijn bedoelingen niet begrepen, als ze er dingen aan toevoegden die er niet aan toegevoegd hoefden te worden. Nu, met de herontdekking van zijn werk, bestaat de kans dat eigentijdse ontwerpers een eigen draai aan zijn ontwerpen willen geven. Parry zit niet te wachten op andermans interpretaties van zijn werk.

Ze hebben het in zich om alsnog klassiekers te worden, zijn stoelen en stoeltjes, ze hadden dat eigenlijk al moeten zijn. Zo’n fauteuil ‘parlez’ uit 1960, het ‘sikkensstoeltje’ uit hetzelfde jaar of de van ge- bogen perspex gevormde eetkamerstoel uit 1947, hele generaties consumenten hadden er de jaren zestig, zeventig en tachtig op kunnen doorbrengen, pratend, rokend, ganzebordend, genietend van elkaars gezelschap en van hun goede smaak. Dat is niet gebeurd, maar het was goed zoals het was. Dankzij de inspanningen van de fabrikant staan de ontwerpen van Parry aan een nieuwe generatie ter beschikking. De faam van Rob Parry kan beginnen.

Je weet niet hoe het loopt, je zet je beste beentje voor, je probeert de signalen te lezen, en dan gaat het toch weer anders. Vanochtend is er ingebroken bij Parry, hij zag twee mannen weglopen met een zak vol zilverwerk. Hij belde met de politie, daarna werd het een stralende lentedag. De tuin staat in bloei, het is een gekwetter van vogels. Vooraan op een plaatsje staat de brievenbus te glimmen, met het sympathieke buikje, het gescheiden postsysteem en de twee gleuven, een voor postcodes in de buurt en een voor overige bestemmingen.


Werk van Rob Parry is te verkrijgen bij www.brandfurniture.nl en www.weko.com

import design