Beschaafd voorwaarts

Met de meeste kranten gaat het slecht, maar bij NRC Handelsblad heerst gematigd optimisme. Over macht, de Volkskrant en het nieuwe uitgeven. ‘Vorig jaar hebben we een kleine 75.000 cd’s verkocht.’ door Daan Dijksman & Gert Hage, foto’s Anaïs López

Als ambiance voor het afscheid van Kasper Jansen (63) als muziekredacteur van NRC Handelsblad had de krant van het establishment gekozen voor de Spiegelzaal van het Amsterdamse Concertgebouw. De eerste spreker die de glimmend kale en goed in het pak zittende ceremoniemeester (en correspondent te Moskou) Michel Krielaars had mogen introduceren, was de hoofdredacteur van de krant. Sinds tweeëneenhalf jaar is dat een charmante, nogal meisjesachtige (maar ook alweer 44 jaar oude), hooggehakte verschijning in de persoon van Birgit Donker, die zich met een vanzelfsprekend overkomende mix van souplesse en stijl, annex ernst en luim, had gekweten van haar uitlui.

Terwijl die eerste donderdag van juni de culturele elite de voortreffelijkheid van de, ook op zijn laatste dag met een fleurige vlinderstrik getooide, muziekpaus had staan te benadrukken, was elders Geert Wilders doende geweest met de electorale verzilvering van zijn aversie – om niet te zeggen haat – tegen de elite.

Eerder die week had de PVV-leider zijn achterban nog eens uitgelegd dat het hem niet alleen maar om die verdoemelijke islam ging maar óók om ‘gladpratende bestuurskunde-doctorandussen met design-brillen’ en ‘de kunstmaffia’. Dat hij de VPRO in dat verband noemde, was minder opmerkelijk dan dat hij ook, of vooral, NRC Handelsblad meende te moeten memoreren als exponent bij uitstek van ‘de linkse grachtengordel’.

Opiniepeiler Maurice de Hond zou, twee dagen na de Wilders-landslide geïnterviewd in NRC Handelsblad, het wat genuanceerder typeren: “NRC Handelsblad is onderdeel van de machtselite. Ik noem die krant het vakblad van de macht. Dat baseer ik op de samenstelling van de lezerskring en de wijze waarop jullie over dingen schrijven.”


Ja, het zijn maatschappelijk gesproken rare, en in termen van de economie van de krant gesproken nare tijden waarin Birgit Donker het dagblad aanvoert.

Het enige smetje op het verloop van Birgit Donkers even soepel als stijl omhoog verlopen carrière vormt het gegeven dat er ten tijde van de benoemingsprocedure vanuit de PCM-top door krantenbaas Philip Alberdingk Thijm enige twijfel leek te worden gezaaid inzake haar vernieuwingsgezindheid.

Die beeldvorming hing samen met Donkers langjarige rol als adjunct- en waarnemend hoofdredacteur en daaraan werd nog eens extra bijgedragen door de kandidatuur van onder meer Hans Nijenhuis, die nrc.next runde.

Inmiddels heeft Donker zich wel degelijk vernieuwingsgezind betoond. Althans naar de maatstaven van haar krant, waar schoksgewijze veranderingen in het product door de makers daarvan veel minder worden geapprecieerd dan bijvoorbeeld bij concurrent de Volkskrant. Hoeveel er niettemin is veranderd, bleek dit voorjaar toen de opheffing van het maandelijkse magazine M werd opgeluisterd met een dubbelinterview met André Spoor, die zo ongeveer geldt als de bedenker van de fusieformule, en Birgit Donker. Het was een wat ongemakkelijk overkomende tweespraak, waarbij Spoor vooral bleef verkeren in het verre verleden van zijn eigen voortreffelijkheid en maar weinig oog had voor de onontkoombare ingrepen waartoe de tijdgeest zijn verre opvolgster had verplicht.

Anders dan bij de Volkskrant, waar men zich op de werkvloer verslaafd weet aan kantoorpolitiek en de emoties die daarmee gepaard gaan, wordt zo’n wisseling van de wacht op de NRC Handelsblad-redactie gelijkmoedig ondergaan.


In het beschaafde klimaat waarop men zich bij NRC Handelsblad op alle niveaus graag laat voorstaan, is vooral veel not done. Zo is men er, anders dan bij de Volkskrant, niet van de roddel rond het koffieapparaat. Vast onderdeel van de bedrijfscultuur is ook een voorkeur voor niet al te nadrukkelijke bemoeienis met de bezigheden van de anderen in het door deelredacties gevormde eilandenrijk. En een eilandenrijk is de redactie vanaf de fusie tussen de Rotterdamse Nieuwe Rotterdamse Courant en het Amsterdamse Algemeen Handelsblad, volgend jaar alweer vier decennia terug, eigenlijk min of meer tot op de dag van vandaag gebleven. Vanuit die breed gedeelde hang naar non-interventie is het ook niet zo vreselijk interessant wie er hoofdredacteur of uitgever wordt.

“De krant is een chique organisatie,” zegt chef kunst Raymond van den Boo-gaard, “waar een nogal formalististische, burgerlijke sfeer heerst, die dan ook mijlenver verwijderd is van het samenzweringsmodel. Nee, er is geen schijn van hang naar arbeiderszelfbestuur.”

Die afstandelijkheid geldt niet alleen de huidige eigenaar PCM, waarmee een concurrent als de Volkskrant altijd veel meer verweven is geweest, maar lijkt zich ook te gaan uitstrekken tot een nieuwe eigenaar als de krant zal zijn verkocht uit de boedel van de Belgische Persgroep onder leiding van Christian Van Thillo.

Zo er al kritiek is op Donker, dan geldt dat haar nadrukkelijk beleden overoptimisme over de toekomst van de krant. De speech op de nieuwjaarsbijeenkomst waarin ze aankondigde op zaterdag de Volkskrant voorbij te streven wordt daarbij als voorbeeld genoemd.

Birgit Donker, geboren op Curaçao, maar als dochter van een internist en een diëtiste opgegroeid in het boven Groningen gesitueerde dorpje Onderdendam, maakte als gymnasiaste van zestien jaar oud haar keuze voor de journalistiek en een correspondentschap in het bijzonder. Het zien van Reds (een verfilming van Ten Days That Shook The World, het boek van de bij de Oktoberrevolutie betrokken Amerikaan John Reed) was daarbij bepalend.


Aan haar entree op de toen nog door Ben Knapen geleide krant, inmiddels achttien jaar geleden, ging een perfecte vooropleiding vooraf. Eerst de studie geschiedenis in Amsterdam, bekroond met een scriptie over de vooral door De Gaulles Frankrijk veroorzaakte opkomst en ondergang van de Europese Defensie Gemeenschap. Die interesse voor ‘Europa’ is gebleven en valt ook in de kolommen van de krant terug te zien. In Parijs volgde ze de Ecole Supérieure de Journalisme, studeerde ze geschiedenis aan de Sorbonne en liep ze zowel stage bij NRC Handelsblad als bij Le Provençal in Avignon en bij de toenmalige Volkskrant-correspondent in Parijs, Philip Freriks.

Freriks weet niet meer of hun contact nu stamde uit Avignon of uit de tijd van haar historisch onderzoek in de sfeer van diplomatie en defensie. “Nee, ik kan niet zeggen dat ik toen al heb gezien dat die loopbaan erin zat. Ik vond het een aardig, zeer intelligent en vooral heel serieus meisje. Als ze toen weleens wat schreef, zei ik dat het soms ook best leuk mocht zijn. Toen ze later correspondent in Brussel werd, vond ik dat ze behoorlijk beeldend was gaan schrijven. Maar het was een beetje een brave studente toen; van uitbundig cafébezoek en zo kan ik me dan ook niets herinneren. Ik kom haar nog weleens ergens tegen en ze is, ook qua uiterlijk, een veel vlottere vrouw geworden. Ze is erg charmant, geen bitch of kenau; ze maakt op mij een bijna kwetsbare indruk. En zeer consciëntieus – dat is het woord wat mijn indruk nog het best weergeeft.”

Na een aantal jaren op de (bureau)re-dactie binnenland had Ben Knapen voor Donker onverwacht snel een correspondentschap in Brussel in petto. Dat staat te boek als een zware post, omdat de correspondent naast het vele, vaak zowel complexe als institutionele nieuws uit NAVO en EU ook nog eens geacht wordt te berichten over het tamelijk ingewikkelde België. De krant doet niet aan elkaar opvolgende correspondentschappen, omdat die de man of vrouw in kwestie te veel van Nederland zouden vervreemden. Na Brussel had Donker zelf een functie op de politieke redactie in gedachten. Tot haar verbazing werd ze gevraagd voor een adjunctschap, in welke hoedanigheid ze, roulerend met een collega, onder meer fungeerde als voor de dagkrant verantwoordelijke ‘nieuwsmanager’. Maar daarnaast schreef ze (geïnspireerd door leven en werken van Bridget Jones) ook ‘Sophie zet door’, een satire in wekelijke afleveringen over het bestaan van een carrièrevrouw in de inmiddels ter ziele zijnde bijlage Leven &cetera. Dat deed ze onder een nom de plume, waarbij ook de redactie verstoken bleef van haar identiteit. Het gebundelde feuilleton biedt helaas nauwelijks aanknopingspunten – haar affiniteit met ambitie daargelaten – voor duiding van het karakter van de auteur.


Elke werkdag meldt ze zich tussen half acht en acht uur op de Marten Meesweg nummer 35 in Rotterdam-Alexanderpolder, een betonnen kantorenwijk met snelwegzicht, shopping malls en weinig opwindende uitspanningen als Chicken Spot, Chinees restaurant Nieuw Lin Fah en café Wilskracht.

Op een grote rechthoekige tafel in haar kantoor, dat verder in het teken staat van door haar aangeschaft beschaafd, met rood bekleed, Gispen-meubilair, liggen de kranten klaar. De glanzend zwarte piano in het werkvertrek stamt nog van haar voorganger, Folkert Jensma. Net als Donker zelf een bekwaam pianist, met dien verstande dat Jensma met regelmaat wat Chopin of Schubert ten gehore bracht, terwijl Donker de toetsen niet meer beroert, hetgeen te betreuren valt, als we mogen afgaan op de geestdriftige verhalen uit haar omgeving omtrent haar talent.

Na het doornemen van de kranten, waaronder de Financial Times (“Knap hoe die krant politiek en economie weet te combineren”), Le Monde (“Een voorbeeld vanwege hun enorme horizon, met veel aandacht voor buitenlandse politiek”), de International Herald Tribune (“Fijn geschreven krant, die makkelijk switcht van micro naar macro en met geweldige columnisten, onder wie Maureen Dowd”) en de vaderlandse pers, wacht om kwart voor negen het chefsberaad. Daarin wordt kort teruggeblikt op de krant van gisteren en worden besluiten genomen voor de krant van die dag die een paar uur later ter perse gaat. Hoewel Donker heel wat uren vergaderend doorbrengt, probeert ze het evenwicht te bewaren tussen de vergezichten van de lange termijn en een meer hands on-betrokkenheid. Want de dynamisering van de dagkrant rekent ze uitdrukkelijk tot een van haar prioriteiten. “We zijn reflectiever dan de Volkskrant, we proberen veel duiding te geven en zijn goed in onze analyses. Maar wat meer journalistieke opwinding zouden we wel mogen tonen.”


Na haar aantreden als hoofdredacteur bleef de journalistieke agenda van de krant in grote lijnen ongewijzigd. “Het zou ook gek zijn om als je al een tijd plaatsvervangend bent geweest als hoofdredacteur 180 graden de andere kant op te gaan. Europa blijft dus belangrijk voor ons, zoals ook justitie, cultuur, economie, en de verhouding tussen burgers en overheid, zeker na alle beperkende maatregelen die na 11 september zijn ingevoerd. Nee, we zullen zeker niet onze cultuursectie inkrimpen ten gunste van meer lifestyle, zoals ik wel om me heen zie. Daar krijg ik kippevel van.”

Naar de Volkskrant verwijzend, zij het zonder die naam te noemen: “Voor ons liever geen rubrieken als ‘hoe verbeter ik mijn seksuele leven’ of ‘alles over uw huis’. We kijken liever wat verder dan het eigen huis of de eigen ziel.”

Niet alles bleef hetzelfde bij de krant sinds haar aantreden. De rubrieken van oudgedienden als Joep Bik, Jan Sampiemon en Frank Kuitenbrouwer verdwenen, het Hollands Dagboek werd verbouwd, Joyce Roodnat werd commentator kunst, nieuwe adjuncts werden benoemd, het tijdschrift next.one (een gratis bijlage van nrc.next) werd opgericht en werd weer rap de nek omgedraaid, NRC Focus (‘Voor beslissers en hen die beslissers adviseren’) kwam, de beurs- en mediapagina’s werden ingekort, de boekenportal daarentegen stevig opgetuigd. Maar de belangrijkste verandering, zegt chef kunst Raymond van den Boogaard, ‘is het optimisme dat zij uitstraalt over de toekomst van de krant’. “Haar voorganger Folkert had iets zorgelijks over zich. Hij luidde met regelmaat de noodbel, met af en toe de uitbarsting als stijlfiguur. Over verontrustende lezersonderzoeken, over het teveel aan spelfouten en over hoe het nu verder moest met de krant. Birgit is rustiger, soevereiner. Haar houding is: ‘We maken een mooie krant en we zijn rendabel’.


“Eens per week stuurt ze per interne mail een bericht met wat ze van de krant van die week vond, gelardeerd met een enkel individueel compliment en soms ook een waarschuwing in de trant van: ‘Zolang er weinig over Karst Tates, bekend is, geen speculaties over zijn motieven.’ Of: ‘Geen Marokkaan, maar: een Nederlander van Marokkaanse afkomst.’ Als chef kunst prijs ik me gelukkig met haar. De kunstredactie omvat zeventien personen en beschikt over het op één na grootste freelancebudget. Alleen al uit dat fenomeen blijkt hoe belangrijk zij cultuur vindt voor de krant. En dat is, zie de recente restyling van de Volkskrant, minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Ik vind het oprecht jammer dat zodoende iedere competitie met die krant is verdwenen.”

Maarten Schinkel, commentator economie: “De grootste verdienste van Folkert is dat hij het gekrakeel bij PCM op afstand heeft weten te houden. Hij heeft ons voor veel rampen behoed. Birgit zet, net als haar voorgangers, in op kwaliteit. Ze wil dat de krant de aansluiting behoudt met het denkende deel van de natie. Prima; ik denk dat het de juiste, zo niet de enige, formule is om te overleven.”

Hubert Smeets, eveneens commentator: “Birgit is naast hoofdredacteur ook directeur, het Britse model dus. In die hoedanigheid heeft ze een beter zicht op de winst-en-verliesrekening van de krant dan Folkert. Misschien dat dat haar optimisme verklaart, al zit het ook in haar aard. Nee, over haar privéleven laat ze weinig los. Ik weet dat ze twee kinderen heeft en een partner. Ook dat afschermen van het leven buiten de krant past bij de NRC, dat geen club is van vrienden die elkaar na het werk ontmoeten. Maar vergis je niet in haar, ze is van het strakke soort. Niet iemand die denkt: morgen weer een dag.”


Het optimisme aan de Marten Meesweg is op z’n minst opmerkelijk in een tijd waarin de lezer wordt overspoeld met droeve berichten over de toekomst van het fenomeen krant. “Het valt me op dat in de Nederlandse pers het woord ‘krant’ altijd wordt voorafgegaan door het adjectief ‘noodlijdend’,” zegt Birgit Donker. “Het is onterecht. Het is een mooie, vitale bedrijfstak, waarmee mooie winsten worden gemaakt. We hebben vorig jaar een rendement van tien procent gehaald, en ook dit jaar is dat ons streven.”

Volgens de laatste HOI-cijfers daalde de oplage van NRC Handelsblad met 4,8 procent tot net onder de 200.000. Een fors verlies, maar Donker lijkt er niet onder gebukt te gaan. “Die cijfers weerspiegelen voornamelijk het traditionele zesdaagse abonnement, terwijl er daarnaast een heel scala aan combinatie-abonnementen bestaat. Niet meegenomen zijn de 80.000 abonnees van next en evenmin de 8000 webabonnees die jaarlijks 75 euro betalen voor de digitale krant. Wij vinden dat op internet niet alles gratis hoeft te zijn en gelukkig vindt dat geluid steeds meer weerklank.”

Mochten er in de krantenwereld twijfels bestaan over de rendementen die NRC Handelsblad zegt te behalen, zo niet bij directeur/uitgever Gert Jan Oelderik. Tegenwerpingen van PCM-watchers dat dit sterk afhankelijk is van de wijze waarop de kosten worden toegerekend, wijst hij resoluut van de hand. Aan zelfvertrouwen geen gebrek bij Oelderik, maar wat weten Birgit Donker en hij beter dan Arthur O. Sulzberger Jr. bij The New York Times en Rupert Murdoch bij Newscorp.?

Aan het einde van een lang gesprek wijst Oelderik achteloos op het platina voor meer dan 25.000 verkochte Mahler-cd’s, die tegen de muur van zijn kantoor staat. “Ik kom van Apple. Wat we nu doen met NRC – productdiversificatie – is daar al jaren gangbaar. De krantenwereld heeft decennialang stilgestaan. Wij bouwen aan een portefeuille van informatieoverdragers, waaronder twee kranten, het organiseren van debatten, e-paper, NRC Focus en internet. Daarnaast geven we boeken uit. En klassieke cd’s – vorig jaar hebben we er een kleine 75.000 van verkocht. En gisteren nog hebben we bijvoorbeeld voor 50.000 euro aan Leica fotocamera’s omgezet via het eigen retailkanaal OneDay-Only, waarmee we de open advertentie-gaten zelf invullen. Want natuurlijk hebben ook wij last van het teruglopen van de advertentiemarkt, alleen minder dan onze concurrenten omdat we niet zo afhankelijk zijn van personeelsadvertenties, een markt die compleet is ingestort. Alles bij elkaar maakt dat dit tot een goed renderend bedrijf, met een rendement waar ze vroeger bij Apple jaloers op zouden zijn geweest. Ik begrijp de kranten dan ook niet die om hulp van minister Ronald Plasterk lopen te kermen. Ze zouden beter goed kunnen nadenken over de vraag hoe ze hun eigen businessmodel overeind kunnen houden.”


De kern, zo benadrukt hij herhaaldelijk, is de overtuiging dat mensen bereid zijn te betalen voor betrouwbare informatie. “Het nieuws van de dorpsomroeper was gratis, maar als je echt wilde weten hoe het zat, moest je hem iets extra’s toeschuiven. Dat doen we als NRC met een complementair pakket aan uitgeefproducten. Je neemt niet een abonnement op een krant, maar op informatie afkomstig van de 220 redacteuren op de derde verdieping. Mensen zijn bereid een premium prijs te betalen voor een premium product; dat geldt voor computers, auto’s en voor informatie. We staan aan het begin van een nieuwe, mooie periode. Met naar alle waarschijnlijkheid een nieuwe eigenaar. Of dat de investeringsmaatschappij HAL wordt? Geen idéé – vergeet niet dat wij niet onszelf verkopen, dat doet de Persgroep. We hebben ook geen vetorecht; het enige dat we kunnen doen, is in gesprekken met de raad van bestuur benadrukken dat onze prioriteit ligt bij een zo groot mogelijke autonomie.”

Voor haar benoeming werd Donker aan een uitgebreide ondervraging door de redactieraad onderworpen. Een van de thema’s luidde in hoeverre de krant en de persoon van de hoofdredacteur verweven dienden te zijn met het establishment. Donker herinnert zich de vraag te hebben gepareerd onder verwijzing naar Katharine Graham, de eigenaresse van The Washington Post. “Zij was ten tijde van Watergate heel blij dat ze Nixon niet te goed kende. Je zou maar door hem gebeld worden. Het is goed om je contacten te onderhouden, maar je moet niet te veel vrienden hebben.”

De krant voldeed in haar optiek al lang niet meer aan het beeld – zo dat ooit al gerechtvaardigd was geweest – van de bedaagde, establishment-achtige en sigaar rokende meneer. “Tja, waar komt dat hardnekkige beeld vandaan? Het zal wel met die verhalen over de oude NRC te maken hebben, waar ter redactie ‘ga je nu al weg?’ werd gevraagd aan iemand die op reportage ging. Maar het strookt helemaal niet met het soort (gemiddeld tamelijk jonge) redacteuren dat we hier hebben en ook niet met de avontuurlijke krant die we maken.”


Columnist Bas Heijne draait het, gezeten op een terras aan de Prinsengracht, liever om. “De krant is niet uitgesproken anti-establishment. Er heerst niet zoiets als een geïnstitutionaliseerd wantrouwen tegen de macht. Het nieuwe elan in de sfeer van ‘weg met de elite, nu zijn wij aan de beurt’ bestaat hier niet. De krant heeft een stevig fundament dat ons behoedt voor het meewaaien met elk briesje. Meegaan met de tijdgeest is geen optie: dat zou je kunnen brengen in de onmogelijke situatie waarin de VVD zich bevindt tegenover Wilders. Anders dan de Volkskrant, waar ze, om Blokker te parafraseren, altijd ergens in moeten geloven, vaart onze krant een eigen stabiele koers, die van een liberale krant die open staat voor alle stromingen, mits het maar kwaliteit heeft. Het mag wat mij betreft hooguit wat brutaler, onaangepaster.”

Een paar honderd meter verderop aan dezelfde gracht (Wilders, eat your heart out) zegt Elsbeth Etty, eveneens columniste bij de krant: “Om te overleven moet de krant de informatiebron blijven voor de politieke, economische en culturele elite, inderdaad een krant voor het establishment. We moeten het blijven hebben van kwaliteit. Gelukkig is Birgit ook die overtuiging toegedaan en wordt er niet bezuinigd op het dure maar unieke correspondentennetwerk, is er ruimte voor onderzoeksjournalistiek, hebben we een fantastische boekenportal ontwikkeld en bestaat er niet de neiging te bukken in de richting van het infotainment.”

Birgit Donker: “Een collega zei eens dat wij eigenlijk beroepsburgers zijn. Als je verantwoord wilt meedoen in de maatschappij, moet je weten hoe het zit; wij zijn als redactie degenen die de tijd en het talent hebben dat te onderzoeken. In die missie herken ik me helemaal.”

import media