De reünie

Anorexia, misbruik, zelfdoding – tijdens een weerzien op de balletacademie krijgt ex-leerling Janneke Jonkman schrijnende verhalen te horen, en schreef er een roman over. door Janneke Jonkman, foto’s Jos Lammers

21 januari 2007: reünie. Met een zekere tegenzin stap ik de drempel over van de school waar ik meer dan vijftien jaar geleden soms misselijk van angst naartoe ging. De school die bekendstaat als het Koninklijk Conservatorium te Den Haag – niet alleen de plek waar muzikanten hun opleiding volgen, maar ook hét instituut voor jonge balletdansers en -danseressen in spe. Op mijn elfde werd ik – een jong, vrolijk, ietwat gevoelig kind dat dol was op ballet – na een aantal auditieronden toegelaten tot deze opleiding, die aangeschreven staat als de beste van het land om danstalent te scholen op professioneel niveau. De komende ja-ren zouden mijn dagen voornamelijk uit dans bestaan: klassiek ballet, moderne dans en caractère, een vorm van folkloris- tische dans, slechts zo nu en dan afgewisseld door een paar uur ‘gewone’ schoolvakken. Dat het er anders aan toe zou gaan dan op de basisschool waar ik vandaan kwam, daar had ik natuurlijk wel een vaag vermoeden van. Maar hóe anders, dat merkte ik pas toen het schooljaar van start was gegaan, en er, voor mijn gevoel, geen weg meer terug was. Ik wilde immers zo graag danseres worden? Dan zou ik het pad ernaartoe ook zonder klagen moeten bewandelen.

Ik had elke dag hoofdpijn, vaak ook buikpijn. Bijna voor elke balletles had ik diarree. Mijn moeder maakte extra dik belegde boterhammen voor me, met gebakken ei of aardbeien, maar ik bleef eruitzien als een klein, levend spook. Aan de binnenkant van mijn ellebogen en in mijn knieholtes kreeg ik last van eczeem. Ook had ik last van een pijnlijk stuitje, zo pijnlijk dat ik een tijd bijna niet meer kon zitten. Vanaf het moment dat we op spitzen moesten dansen, vielen mijn teennagels eraf. Eerst werden ze blauw, toen zwart, en daarna vielen ze eraf. We mochten onze tenen alleen beschermen met plukjes zuivere schapenwol, maar die verfrommelden vaak tot een propje dat je nog meer blaren bezorgde. Drinken tijdens balletlessen was ten strengste verboden. Wel hadden we allemaal een soort kleine plantenspray, die we naast onze tassen onder de piano neerzetten, om de hiel van onze spitzen mee in te sprayen zodat die niet afzakte: soms kon je hiermee op een onbewaakt moment wat water op je tong spuiten.


Ik had lang getwijfeld of ik naar deze reünie zou gaan. Enkele balletdocenten van vroeger zouden er zeker zijn, en ik voelde er weinig voor hen terug te zien. Goed, ik was dan inmiddels niet meer dat meisje van elf en was al jaren geleden gestopt met dansen, dus veel macht zouden ze niet meer over me hebben. Maar de kans bleef aanwezig dat een van hen me, net als toen, misprijzend zou vastpakken bij een overtollig vetrolletje in mijn zij en zou zeggen: “Zo, het gaat goed met je, zie ik?” Zou ik me dan weer dat meisje van elf voelen, dat meisje dat kritiek willoos over zich heen liet komen?

“Je hebt geen bezieling,” zei hij. “Je staat erbij als een dooie koe.” Soms ook zei hij alleen maar ‘trut’ of ‘stom wijf’.

Ik had me laten overhalen door een oud-klasgenootje, Tania, met wie ik via Hyves weer contact had gekregen. “Als jij gaat, ga ik ook,” had ze gezegd. Maar eenmaal binnen in het gebouw zie ik haar nergens. Ik bel haar op haar mobiel. Ze klinkt nerveus. “Ik was er wel,” zei ze. “Ik stond in de deuropening. Maar ik kreeg een paniekaanval. Ik zit nu in de trein terug naar huis.”

Gelukkig zijn er wel een paar andere oud-klasgenoten die níet op het laatste moment op de vlucht zijn geslagen. We gaan ergens zitten, praten over vroeger. Het officiële programma slaan we over. Daar hebben we geen tijd voor, we moeten práten. Vroeger hielden we ons groot, deden we net alsof we het allemaal makkelijk aankonden – al die jaren heb ik gedacht dat ik de enige was die leed onder het strenge regime, dat ik een overgevoelig kind was dat niet tegen een stootje kon. Ik moest bovendien, meer dan sommige anderen, vechten tegen allerlei fysieke beperkingen, de reden dat ik na drie jaar van school af moest, nadat ik in de paasvakantie een balletrapport thuis had ontvangen waar in een regel onderaan stond: “De opleiding wordt wel/niet voortgezet”, met drie kruisjes door het woord ‘wel’.


Nu blijkt dat de anderen, van wie ik toen dacht dat ze fluitend de lessen ingingen omdat ze nu eenmaal geknipter waren voor het dansbestaan dan ik, het minstens net zo zwaar hebben gehad als ik.

Ik had heel veel last van migraine, vaak begon het meteen na school, vlak voor de balletles. Dan meldde ik me af, maar zodra ik thuis was, was het over. Het was gewoon stress. Op zondagavond deed ik altijd een gebedje: “Laat de week alstublieft snel voorbij zijn, dank U wel.”

Mijn eerste gedachte als ik ’s ochtends wakker werd, was: ik ben dik. Ik heb echt mijn best gedaan om anorexia te krijgen in die tijd, maar het lukte niet. Ik kan niet overgeven. Ik weet nog dat ik jaloers was op Tania, haar lukte het wel.

Pas aan het einde van de middag durven we over dat andere verhaal te praten: het verhaal van de oud-klasgenoot die niet meer in ons midden is. Abel. Hij was het meest veelbelovende talent van ons allemaal. Als jongetje al had hij een betoverende manier van zich over het toneel bewegen. Alles leek hem moeiteloos af te gaan, alsof het hem geen enkele inspanning kostte. De hoofdrollen kwamen hem aangewaaid.

Toen hij het toneel op kwam, keek ik alleen nog maar naar hem, ik zag niets meer van de rest van de voorstelling, alleen nog maar hoe hij overal tussendoor zweefde, mannelijk en krachtig en toch gewichtloos, hij leek licht te geven, hij was een engel, iemand die niet van deze aarde was.

Maar in het laatste jaar van zijn hbo-opleiding aan het conservatorium kwamen er barsten in het sprookje. Na een voorval hebben we Abel niet meer op school teruggezien: van de ene op de andere dag was hij weg. Waarom, dat is ons nooit helemaal duidelijk geworden. Via een omweg kwam hij terecht bij Het Nationale Ballet, waar zijn talent onmiddellijk werd herkend. Hij maakte snel carrière, kreeg prachtige rollen, won prijzen, stimuleringsbeurzen.


En toch. Er was iets waardoor hij niet gelukkig kon worden. Hij was 24 jaar toen hij, in de keuken van zijn ouderlijk huis, een mes in zijn hart stak, net als in het ballet Romeo en Julia. Het was zijn laatste uiting van zelfexpressie.

Hoe heeft het zover kunnen komen? We praten erover, bijna fluisterend. Zo nu en dan komt er een balletdocent van vroeger voorbij, maar ze kijken ons nauwelijks aan, lopen na een korte hoofdknik weer verder. Het lijkt wel alsof zij nu bang zijn voor óns, nu we midden in het leven staan en geen elf jaar meer zijn. Misschien vrezen ze dat we dáár over praten, over dat wat iedereen liever vergeet: over de docent van wie wordt gezegd dat hij, niet lang nadat Abel van school was gegaan, is ontslagen omdat hij een relatie had aangeknoopt met een leerling, een jongen die, toeval of niet, erg op Abel leek. Ook Abel had jarenlang les gehad van deze docent; het was de docent die de jongens trainde.

Soms wilde Jan-Pieter de Vos ons op de foto zetten, dan ging de deur dicht en moesten we onze balletpakjes naar beneden doen. Of we moesten op de barre gaan staan in studio vijf, en dan fotografeerde hij ons van onderaf.

In de rechtszaak die volgde na het ontslag, wilde Abel niet verschijnen, maar wel diende hij bij de directeur een document in dat tegen deze man getuigde. Jan-Pieter de Vos wist echter ook een aantal jongens aan zijn kant te krijgen, onder wie de jongen met wie hij op dat moment een relatie had. Overigens ging, zo schijnt, aan het verleidingsspel altijd een subtiele machtsstrijd vooraf: Jan-Pieter de Vos isoleerde een van de talenten (meestal een jonge, blonde jongen) eerst van de rest van de groep door hem onder meer apart, na de lessen, te trainen; wilde de jongen hier niet aan meewerken, dan werd hij wegens gebrek aan talent van school gestuurd, of voor de rest van de groep belachelijk gemaakt.


De rechter kon niets beginnen, omdat de jongen in kwestie inmiddels achttien jaar was en zwoer dat zijn relatie vrijwillig was; het document van Abel is waarschijnlijk nooit in de rechtszaak naar voren gebracht omdat het feitelijk ook een aanklacht was tegen de school en de directeur zelf, en de school moest niet in een negatief daglicht komen te staan, nietwaar?

Aan het einde van de dag worden we uitgenodigd het podium op te komen. Een van de dansdocenten doet stukken voor uit repertoires van vroeger, en wij mogen allemaal meedoen. We doen niet mee. We zitten in de zaal en kijken toe hoe anderen zich laten meevoeren door de muziek, de pasjes van jaren geleden met grote precisie uitvoerend alsof het gisteren was dat ze er in de studio in werden gestampt.

Bij het afscheid omhelzen we elkaar. We voelen ons verbonden, nog meer dan vroeger, door de gesprekken die we hebben gevoerd. We zullen elkaar terugzien, beloven we.

Ja, we zullen elkaar terugzien, gaat er door mijn hoofd, terwijl ik in de trein terug rijd naar Amsterdam. Misschien, denk ik, kan ik hier wel een boek over schrijven, een roman waarin al onze verhalen een plaatsje krijgen.

26 mei 2009: boekpresentatie. Vandaag overhandig ik het eerste exemplaar van Vederlicht aan Rudi van Dantzig, die ik als jong meisje al bewonderde als choreograaf, maar vooral ook als schrijver van het prachtige Voor een verloren soldaat, waarin hij beschrijft hoe een Amerikaanse soldaat het na de bevrijding aanlegde met de toen twaalfjarige hoofdpersoon (lees: Rudi van Dantzig).

Van Dantzig had eerst getwijfeld of hij vandaag wel wilde komen, vertelt hij. Een boek over ballet, dat kan vast alleen maar iets heel zoetsappigs zijn, had hij gedacht. Hij werd over de streep getrokken omdat ik, in mijn brief aan hem, over Abel had gesproken, een danser die hij, als choreograaf bij Het Nationale Ballet, goed heeft gekend. Nog altijd had hij spijt dat hij hem niet eerder had gevraagd voor de rol waarin hij Abel voor ogen had gehad, net voor diens dood, een rol in het ballet Monument voor een gestorven jongen, waarin een danser worstelt met zijn seksuele identiteit.


In een zeer geëmotioneerde toespraak spreekt Van Dantzig hierover, en ook over de balletopleiding waar in het boek uitgebreid op in wordt gegaan. “Ik had geen idee dat het er zo aan toeging,” zegt hij. “Ik heb altijd privéles gehad. Maar wat er van zulke jonge kinderen wordt gevraagd, dat vind ik onthullend.” Hij zoekt naar het juiste woord. “Ontluisterend. Ik hoop echt dat dat inmiddels is veranderd.”

Er ís wel iets veranderd, heb ik gehoord. Sinds de komst van de nieuwe directeur waait er een andere wind door de school: er zijn betrouwbare docenten aangenomen, onder wie een andere docent voor de jongens, er zijn lessen blessurepreventie ingevoerd, er is een contactpersoon voor leerlingen met psychische problemen, en er wordt gewerkt aan uitbreiding van het medisch team en betere samenwerkingsverbanden, onder meer met een kliniek voor eetstoornissen.

Maar dat verandert niets aan onze herinneringen. De woorden van Rudi van Dantzig doen iets met mij – met ons. Ik luister ernaar met een brok in mijn keel, en ik zie hoe achter in de zaal een oud-klasgenote, een van de oud-klasgenoten die ik voor het boek heb geïnterviewd, in tranen uitbarst. Dit boek schreef ik niet alleen namens mezelf, besef ik, maar namens ons allemaal. Oók, denk ik, namens Abel, die zelfs zijn manier van sterven tot kunst verhief. “Some people become crazy, some people become legend,” was zijn levensmotto.

Abel verdiende het een legend te worden.

Danser Arjan van Hamersveld, in het boek ‘Abel’ genoemd, overleed op 17 december 2001.

De gecursiveerde fragmenten in het artikel zijn afkomstig uit Vederlicht van Janneke Jonkman, uitgegeven door De Arbeiderspers.


www.jannekejonkman.nl.

De namen in het artikel zijn gefingeerd.

Veel dansers in spe moeten naar een diëtiste om op gewicht te blijven. In Vederlicht beschrijft een van de personages hoe er, toen ze dertien jaar was, ineens een lijst in de gang hing met daarop de namen van leerlingen die naar de diëtiste moesten. Daar werd haar vet gewogen en werd bepaald dat ze acht kilo moest afvallen. Het dieet dat werd voorgeschreven, kent ze nu nog uit haar hoofd: één bakje yoghurt, twee crackers waarvan één belegd, vijftig gram vlees, eenderde bord groente, anderhalve aardappel, één glas vruchtensap en anderhalve liter water.

Janneke Jonkman (1978) begon op elfjarige leeftijd aan een dans- opleiding aan het Conservatorium in Den Haag, die ze na drie jaar afbrak. Na de middelbare school ging ze Nederlands studeren in Amsterdam. In 2001 debuteerde ze met Soms mis je me nooit, gevolgd door De droomfotograaf (2004) en Verboden te twijfelen (2006). Onlangs verscheen haar vierde roman, Vederlicht.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import ballet