Haags Hedenlands

‘Kun tuuk nie zomafnalles ga roepe’, is een typische uitspraak van Jan Peter Balkenende. ‘Stuukzo’ is er nog een. Maar onze premier is niet de enige rond het Binnenhof die grossiert in onduidelijke, versluierende en zigzaggende zinnen. Jan Kuitenbrouwer maakt een inventaris – van A tot Z – van het moderne politieke taalgebruik.

Allochtoon
Woord waarmee in Nederland immigranten en hun nakomelingen worden aangeduid. Dat we niet gewoon ‘immigranten en hun nakomelingen’ zeggen, stamt uit de late jaren veertig, toen het bon ton was om Nederland ‘te vol’ te vinden en je subsidie kreeg om te emigreren. Intussen vond toch op grote schaal immigratie plaats, denk aan de Indische Nederlanders, Surinamers, later de gastarbeiders, en om dat te verdoezelen werd de term ‘allochtoon’ bedacht. Nu lanceert ongeveer om de negen maanden iemand het voorstel om dat woord af te schaffen, wat op zich geen slecht idee is, ware het niet dat dan meestal in één adem een nieuwe fantasieterm wordt geopperd – medelander, nieuwkomer, nieuwe Nederlander – en zo blijft de euphemism treadmill draaien, zoals de Canadese filosoof Steven Pinker dat noemt. Tot we het beestje gewoon een keer bij zijn eigen naam noemen en ‘immigrant’ gaan zeggen. En ons, naar goed Amerikaans voorbeeld, de herkomst-constructie eigen maken: Turkse Nederlanders, Surinaamse Nederlanders, Antilliaanse Nederlanders, Indische Nederlanders, Patogonische Nederlanders, enzovoorts. Niet over zeuren, gewoon doen.

Lees het hele artikel, met onder meer Balkenends, Dimmen en Flapdrol in de HP/DeTijd van deze week.

Jan Kuitenbrouwer