Kerk in de kast

We kennen de ophef die in Nederland kan ontstaan als er een moskee wordt gesticht. Maar hoe gaat het als Nederlanders een kerk beginnen in Turkije? Verslag uit het zuid-Turkse Alanya, bolwerk van christelijke overwinteraars. door Fréderike Geerdink, foto’s Allard de Witte

In het zuid-Turkse Alanya lopen zeker twintig arme jongens en meisjes rond met spiksplinternieuwe schoenen aan hun voetjes. Dat ze die gekregen hebben van de Nederlandse kerk in hun woonplaats, daarvan hebben die kinderen geen idee, en hun ouders ook niet. De Nederlandse kerk moet laveren tussen haar drang tot liefdadigheid en Regel Eén die het stadsbestuur van Alanya aan de kerk heeft opgelegd: Gij zult niet bekeren. En schoenen uitdelen aan armlastigen kán natuurlijk als een eerste stap van evangelisatie worden opgevat. Vandaar dat de gift niet aan de grote klok wordt gehangen. En vandaar dat ook de herkomst van de brilletjes die binnenkort worden uitgedeeld, geheim blijft.

Niet dat de kerk enige behoefte voelt om Turken te bekeren tot het christendom, laat dat duidelijk zijn. De kerk, officieel de Nederlandse Interkerkelijke Gemeente Alanya (NIGA), werd anderhalf jaar geleden opgericht door vier christelijke Nederlanders die semi-permanent in Alanya wonen en die hun wekelijk- se kerkgang misten. Ze besloten zélf een kerk te stichten. En lieten er vervolgens geen gras over groeien: een half jaar later was de eerste dienst. Niet zomaar een geïmproviseerd samenzijn, maar een kerkdienst met, behalve de officiële toestemming van de burgervader van Alanya, alles erop en eraan: een orgel en een organiste, een altaartafel, een groot houten kruis, een uit Nederland ingevlogen stapel psalmboeken én een Nederlandse voorganger. Over de opkomst die eerste keer bestaat enige verwarring, maar het moeten er tussen de zeven en wel vijftien zijn geweest.


Ook aanwezig die eerste keer: een groepje door de gemeente Alanya ingehuurde stillen. Tijdens de dienst patrouilleerden ze buiten, voor aanvang doken ze onder het geïmproviseerde altaar en de stoelen om de kerkgangers ervan te verzekeren dat de ruimte explosievenvrij was. Voor Kees van der Have, voorzitter van het kerkbestuur, had al die controle niet gehoeven. “Maar de burgemeester van Alanya wilde elk probleem uitsluiten. De eerste maanden is de omgeving van de kerk steeds op zondagochtend in de gaten gehouden. Je weet nooit hoe gewone mensen reageren op een kerk.”

Wat blijkt: de gewone mensen van Alanya reageren helemaal niet op de kerk. Sterker: de Turken hebben er over het algemeen geen idee van dat in de kelder van het gemeentelijk cultuurcentrum elke zondagochtend om tien uur een clubje Nederlanders samenkomt om hun geloof te belijden. Wie er echter oog voor heeft, pikt de christenen er vanaf pakweg half tien zó uit: de keurig geklede (voornamelijk) ouderen – de meeste vrouwen in rok, de mannen in pak – onderscheiden zich duidelijk van de doorsneetoeristen in korte broek of korte rok en mouwloos shirtje. Bedaard wandelen de kerkgangers naar het gemeentelijk cultuurcentrum, waar ze gebruik kunnen maken van een door de burgemeester ter beschikking gesteld zaaltje. Ze keuvelen nog wat voor ze de trap naar de kelder afdalen, het kerkboekje en een psalmenboek van de tafel bij de ingang pakken en plaatsnemen op een van de ongeveer 120 stoelen. Op een zondagochtend in mei zit het kelderzaaltje voor ongeveer een derde vol. Voorganger is dominee Jelle Loosman, in zijn werkzame leven geestelijk verzorger in een ziekenhuis en nu gepensioneerd. De kerk laat elke twee à drie maanden een andere voorganger uit Nederland overkomen en huurt voor hem (en binnenkort een haar) een appartement in een doorsneewoonwijkje in Alanya.


Alles geregeld dus. Behalve één ding: officiële erkenning als kerk. Dat zit er in Turkije niet in. Turkije erkent alleen kerken van oorspronkelijke bevolkings- groepen, zoals de Armeense kerk en de Grieks-orthodoxe. De NIGA bestaat bij de gratie van de burgemeester van Alanya, Hasan Sipahioglu. Hij bestuurt zijn stad aan de Middellandse Zee als een koopman: wat zijn burgers meer welvaart kan brengen, kan op zijn sympathie rekenen. Dus als een groepje oudere Europeanen, deel van de groeiende groep Europese overwinteraars in de kustplaats, hem komt vertellen dat het steunen van een Nederlandse kerk prima is voor het toerisme en het aantal overwinteraars kan opstuwen, dan doet hij niet moeilijk maar biedt hij gratis een zaaltje aan en geeft hij zijn zegen. En besteedt hij een klein deel van het gemeentelijk budget aan een handvol stillen, die nog steeds af en toe op zondag de buurt in de gaten houden en in ieder geval paraat zijn in tijden van eventuele onrust, bijvoorbeeld rond het uitkomen van Wilders’ film Fitna.

Afgelopen maart waren er gemeenteraadsverkiezingen in Turkije, wat meteen een spannende tijd was voor de NIGA: als een andere burgemeester de stembusgang had gewonnen, was het voortbestaan van de kerk onzeker geweest. Sipahioglu won, voor de derde keer op rij, maar ook dat biedt geen enkele zekerheid: mocht de christelijke kerk in het algemeen of de NIGA in het bijzonder iets doen wat de burgervader niet zint, dan kan Alanya’s eerste burger húp besluiten zijn zegen in te trekken en de NIGA de toegang tot het gratis zaaltje te ontzeggen. “Ach, dan vinden we wel weer een ander zaaltje,” zegt bestuursvoorzitter Kees van der Have schouderophalend.


Ongetwijfeld. Maar hoe laconiek Van der Have ook doet over het zondagse onderkomen, het doet hem pijn dat zijn kerk geen officiële status kan krijgen. Ze hebben overwogen een vereniging te worden, zoals de Duitsers die hetzelfde zaaltje elke zondagochtend vanaf 11.00 bezetten voor hun kerkdienst. Maar een Turkse vereniging moet in haar midden een portret van vader des vaderlands Mustafa Kemal Atatürk ophangen en voor elke vergadering een minuut stilte voor hem in acht nemen. “Dat past niet zo bij een kerk,” zegt Van der Have voorzichtig – de nagedachtenis aan Atatürk is heilig. “Maar buiten dat is een kerk natuurlijk geen voetbal- of tafeltennisclub, maar een instituut.”

Wederom pakken Van der Have en de zijnen het niet halfslachtig aan: ze zijn bezig een brief op te stellen aan minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken om hem te vragen deze kwestie mee te nemen in de onderhandelingen over de toetreding van Turkije tot de EU. Een gezamenlijk standpunt van Verhagen en al zijn Europese ambtgenoten, daar mikken ze op. Jelle Loosman, die al meerdere keren in zijn rol als voorganger naar Alanya kwam en ook in het bestuur van de NIGA zit, is bezig de brief op te stellen. “Het is natuurlijk gewoon een kwestie van godsdienstvrijheid,” zegt hij.

Overigens is hij niet zozeer beducht voor eventuele nukken op het gemeentehuis, maar voor andere buitenlandse christenen in Turkije. Met name Amerikaanse predikers maken het initiatieven als de NIGA moeilijk. “In Antalya, op twee uurtjes rijden van Alanya, zit een Amerikaanse predikant. Die is hier puur om zieltjes te winnen en heeft een flinke zak met geld. Zijn gedrag straalt af op ons: als hij over de schreef gaat, gaan alle christelijke kerken over de schreef en dragen we allemaal de consequenties. Daar zijn we bevreesd voor.”


De Turkse allergie voor christelijke zieltjeswinnerij en de houding van de staat tegenover kerken hangen nauw samen. De eenheid van de natie is een van de pijlers van de Turkse republiek, opgericht in 1923 als natiestaat die zo homogeen mogelijk gemaakt moest worden. Wie in de republiek woonde, was voortaan twee dingen: Turk (een identiteit die daarvoor niet echt bestond) en moslim. Was het percentage christenen in de Ottomaanse tijd nog pakweg dertig, al snel slonk dat tot de halve procent die nu nog over is: christelijke bevolkingsgroepen werden rond de stichting van de republiek vermoord (Armeniërs) of verbannen (Grieken, in ruil voor Turken uit Griekenland die naar Turkije kwamen), degenen die overleefden of achterbleven, werden grotendeels geassimileerd en leven nu, enkele generaties later, als moslims met een Turkse achternaam. Christendom werd synoniem voor buitenlands, voor vreemd en vijandig. En voor imperialistisch, want de landen die de overblijfselen van het Ottomaanse Rijk na de Eerste Wereldoorlog onderling wilden verdelen – Groot-Brittannië, Italië, Frankrijk en Griekenland – waren ook christelijk. En ze hádden al geen goede naam, dankzij de kruistochten, waarbij ooit ook Constantinopel viel.

Het wantrouwen tegen het christendom zit, kortom, diep in Turkije. En dat diepe wantrouwen is precies waar burgemeesters als die van Alanya rekening mee moeten houden als ze met clubs als de NIGA in zee gaan. Elke poging tot bekering van een moslim bevestigt de imperialistische neigingen van de kerk, en zou het de burgemeester onmogelijk maken de NIGA nog langer te steunen.


Dat de Turkse wet geen ruimte biedt voor het stichten van een kerk, heeft overigens vooral te maken met de verhouding tussen moskee en staat in Turkije. Religie en staat zijn niet gescheiden, maar juist innig verbonden: alle imams zijn in dienst van de staat, die het religieuze leven tot in detail controleert. In deze vorm van secularisme wordt de staat tegen de invloed van religie beschermd, in plaats van andersom, zoals in Nederland, waar secularisme religie vrijwaart van inmenging door de staat. Christelijke kerken de kans geven zich in Turkije te vestigen, zou een precedent scheppen en ook andere islamitische stromingen dan de staats-islam het recht geven te bestaan. Dat zou, zo vrezen strikt seculieren, een bedreiging vormen voor het secularisme en op den duur leiden tot hun schrikbeeld: Turkije als islamitische staat.

En toch is er een paar maanden geleden een Turk gedoopt in de Nederlandse kerk. Fikret is zijn naam, hij is 36 en aan de houten ketting om zijn hals hangt een vis. Kortstondig droeg hij daar een kruis, maar dat heeft hem vrienden gekost en zou zelfs zijn werk bemoeilijkt hebben, dus nu houdt hij zijn nieuwe geloof privé. Mensen die bij hem op bezoek komen, zien de Jezus-portretten aan de wand, maar niemand zegt er ooit iets over. Het doet een beetje denken aan hoe er in Turkije vaak wordt omgegaan met homoseksualiteit: het mag er wel zijn, als je maar niet uit de kast komt, als het maar niet te zichtbaar is. Fikret doet ook gewoon nog mee met de islamitische feestdagen. “Met het offerfeest slacht ik een schaap en deel ik het vlees uit aan arme gezinnen. Als ik dat niet doe, denken de mensen dat ik arm ben en komen ze mij vlees brengen, en dat wil ik niet. Ik leef tussen moslims, dus ik pas me aan.”


Hoe Fikret tot het geloof kwam? Daar heeft de NIGA niets mee te maken, zo haast hij zich te zeggen – hij kent de gevoeligheden in zijn eigen land natuurlijk als geen ander. Hij voelt zich al jaren christen, kwam in contact met de NIGA en zag zijn kans schoon: eindelijk een mogelijkheid zich te laten dopen. Fikret werkt in het religieus toerisme. Hij begeleidt al jaren reizen van christenen die in zuid-Turkije historische bijbelse plaatsen bezoeken. Zo leerde hij christenen kennen. Veel van de toeristen met wie hij werkt, komen uit Nederland, en dankzij een fikse talenknobbel spreekt hij nu zelfs heel behoorlijk Nederlands. Dat zich uitgerekend in zíjn woonplaats Alanya een Nederlandse kerk vestigde, mag dus gezien worden als het werk van God.

Wat zijn familie van zijn bekering tot het christendom vindt? Zijn ouders, die in Duitsland wonen, weten van niets. Zijn schoonfamilie maakt er geen woorden aan vuil. Zijn echtgenote doet er niet moeilijk over. “Omdat ik goed voor haar en onze kinderen zorg,” zegt Fikret. “Als dat niet zo zou zijn, hadden zij en mijn schoonouders mijn bekering misschien niet geaccepteerd.”

Fikret lijkt in de omgang met andere kerkgangers het lievelingetje van de club. Fikret is jong en uitbundig, een echte blije christen. Toch praat hij niet zoveel over het geloof met zijn mede-christenen. Hij snapt ze ook niet altijd even goed. Dat Jezus de zonden van de mensheid op zich heeft genomen door te sterven aan het kruis, dat vindt Fikret bijvoorbeeld toch wat al te makkelijk. “Er komt wel wat meer bij kijken hoor, om van je zonden verlost te worden.” Maar daar wil hij verder niet te diep op ingaan. “Ik geloof op mijn manier, en dat is goed. Daar hoef ik niet zoveel over te praten, niet met mede-christenen en dus ook niet met moslims. Ik ben Paulus niet.”


Ik ben Paulus niet – dat vat het karakter van de NIGA uitstekend samen. De vier stichters van de kerk zijn Paulus niet, en voorganger Loosman, zelf oecumenisch ingesteld, al helemaal niet. Zendingswerk, daar studeerde hij ooit op af als theoloog, en hij weet precies ‘wat de kerk daardoor kapot gemaakt heeft’. Juist daarom voelt hij zich zo aangetrokken tot de NIGA: geen enkele zendingsdrang, maar een kerk opbouwen die mensen van verschillende christelijke richtingen samenbrengt.

Maar tegelijkertijd, zegt hij, kan óók een kerk als de NIGA niet blind zijn voor de wereld om haar heen. De kerkgangers zien de armoede, die ook in een vrij wel-varend stadje als Alanya niet uitgeban- nen is. Via via zijn er contacten met een school, waar niet alle kinderen fatsoenlijke schoenen hadden. Inmiddels zijn alle voetjes dus geschoeid. En er komt meer. Na afloop van de dienst, als Jelle Loosman de kerkgangers allemaal persoonlijk de hand heeft geschud, kan de opbrengst van de collectes worden geteld. De traditionele zwarte zakjes met houten handvat – eentje voor de opbouw van de NIGA, eentje voor diaconaal werk – bevatten aan het begin van het toeristenseizoen na elke dienst pakweg 300 à 400 lira (ongerekend zo’n 150 à 200 euro). Nog even, en er is geld genoeg om de neusjes van een groepje slechtziende Turkse jongetjes en meisjes te bebrillen. Maar dat hoeft verder niemand te weten.

import buitenland