Marie-Cécile Moerdijk

Marie-Cécile Moerdijk (Zuiddorpe, 1929) is zangeres en schrijfster. Op 7 juni komt haar nieuwe boek Boekweit en klaprozen uit. Ook vindt op die dag een afscheidsconcert voor haar plaats. door Martin Bons, foto Jos Lammers

Zoals altijd: opgewekt.

Zij die zich zonder publiciteit belangeloos inzetten voor anderen. Mijn broertje die, hoewel hij zes jaar ondraaglijk heeft geleden (twee jaar geleden is hij overleden), nooit één woord heeft geklaagd. Waardering op mijn vakgebied heb ik voor Elly Ameling en Ivo de Wijs.

Personen die slecht Neder-lands spreken. Staatssecretaris Sharon Dijksma van Onder-wijs zou ik graag een uur bij me hebben. Ze lijkt me een leuke vrouw, maar aan haar Nederlands is veel te verbeteren.

Nee, totaal niet, mijn moeder was gesloten en kritiserend.

Spraakberoerde ouderdomsverschijnselen; een tante kon na een hersenbloeding nog maar één woord zeggen. Dat is mijn nachtmerrie: dat ik me niet meer kan uiten.

Daar ben ik veel te actief voor; ik sta ’s ochtends om vijf uur op en ga ’s avonds om acht uur naar bed. Ik ken geen leeg moment.

Ik communiceer met wijlen mijn vader; een innig bondgenootschap.

Ik ben realist en niet bijgelovig, maar ik heb in mijn leven echt al tientallen keren meegemaakt dat ik na dertig of veertig jaar aan iemand dacht, hem of haar probeerde op te sporen, ik die persoon daarna belde en dan hoorde dat hij of zij die dag was overleden, of aan het overlijden was. Alsof zij op het laatste moment ook nog contact met mij hadden gezocht. “Er was er weer één,” zei ik onlangs tegen mijn dochter. Ik raak er wel door van streek.

Vroeger kreeg ik veel aandacht, maar leefde ik in een glazen huisje. Er was interesse en ik had niet het gevoel de boot af te houden, maar de boot kwam gewoon niet aan. Ik ben drie keer weduwe geworden: mijn eerste man was homo en heeft zich het leven benomen; mijn tweede man was een Rus, had een vreselijke jeugd gehad en is omgekomen door een auto-ongeluk; mijn derde man was de verademing in mijn leven.


Ik heb het geluk toegankelijk te zijn voor geluk. De pauwen en kippen die ’s ochtends enthousiast op me afkomen: dat is toch geluk.

Dat ik anderen niet duidelijk kan maken dat ik graag alleen ben.

Ik was achtereenvolgens diverse malen strikt monogaam, nu reeds jaren zerogaam.

Net: mijn dochter belde dat ze vergeten was me vanmid-dag kusjes te geven; dat ontroerde me.

In smaak wel, in levenswandel totaal niet.

Mijn toekomst uitbreiden; ik zou nog lang willen leven.

Lotje Moerdijk: mijn dochter, niet alleen omdat ik haar baarde, maar ook om haar krachtige persoonlijkheid.

Als kind was ik de enige van het dorp die achterstevoren op de fiets de dijk af durfde. En dát was gevaarlijk.

Mijn vader: verwonderen. Het is mijn bron van geluk.

Mijn dochter zegt dat ik niet met een man naar bed ga, maar met de melkchocola van Cte d’Or. Dat is míjn merk: elke avond eet ik vijf repen.

Intelligentie, kameraadschap, niet vrijpostig, tikkeltje terughoudend.

Als een vrouw aan een half woord van mij genoeg heeft.

Lezen en mensen entertainen. In mijn tuin heb ik een studio waar 140 gasten naar mijn voorstelling kunnen komen. Mijn werk is spelen.

Ik heb nooit een manager genomen. Ik wilde zeggenschap over mijn eigen agenda. Gevolg: geen spectaculaire loopbaan, wél een leven.

Aan de oude papieren waarin de geschiedschrijving van mijn familie staat. En aan herinneringen. Mijn moeder was beiaardier, speelde eens op het bordes van het stadhuis in Hulst, waar Juliana op bezoek was. De koningin kende mij en vroeg aan de burgemeester: is dat de moeder van Cécile? Die knikte, waarop Juliana zei: leuk hè, twee vrouwen die de hoogste post bekleden, zij op de toren, ik op de troon.


Uitkijken; niet bij de pakken neer gaan zitten.

Nee, ik geloof wel in Eeuwigheid.

Doe alles gisteren; als het leuk is, hoef je niet te wachten, als het naar is, is het snel achter de rug.

import zelfportret