De afgeschoten canon

Stel je voor dat de overheid een docent op een basisschool zou dwingen om Floris de Vijfde te behandelen!

Te midden van het gekrakeel rondom het Nationaal Historisch Museum (waar moet het staan, wat moet erin en waar is het eigenlijk voor nodig?) is een ander speerpunt van de Nederlandse identiteit geruisloos ten onder gegaan. Zonder noemenswaardig protest is de historische canon met z’n vijftig vensters weer van de agenda verdwenen. Bij de presentatie in 2007 had minister Plasterk (Onderwijs) uitgebreid de lof ervan gezongen. Een commissie van knappe koppen onder leiding van Frits van Oostrom, destijds voorzitter van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, had een jaar lang gedelibereerd over wat er wel en niet toe zou moeten behoren, en het resultaat ervan zou als verplichte leerstof in het basisonderwijs worden ingevoerd. Dit alles aangezwengeld door Plasterks voorganger Maria van der Hoeven, op advies van de Onderwijsraad die zich zorgen maakte over het groeiende gebrek aan historische kennis van jongeren.

Oké, het project werd in gang gezet, vele kostbare man-uren gingen heen met koehandel in de commissie (“Als jij Christiaan Huygens erin wil, dan moet de boekdrukkunst eruit”), er werd een affiche ontworpen, lesmateriaal en canonspelletjes, en uiteindelijk is de canon tersluiks van tafel geduwd, want het CDA en de ChristenUnie vrezen dat de vrijheid van onderwijs in het gedrang zou komen. Bovendien ging het eigenlijk om niet meer dan een willekeurige verzameling historische highlights, waarvan niet hard te maken valt dat dit nu precies de geestelijke minimumbagage van de gemiddelde Nederlander zou moeten vormen. Weg ermee dus. Stel je voor dat de overheid zomaar een docent op zomaar een basisschool zou dwingen om Floris de Vijfde in de les te behandelen, terwijl die docent toevallig veel meer geporteerd is van Jacoba van Beieren! Als dat geen aanslag op de vrijheid van onderwijs is! Nee, dan zit je met de canon als inspiratiebron veel veiliger. Aan een inspiratiebron kun je je laven of je kunt hem links laten liggen, net als bij de verschillende schotels van een lopend buffet.


Alle inspanningen voor niks, want het kabinet deinsde op het laatste moment terug. Plasterk en Van Oostrom zitten hier ook niet mee, want het was helemaal niet hun bedoeling om verplichtingen op te leggen – zo cultureel relativerend zijn ze ook wel weer. Merkwaardig, die politieke koudwatervrees, omdat de inhoud van de canon zo weinig opzienbarend is, om niet te zeggen: tam. Er staat werkelijk niets op wat ik me niet als expliciete lagere-schoolstof herinner, of het zouden Eise Eisinga en Aletta Jacobs moeten zijn, wier statuur van recenter datum is. Natuurlijk kan de lijst van vijftig moeiteloos worden uitgebreid tot honderd of vijfhonderd evengoed belangrijke vensters. Geen enkele canon op wat voor gebied dan ook, kunst, literatuur, helden, kan ooit de lading dekken, dus voor geschiedenis zal het ook niet lukken.

Een canon bestaat uit datgene waarvan belangrijke mensen menen dat het belangrijk is om te weten. Nogal wiedes dat deskundigen het niet volledig met elkaar eens zijn en dat allerlei niet-deskundigen het onderwerp überhaupt oninteressant vinden, maar uiteindelijk zal er door kinderen toch iets moeten worden geleerd tijdens de geschiedenisles. En dan is het toch handig als mensen die een land met elkaar delen ook het een en ander aan historische kennis met elkaar delen. Wat kan erop tegen zijn om al werkend aan de abstracte leerdoelen, door elke school naar eigen subjectieve voorkeur ingevuld, óók de door de commissie-Van Oostrom als belangrijk aangemerkte kennis de revue te laten passeren? Welk kind wordt daar slechter van? Welke leerkracht wordt erdoor gefnuikt in zijn onderwijsambities? Wie in de hele maatschappij wordt erdoor geschaad als kinderen zich wat arbitraire maar tegelijk elementaire historische kennis eigen maken?


Afgezien daarvan hoeft niemand te vrezen dat basisschoolkinderen daadwerkelijk iets zouden opsteken van een verplichte historische canon, want bij de Citotoets speelt geschiedenis helemaal geen rol – alleen de taal- en rekenvragen tellen mee. In feite zou een eventuele invoering van de canon alleen maar betekenen dat een enkele leerling met een spontane, bovengemiddelde belangstelling voor geschiedenis in de gelegenheid gesteld zou worden een vijftigtal kennisitems in zijn intellectuele bagage op te slaan. Geheel vrijblijvend, want van een eindtoets is geen sprake. Maar zelfs zo’n bescheiden streven geldt binnen de onderwijspolitiek kennelijk als een brug te ver. Beter niets leren dan iets arbitrairs.

import beatrijs ritsema