‘Ik moet wel optimistisch zijn’

De Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (78) is de eerste en tot nu toe enige Afro-Amerikaanse winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur. In haar werk probeert zij de oorsprong van de nog immer voortdurende rassenhaat in haar geboorteland te doorgronden. Een gesprek over slavernij, jazz, racisme, Obama en haar laatste novelle ‘Een daad van barmhartigheid’. door Ruud Meijer

“Door het toepassen van formules schrijf je geen goede boeken, maar ik kan wel vertellen aan welke eisen een goed boek, wat mij betreft, moet voldoen. Boeken waar ik van hou, zijn boeken die ik nog een keer wil lezen. Een goed verhaal alleen, of een spannende of interessante plot, is niet genoeg. Natúúrlijk moet er voor de lezer een reden zijn om de bladzijde om te slaan, maar onder het verhaal moeten nog een of twee lagen zitten. Nog een belangrijke tip: grijp de lezer vanaf de eerste regel bij z’n kraag, maak ‘m nieuwsgierig of ongerust en richt het woord direct tot hem of haar. Geef de lezer meteen een jij-en-ik-gaan-samen-door-dit-verhaal-heen-gevoel. Begin niet met het beschrijven van een scène of een interieur, want dan ben je de lezer al snel kwijt.”

“Paradise begint bijvoorbeeld als volgt: ‘Ze schieten het blanke meisje eerst neer. Voor de anderen hebben ze de tijd. Op deze afgelegen plek hoeven ze geen haast te maken.’ Snap je wat ik bedoel? Na een paar van die regels wil je weten wat er aan de hand is. Mijn nieuwe roman Een daad van barmhartigheid begint zo: ‘Wees maar niet bang. Mijn vertelsel kan je, ondanks wat ik heb gedaan, geen pijn meer doen:’ De lezer zit dan meteen midden in het verhaal, maar heeft nog geen idee wat er precíes aan de hand is.”

(Smakelijk lachend) “Hahaha! Toch is die roman precíes wat er op de kaft staat. Ik heb met dat boek iets proberen te doen wat ik zelf héél erg knap vond, maar waar, achteraf gezien, niemand in geïnteresseerd was. De zogenaamde jazz age wordt altijd geassocieerd met de schrijver Scott F. Fitzgerald en blanke, kosmopolitische kunstenaars en artiesten. De kracht van jazzmuziek blijft daar altijd een beetje bij op de achtergrond. Het is bijna alsof Fitzgerald de jazz heeft uitgevonden. Ik wilde een boek schrijven om die idee van repliek te dienen. Jazz is niet alleen muziek, maar ook al datgene wat die muziek vertegenwoordigt: een combinatie van boosheid en vrijheid. Het verhaal gaat over de trek van Afro-Amerikanen naar de grote steden om daar jazz te gaan spelen. Mijn slimmigheidje bestond hieruit dat de structuur van de roman identiek is aan die van de jazz. In jazz heb je eerst iemand die de melodie speelt en vervol-gens gaan de andere leden van de band – en de leider zelf ook – op die melodie improviseren. Zo gaat het ook in het verhaal. De ik-figuur vertelt het verhaal en de andere personages gaan allemaal variaties van dat verhaal vertellen. Iedereen heeft namelijk zijn eigen point of view over wat er is gebeurd. Het interessante van jazz is ook dat je al improviserend fouten kunt maken, die je niet meer kunt verbeteren. Al spelend moet je dan maar proberen om die fout zo goed mogelijk te laten functioneren. Soms levert dat iets mooiers of beters op dan dat je oorspronkelijk van plan was. Zo is het in het leven ook. En net zoals musici hun improvisatie vaak beginnen met een frase die hun voorganger heeft gespeeld, begint bij mij ieder hoofdstuk met een woord dat een directe link heeft met de eerste zin van het volgende hoofdstuk. Nou, vind je dat nou niet knap? Ja toch? Ik wil wel nog even zeggen dat ik jazz een slechte benaming vind voor die muziek. Het woord jazz staat voor de smerige dingen die ze in bordelen doen, als je snapt wat ik bedoel…”


“Goh, ik wist niet dat Wynton óók een opera heeft geschreven, dus daar kan ik niks over zeggen. Ik wil wel iets vertellen over de mijne. Voor mijzelf was het een uitdaging. De teksten van Mozart- of Verdi-opera’s die ik voorbij zag komen in de boventiteling tijdens voorstellingen, vond ik altijd behoorlijk saai. Dus ik wilde weleens iets schrijven waarvan de taal wel interessant was. Ik had dat al eerder gedaan met een liederencyclus die ik samen met André Previn schreef voor de sopraan Kath-leen Battle. Het verhaal voor deze opera lag mij na aan het hart. Het gaat over een vrouw die haar kinderen liever vermoordt dan hen in de handen van een slavendrijver te laten vallen. Enfin, ik heb met hart en ziel aan die tekst gewerkt, ga naar Chicago voor de première en wat zie ik op de gevel van het theater staan: de naam van Danielpour en niet die van mij. Zo gaat dat bij opera: wie kan het wat schelen wie de tekst van een Mozart-opera heeft geschreven. Niemand. Maar in dit geval werkt dat niet zo. Ik heb erop gestaan dat ook mijn naam op de gevel kwam.”

“In die tijd, de zeventiende eeuw, niet nee. Er waren wel grote verschillen tussen de diverse soorten slaven, maar er was geen hiërarchie. Veel slaven waren toen blanke Europeanen, veelal van Britse afkomst, die op de vlucht waren voor iets. Zij hadden vaak maar één keuze: de gevangenis in of zichzelf in Amerika als werkkracht verkopen. De eerste slavenschepen die in Virginia aankwamen, zaten vol met blanken. Veel van hen waren kinderen, wezen, die zomaar van de straat werden geplukt. Ze behoorden allemaal, om het maar eens respectloos te zeggen, tot de categorie ‘wegwerp-mensen’. Veel blanke Amerikanen weten vaak niet dat ook zij nakomelingen van slaven zijn.”


“Nee. Die vorm van slavernij werd indenture slavery genoemd, slavernij op basis van contract. Wanneer je je contract had uitgediend, was je weer vrij. De kinderen van die arbeidskrachten waren theoretisch gezien geen slaaf. Wél konden, wanneer de ouders stierven, de kinderen worden gedwongen om het contract van hun ouders uit te dienen. In de praktijk kwam het erop neer dat de eigenaars van die contracten de looptijd net zo lang konden verlengen als zij wilden. Dus de grenzen tussen indenture slavery en chattel slavery – waarin de slaaf wel het eigendom van de eigenaar is – werd steeds vager.”

“Na Bacon’s Rebellion in 1776. Die opstand werd geleid door de rijke plantage-eigenaar Nathaniel Bacon. Hij leidde een opstand tegen de Britse gouverneur. Hij slaagde erin om zowel blanke als zwarte slaven voor zijn karretje spannen, maar het ging helemaal niet om hun lot. Bacon verzette zich alleen maar tegen wetten en beslissingen van de Britse regering die voor hem financieel nadelig waren. Bacon’s Rebellion was wel het bewijs dat het mogelijk was om de krachten van arme blanke en zwarte slaven te bundelen. Dat maakte het gezag angstig. Naar aanleiding van die opstand kwam de racistische wetgeving op gang. Een van de eerste wetten was dat geen enkele zwarte ooit een wapen mocht bezitten. Ook was het iedere blanke bij wet toegestaan om iedere willekeurige zwarte om wat voor reden dan ook te doden. Daar ligt de oorsprong van geïnstitutionaliseerd racisme. En het mes sneed aan twee kanten: de arme blanken voelden zich nu de bevoorrechte klasse, omdat die wetten niet voor hen golden. Nu hadden zij een reden om de zwarten te verachten.”


“Natuurlijk! Na driehonderd jaar werkt het systeem nog steeds. In Amerika is het woord zwart synoniem aan arm, of dat nou juist is of niet. Het doet er niet toe. Toch zitten er veel meer blanken in de bijstand dan zwarten. Het is ook niet waar dat zwarten het meest profiteren van positieve discriminatie. Blanke vrouwen hebben daar het meest van geprofiteerd.

“Misschien dat die manier van denken nu, onder Barack Obama, een beetje verandert.”

“Ik moet wel. Ik ben 78 en heb sinds Franklin D. Roosevelt heel wat presidenten voorbij zien komen. Stuk voor stuk waren ze erger dan hun voorganger. Hoop en teleurstelling wisselden elkaar steeds maar weer af. Steeds weer dacht ik: o, hoe heeft dit in hemelsnaam kunnen gebeuren? Ik zal je eerlijk vertellen dat de herverkiezing van Bush mij zó heeft geïrriteerd! Na zijn herverkiezing kon ik voor het eerst in mijn leven niet meer schrijven. Ik was verbijsterd. Ik herinner me nog dat ik met Kerstmis werd opgebeld door een bevriende theaterregisseur en dat ik tegen hem zei: ‘Dit is de eerste keer dat een politieke teleurstelling mijn werk negatief heeft beïnvloed.’ En hij zei: ‘Toni, dit is nou zo’n moment waarop kunstenaars juíst wél aan het werk gaan.'”

“Door het omgekeerde te doen van wat de Republikeinen altijd doen. De Repu- blikeinen hebben sinds jaar en dag dezelfde mantra: stop the vote. Ze zijn altijd al een minderheid geweest, dus het laatste wat ze willen is dat iedereen gaat stemmen. Obama deed het omgekeerde. De Democraten zijn bij iedereen op de deur gaan kloppen en hebben van de daken geschreeuwd dat iedereen móest gaan stemmen. Ik ben regelmatig ook zo moedeloos geweest dat het ook mij moeite kostte om mijn democratische plicht te doen. Vaak was mijn stem dan symbolisch ter nagedachtenis aan Fanny Lou Hamer, de vrouw die zoveel voor het stemrecht en de burgerrechten heeft gedaan. Zij werd ooit in haar maag getrapt vanwege haar overtuigingen, wist je dat? Dus elke keer als ik het moeilijk had met stemmen, dan dacht ik maar aan haar wanneer ik het hokje binnen stapte. Tja, en verder moeten we maar afwachten. Ik sprak laatst Michelle Obama en ik vroeg haar: ‘Ben je niet bang dat Barack wordt vermoord?’ Ze antwoordde dat ze met die angst echt niet kon leven. Een bovendien: als Barack een gewone zwarte Amerikaan zou zijn, dan zou hij doodgeschoten kunnen worden omdat hij, zoals vorige maand weer gebeurde, toevallig op het verkeerde moment benzine ging tanken. Ik bedoel: hij is en blijft natuurlijk wel een neger.”


Toni Morrison: Een daad van barmhartigheid. De Bezige Bij. €18,90.

Ook verkrijgbaar via www.ako.nl

A Mercy. Random House. $23,95.

import vraag en antwoord