Veelzeggend detail

De vraag die elke biograaf vroeg of laat moet beantwoorden is: hoe ontdek je de rode draad die door iemands persoonlijke geschiedenis loopt? Het dominante, allesbepalende thema dat leven en werk van de geportretteerde op een begrijpelijke, consistente manier met elkaar verbindt? Eventjes aangenomen dat zo’n centraal thema inderdaad bestaat, wat allerminst zeker is. Zodat de zoektocht van meet af aan wordt bemoeilijkt door de kwellende twijfel die zo’n onderneming nu eenmaal aankleeft. Want mensen zijn complex en veranderlijk, zeker als het schrijvers en kunstenaars betreft, die zich wel móeten openbaren in datgene wat ze aan de wereld prijsgeven, maar die zich daar ook heel behendig en verraderlijk achter kunnen verschuilen. Hoe kun je zulke aalgladde en in principe weinig tot openheid geneigde escape-artiesten dus genoegzaam uit hun tent lokken om een intiem en verhelderend kijkje achter de schermen van hun publieke pose te krijgen? Pierre Assouline, een Franse journalist, essayist en biograaf, meent dat hij de oplossing heeft gevonden door zich consequent te concentreren op het ‘veelzeggende detail’. Als een pitbull die zich vastbijt in de allerminiemste anekdotes, omdat hij de ‘grote verhalen’ niet langer vertrouwt. Dat past natuurlijk naadloos in de postmoderne traditie van Franse historici, die zich in de jaren zestig en zeventig opeens op de geschiedenis van le petit peuple stortten en een heel tijdvak tot leven probeerden te wekken aan de hand van alledaagse voorwerpen, informele brieven of het knullige, argeloze huishoudboekje van een molenaar in de provincie. Want God huisde immers ‘in de details’: een uitspraak die al aan vele originele denkers is toegeschreven, van Spinoza tot Gustave Flaubert en Bauhaus-architect Ludwig Mies van der Rohe. Tja, voor die invoelende, microscopische benadering is ook heus wel wat te zeggen, maar ik betwijfel of je die zonder meer kunt toepassen op het literaire onderzoeksgenre van de biografie. De bundel essays waarin Pierre Assouline dit vergrootglas richt op de levensgeschiedenis van één persoon heeft mij in ieder geval niet erg overtuigd. De titel van zijn boek is Rosebud, een verwijzing naar de filmklassieker van Orson Welles, Citizen Kane, waarin de ondergang van de hoofdpersoon wordt toegeschreven aan het onverwerkte trauma dat hij opliep toen hij als jochie ruw van zijn ouders werd gescheiden. Zijn houten kindersleetje, met de naam Rosebud, bleef ontredderd achter in de sneeuw en dat beeld zou hem zijn hele volwassen leven blijven achtervolgen. Alsof het de freudiaanse sleutel was die precies paste op het slot van zijn toenemende isolement, zijn grootheidswaanzin en zijn uiteindelijke zelfvernietiging. In de biografische schetsen over de fotograaf Henri Cartier-Bresson, de joodse dichter Paul Celan, die over de concentratiekampen schreef en uiteindelijk zelfmoord pleegde, de Franse verzetsman Jean Moulin, en de twee wereldberoemde schilders Picasso en Bonnard, gaat Pierre Assouline op zoek naar vergelijkbare ‘sleutels’ die het geheim van hun leven en hun visie op het kunstenaarschap kunnen ontsluiten. Zoals de ‘zitstok’ van Cartier-Bresson, het tot stilstand gekomen polshorloge van Celan, de eeuwige sjaal van Jean Moulin, die het litteken van een mislukte zelfmoordpoging moest verhullen, en nog zo wat parafernalia en betrekkelijke toevalligheden, waaraan hij dramatische betekenissen probeert te verlenen en waarover hij elegant en altijd erudiet speculeert. Maar het blijven tamelijk gekunstelde speculaties, die meer suggereren dan aantonen, zodat je na afloop moet constateren dat je er beslist niet dommer van bent geworden, maar ook niet veel wijzer.

Emma Brunt

Pierre Assouline: Rosebud. De Geus. €18,90.

Ook verkrijgbaar via www.ako.nl

import non fictie