In de kast

In sollicitatiegesprekken met een vrouwelijke kandidaat mag de toekomstige werkgever niet informeren of ze toevallig zwanger is, dan wel de intentie heeft dat binnenkort te worden. Voortplanting is een privéaangelegenheid. Zwangerschap mag geen reden zijn een vrouw te ontslaan en dus ook niet om haar niet aan te nemen. Een redelijke regel om vrouwen te beschermen tegen discriminatie op grond van geslacht.

Toch is het begrijpelijk dat de werkgever, vooral in geval van het kleinbedrijf, zich bekocht voelt wanneer een zorgvuldig geselecteerde personele aanwinst ogenblikkelijk zwanger blijkt en voor maanden uit de running gaat. Zijn zulke perikelen te vermijden? Nee, want de wet spreekt klare taal, met als mogelijk ongunstig neveneffect dat werkgevers van kleine bedrijven of organisaties het zekere voor het onzekere nemen en de hele categorie vrouwen van om en nabij de dertig links laten liggen. Een andere oplossing is dat een vrouw met een acute voortplantingswens ervan afziet te solliciteren bij een werkkring die schade zou ondervinden wanneer zij onmiddellijk zwanger zou worden. Dat is niet zo moeilijk in te schatten. Het ene bedrijf vangt zoiets geruisloos op, het andere komt in financieel zwaar weer terecht.

Iets vergelijkbaars speelt bij de vraag of christelijke scholen homoseksuele leraren mogen weren. Hoewel ook hier de wet klare taal spreekt: discriminatie op grond van seksuele geaardheid is verboden, ziet het ernaar uit dat de Raad van State toch een uitzondering gaat maken voor christelijke scholen. Als de levensstijl van een docent niet overeenstemt met de signatuur van de school, mag de school ingrijpen, zoals onlangs gebeurde met een leraar van een basisschool in Emst, die op non-actief werd gesteld nadat hij zijn homoseksualiteit openbaar had gemaakt. Dit is natuurlijk een flagrant staaltje discriminatie van minderheden. Aan de andere kant kan een stevig christelijk schoolbestuur nauwelijks anders reageren. Hoe kunnen ze iemand handhaven die zich openlijk afficheert als zondaar? De redactie van Opzij (althans onder het bewind van Cisca Dresselhuys) accepteerde geen hoofddoekjes in haar gelederen, omdat die in haar ogen symbool staan voor de onderdrukte positie van vrouwen.


Het lijkt mij een goed recht van belangenclubs, zoals Opzij en het christelijk onderwijs, gelijkgestemden in de werkkring op te nemen, mensen van wie kan worden verwacht dat ze de boodschap van de club onderschrijven. Problemen rijzen pas wanneer te sterk wordt ingezoomd op mogelijke afwijkingen van en uitzonderingen op de letter van het gedachtengoed. Vooral op het gebied van seksualiteit is er zo veel zondigs mogelijk dat een instantie er beter niet aan kan beginnen de een of andere seksuele uiting als selectiecriterium voor werkgelegenheid te nemen. Als een christelijke school moet kiezen tussen een saaie, christelijke homo die al twintig jaar huis en haard deelt met zijn al even ingetogen vriend die in de gehandicaptenzorg zit, en een macho heteroman die elk weekend op hardcorefeestjes een nieuw meisje versiert voor de nacht, dan zou de homo wellicht eerder in aanmerking komen. Anderzijds kan de macho hetero best een goede leraar zijn. De details van iemands seksleven zijn uiteindelijk irrelevant voor iemands beroepsuitoefening. Ze worden pas een probleem wanneer ze onder de loep worden genomen terwille van de bespreekbaarheid.

In de negentiende eeuw was het voor bemiddelde ongetrouwde vrouwen vrij gebruikelijk om samen te wonen. Niemand die daar vreemd van opkeek (lesbianisme was zo taboe dat veel mensen daar nog nooit van gehoord hadden) en zo’n samenlevingsverband werd ook wel Bostonian marriage genoemd, oftewel een ongeconsumeerd huwelijk. Ook mannen leefden trouwens wel op die manier samen. Ongetwijfeld zal in verschillende huishoudens van seksegenoten wel degelijk een en ander aan vleselijke lusten zijn geconsumeerd, en na verloop van tijd misschien weer niet, zoals dat wel vaker gaat in langlopende relaties; hoe dan ook, mensen met homoseksuele of homo-erotische geneigdheden konden hun leven daar naar inrichten zonder dat de buitenwereld hen in een strikt seksueel hoekje plaatste. Genegenheid was voldoende voor een Bostonian marriage en niemand trok z’n wenkbrauwen daarover op.


Een ideale situatie, waar ook het christelijk onderwijs zijn voordeel mee zou kunnen doen, en niet te vergeten alle homoseksuelen die om privacyredenen geen zin hebben uit de kast te komen.

import beatrijs ritsema