Wie wil een premier van 19,9 procent?

Ook bij de verkiezingen voor het Europees Parlement zette de versplintering van het electoraat zich voort. Geert Wilders en Alexander Pechtold zouden daar sámen iets aan kunnen doen. door Roelof Bouwman

Moeilijk was het altijd al, maar sinds de Europese verkiezingen van vorige week is het nóg moeilijker geworden. Want leg het maar eens uit aan – bijvoorbeeld – een Amerikaan: dat we in Nederland om te beginnen een staatshoofd hebben dat niet democratisch is gekozen. Dat we voorts een regering hebben die onder aanvoering staat van een niet rechtstreeks gekozen minister-president. Dat de politieke partij van die minister-president bij de laatste parlementsverkiezingen werd gesteund door slechts een kwart van de kiezers. En dat diezelfde politieke partij – we hebben het uiteraard over het CDA – bij de Europese verkiezingen van vorige week nóg slechter scoorde (19,9 procent), maar dat er niettemin flink werd gefeest omdat men toch maar ‘de grootste’ was gebleven.

In de Verenigde Staten is zoiets ondenkbaar. Hun staatshoofd annex regeringsleider heet, zoals bekend, Barack Obama. Hij werd op 4 november 2008 (rechtstreeks) gekozen en kreeg toen de steun van 52,9 procent van de Amerikaanse kiezers. Ook de meesten van Obama’s voorgangers scoorden bij presidentsverkiezingen percentages van boven de vijftig of soms zelfs boven de zestig procent.

Ook de meeste Europese landen beschikken over regeringsleiders die hun mandaat, anders dan Jan Peter Balkenende, te danken hebben aan een substantieel deel van het electoraat. Zo belandde Nicolas Sarkozy in 2007 in het Élysée dankzij de steun van 53,1 procent van de Franse kiezers. Angela Merkel werd in 2005 bondskanselier omdat haar christen-democratische partij bij parlementsverkiezingen meer dan 35 procent van de stemmen kreeg. De regerende Labourpartij in Groot-Brittannië scoorde in 2005 – toen nog onder leiding van Tony Blair – eveneens meer dan 35 procent, terwijl Silvio Berlusconi vorig jaar (opnieuw) minister-president werd dankzij de steun van 46,8 procent van de Italiaanse kiezers.


Was Nederland altijd al een raar land met ministers-presidenten die prat gingen op de steun van amper twintig procent van het electoraat? Nee, want in het verleden hadden we tal van premiers die een aanzienlijk ruimer mandaat hadden. De PvdA’er Willem Drees bijvoorbeeld (32,7 procent van de stemmen bij de Kamerverkiezingen van 1956), of de christen-democraten Dries van Agt (31,9 procent in 1977) en Ruud Lubbers (34,6 procent in 1986; 35,3 procent in 1989). Dat het CDA van minister-president Balkenende vorige week de grootste partij bleef met slechts 19,9 procent van de stemmen was nog niet zo lang geleden totaal onmogelijk. Ter illustratie: de VVD tekende bij de Kamerverkiezingen van 1982 voor 23,1 procent van de stemmen en finishte toen als derde.

Dat die situatie zo ingrijpend is veranderd, heeft alles te maken met een electorale trend die begin jaren negentig is in-gezet. CDA, PvdA en VVD, de drie ‘oude’ volkspartijen die samen tot dan toe steeds met gemak meer dan tachtig procent van het electoraat wisten in te palmen, begonnen toen langzaam maar zeker af te kalven. Bij de Statenverkiezingen van 1991 doken ze voor het eerst onder de zeventig procent, bij de Kamerverkiezingen van 2002 voor het eerst onder de 65 procent, en bij de Europese verkiezingen van vorige week bleef de teller steken bij 43,4 procent (zie tabel). Kort en goed: CDA, PvdA en VVD, de drie partijen die decennialang de hoekstenen vormden voor ons politieke bestel, zijn de afgelopen twintig jaar beetje bij beetje de helft van hun kiezers kwijtgeraakt.

Dat is een ontwikkeling die zich nergens anders in West-Europa op die schaal heeft voorgedaan. Maar toch: interessanter nog dan de oorzaken van die ontwikkeling zijn de gevolgen ervan. Want die zijn ronduit desastreus. Allereerst omdat de gestage afkalving van de drie oude volkspartijen gepaard is gegaan met een ongekende versplintering van het electoraat. In feite telt Nederland sinds vorige week acht middelgrote partijen met tussen de zeven en twintig procent van de stemmen. Dat is niet bepaald een goede uitgangspositie voor het vormen van een stabiel en slagvaardig kabinet.


Nog veel ernstiger is dat een dergelijke politieke constellatie niet meer in staat is democratische legitimiteit te verschaffen aan het belangrijkste politieke ambt dat we in Nederland kennen: dat van minister-president. Geen democraat kan er vrede mee hebben dat dat ambt (ook) in de toekomst bekleed zal gaan worden door politici die bij verkiezingen minder dan vijfentwintig of zelfs minder dan twintig procent van de kiezers a chter zich weten te krijgen. Een premier met zo’n score staat in democratisch opzicht voor aap: in Nederland, maar ook over de grenzen. Om dat laatste nog even wat concreter te maken: zou Balkenende aan Obama, Sarkozy, Merkel of Berlusconi durven te vertellen dat zijn partij vorige week in Amsterdam, nota bene de hoofdstad van het land, nog geen vijf procent van de stemmen kreeg en dat hij zelfs werd afgetroefd door de Partij voor de Dieren?

Maar gelukkig bestaat er een oplossing. Een oplossing die – eerlijk is eerlijk – niet door schrijver dezes is bedacht, maar door de oprichters van D66, alweer zo’n 43 jaar geleden. Wat de Democraten destijds voor ogen stond, was het tot ‘ontploffing’ brengen van ons politieke bestel. Omdat dat politieke bestel niet meer deed waartoe het ooit was ingesteld: het verschaffen van duidelijke politieke keuzes en het creëren van duidelijke politieke meerderheden.

Die analyse is anno 2009 actueler dan ooit. Dat geldt trouwens ook voor de remedie die D66 destijds aandroeg: laat de premier voortaan rechtstreeks kiezen – desnoods in twee rondes, zoals in Frankrijk bij presidentsverkiezingen – en voer bij Tweede Kamerverkiezingen een districtenstelsel in. Zo’n systeem levert niet alleen een ruim en rechtstreeks mandaat op voor de minister-president, maar bevordert (omdat elk district slechts één volksvertegenwoordiger mag afvaardigen) ook de vorming van grotere politieke concentraties. Meer helderheid voor de kiezer dus, meer bewegingsvrijheid voor de premier en minder (wederzijdse) afhankelijkheid van kabinet en parlement, waardoor tevens de controlerende functie van de volksvertegenwoordiging beter tot z’n recht kan komen.


Het frappante is dat dit oude D66-idee ook staat vermeld in het in 2006 opgestelde ‘verkiezingspamflet’ van de PVV. De twee grote winnaars van de Europese verkiezingen hebben, zo bezien, ten minste één reden om hun voortdurende gesteggel over een hier niet nader te noemen woestijngodsdienst even te staken en samen iets écht belangrijks te gaan doen. Geert en Alexander: de tijd is rijp, hup, laat ontploffen dat bestel!

import focus