‘Ik ben een slome reiziger’

Haar tweede Nederlandse roman gaat over een generatie die ‘naar de kloten’ is: de kinderen van Tupamaros, de oude Uruguayaanse guerrillastrijders. In gesprek met Carolina Trujillo, over woede, therapie en pensionnetjes van drie euro.

Het debuut van schrijfster Carolina Trujillo werd zes jaar geleden door de pers de hemel in geprezen. “Een meeslepende eerste roman. Helemaal in de betoverende magische stijl die je kent van andere Zuid-Amerikaanse schrijvers.” En: “Een sfeertekening waar zelfs de befaamde Marquéz zich niet voor zou hoeven schamen.” Voor De bastaard van Mal Abrigo kreeg ze de Geertjan Lubberhuizenprijs, voor het beste prozadebuut. Nu, zes jaar later, is er De terugkeer van Lupe Garcia. Carolina Trujillo (ongeveer één meter zestig, lang zwart krullend haar, een grote zwarte zonnebril, van tijd tot tijd een brede lach): “Dit boek is mij liever. De personages zijn overtuigender, er zit geen vezeltje karton bij.”

De roman handelt over de gesjeesde journaliste Lupe Garcia die vanuit Nederland terugkeert naar haar geboorteland in Zuid-Amerika. Daar wil ze een documentaire maken over de gevangenis waar haar vader tijdens de militaire dictatuur twaalf jaar heeft vastgezeten als guerrillastrijder. Ze zoekt haar jeugdvrienden op, die allemaal op de rand van de afgrond balanceren: de werkloze barman Gono (afkorting van gonorroe), die hopeloos verliefd is op Lupe, de prostituee Cuba, en ‘De Belg’: een dief. Samen proberen ze een ingang te vinden om deze documentaire te maken, zich onderwijl te goed doend aan grote hoeveelheden coke en Johnny Walker Black Label. Uiteindelijk loopt de expeditie uit op een grote wraakoefening.

Net als bij haar eerste boek – dat in Colombia lijkt te spelen, maar waar de naam van dat land nergens expliciet genoemd wordt – speelt ook dit boek in een land dat niet letterlijk benoemd wordt. Trujillo: “Maar in dit boek zitten een aantal dingen die specifiek verwijzen naar Uruguay. Ik noem de geschiedenis van Elena Q.: zij was een belangrijke vermiste ten tijde van de dictatuur. Wat ook waar gebeurd is, is dat de man die haar dertig jaar geleden heeft begraven, onlangs naar de pers is gestapt. Hij vertelde daarover, heel Uruguay kon dat zien op de tv. Na die uitzending is hij in elkaar geslagen. Vreselijk. Niemand weet zeker wie dat gedaan heeft: zijn het Tupamaros geweest: ex-guerrillastrijders die wraak wilden nemen? Of hebben ex-militairen hem in elkaar geschopt omdat hij zijn mond voorbij praatte? Volgens mij is het wel aardig duidelijk dat zij het zijn geweest. Op het moment dat ik het gehavende gezicht van die man op de tv zag, was ik net begonnen met het schrijven van De terugkeer van Lupe Garcia. Ik vond zijn verhaal zo schrijnend. Ik wist gewoon dat het op de een of andere manier bij dit boek wilde horen.’


Drie jaar was Carolina Trujillo toen haar vader werd opgepakt, omdat hij Tupamaro was: verzetsstrijder ten tijde van de militaire dictatuur in Uruguay. Carolina, haar moeder en haar één jaar jongere zusje moesten het land ontvluchten. Ze kregen asiel in Nederland. De eerste tijd zat ze in een asielzoekerscentrum in Wijk aan Zee. “In het azc zaten veel moeders en ook wat vaders van wie de partner was opgepakt. Er liepen heel veel kinderen rond, en er waren te weinig ouders om op te passen. Het was daar een grote keet.” Ze verhuisde naar de Rivierenbuurt in Amsterdam, en later naar Abcoude. “Ja, daar was ik gewoon een blij meisje. Mijn vader miste ik niet zozeer, want ik had hem nooit gekend. In het dorp werden we goed opgenomen. Hoewel er weleens een boze vader aan de deur stond te schreeuwen: we willen hier geen terroristen! Toen ik een jaar of acht was, wilde mijn moeder graag dat mijn zusje en ik onze vader zouden ontmoeten. Ook om hem een beetje te ontmythologiseren. Ik was namelijk een echt vechtersbaasje. Als iemand ook maar iets zei wat me niet aanstond, timmerde ik erop los. Waarschijnlijk dacht ik: als mijn vader het kan, kan ik het ook.

“Mijn zusje en ik vlogen samen naar Uruguay. Mijn moeder kon niet mee; zij werd ook gezocht. Ik was heel zenuwachtig voor de ontmoeting met mijn vader; ik was bang dat ik hem niet zou herkennen. Maar gelukkig was dat wel het geval. Hij was kaalgeschoren, en had net als andere gevangenen een grijze overall aan. Ja, dat bezoek was wel heel moeilijk – vooral voor hem. Hij werd zich er extra bewust van wat hij moest missen: zijn opgroeiende kinderen. Allemaal onherstelbaar verloren tijd. Toen de dictatuur bijna ten einde liep, zijn we hem nog een keer gaan opzoeken. Amnesty International haalde de kinderen van politieke gevangenen naar Uruguay, om druk uit te oefenen op de junta.


“We voelden ons net Madonna. Overal stonden mensen: op het vliegveld, tijdens onze tocht door de stad, bij de gevangenis zelf. Geweldig. In die tijd zag ik mijn vader altijd tussen andere gevangenen, en viel me niet zo op hoe slecht hij er eigenlijk uitzag. De schok kwam pas toen hij een jaar later werd vrijgelaten en aankwam op Schiphol. Ik had een stoere man in gedachten. Een held! Maar daar stond een ondervoede, kaalgeschoren man. Iemand die eruitzag of hij uit een concentratiekamp kwam. Vreselijk.”

Over de martelingen en de vernederingen die haar vader heeft ondergaan, wil ze niet uitweiden. “Dat moet je maar aan hem vragen. Ik vind het niet oké om het over andermans leed hebben.”

Na een jaar besluit het gezin terug te keren naar Uruguay. Daar schrijft Trujillo haar eerste novelle, in het Spaans: De exi-lios, maremotos y lechuzas. Ofwel: over ballingen, vloedgolven en nachtuilen. Ze wint er prompt een Argentijnse prijs mee. Ze weet ook meteen een bestemming voor het prijzengeld van duizend dollar: een ticket naar Nederland. “In Uruguay heb ik me in eerste instantie heel snel aangepast. Ik werd verliefd op het land, het volk. Iedereen was zo politiek bewust daar. Kinderen lazen Marx, ik vond dat fantastisch. Maar een paar jaar later had ik het behoorlijk gehad met Uruguay. Met het afschaffen van de dictatuur in 1984 was de Straffeloosheidswet ingesteld. De militairen die mensen uit hun huizen hadden getrokken, gemarteld en laten verdwijnen, zouden niet berecht worden. Vier jaar later werd een referendum gehouden over die wet. Uiteindelijk is gekozen die wet te handhaven. Ik was daar zo teleurgesteld over, ik wilde daar weg.


“De terugkeer van Lupe Garcia is geschreven vanuit woede daarover. Kwaadheid is een heel goede drijfveer om vanuit te schrijven, heb ik gemerkt. Met de Straffeloosheidswet heeft het Uruguyaanse volk gekozen voor vergeven en vergeten. Maar dat is natuurlijk een beetje bar. Niet leuk tegenover mensen als mijn vader. Ja, dat is een understatement. Al die vermissingen, de martelingen – die kun je toch niet zomaar in de doofpot stoppen?”

Maar eerst schreef ze De bastaard van Mal Abrigo, kort nadat ze de opleiding scenarioschrijven aan de Filmacademie had afgerond. Ze hield er een filmische, wervelende stijl aan over. In korte maar beeldende zinnetjes stevent ze in denderende vaart op de ontknoping van haar verhalen af. “De bastaard is het verhaal van een presidentskandidaat die cocateelt wil legaliseren. Tijdens een bijbaantje als tolk voor rechtbanken zag ik schrijnende toestanden: mensen die met cocaïnesmokkel te maken hebben en zó hard worden aangepakt. Terwijl dat helemaal de grote jongens niet zijn, maar hun pionnen, de mensen die vooruit worden gestuurd. Ik kreeg het idee een speech te schrijven voor die presidentskandidaat. Uiteindelijk werd De bastaard van Mal Abrigo zijn levensverhaal.

“Ja, zelf ben ik ook een voorstander van de legalisatie van cocateelt. Jij niet dan? Het verbod daarop is bezopen. Het platspuiten van cocavelden brengt grote schade toe. Aan het milieu, de mensen die in de omgeving wonen, de boeren die het verbouwen. En ondertussen wordt er in New York geen lijntje minder om gesnoven.”

“Een van mijn personages in De terugkeer van Lupe Garcia zegt: onze generatie is naar de kloten. Ja, heel veel van mijn vrienden uit die tijd, wier vaders ook in gevangenissen zaten, zijn inderdaad wel naar de kloten. Er zijn veel drop-outs, jongeren die hun school niet hebben afgemaakt, die huizen en banen kwijtraken. Het zijn geen jongens met wie vaders en moeders hun dochters graag thuis zien komen. En ja, veel drugs en alcohol. Destructief gedrag. Waar dat vandaan komt? Tja. Voor de vorming van jonge kinderen is het natuurlijk niet al te best als zo’n vader ontbreekt. Maar er zijn ook wel mensen die het goed doen, hoor. Mijn moeder zegt altijd: ‘Dat is jouw vriendenkring.’ Maar ja, het is wel wat ik om me heen zie. Ik zie mezelf ook wel als onderdeel van die generatie. Ik herken dingen bij mezelf die ik in mijn personages heb gestopt. Ik heb toch een soort drang om dat wat ik heb opgebouwd, weer te vernietigen. Er zijn wel periodes geweest dat ik de rand van de goot bewandelde. Ik heb bij tijd en wijle fanatiek gedronken, geblowd en gesnoven. Maar het vertaalt zich ook in andere dingen. Het reizen is er een deel van, het feit dat ik maar steeds weer van huis verander.”


Met het geld dat ze verdiende met de Geertjan Lubberhuizenprijs, kocht ze zes jaar geleden een ticket naar Colombia. “Ik wilde dat land leren kennen. Ik wilde zes weken weg blijven, maar uiteindelijk heb ik drie jaar getrokken door Colombia, Uruguay en Peru. Ik ben een slome reiziger. Ik ga ergens in een pension van drie euro per nacht zitten, en kan daar rustig drie maanden blijven. Als ik maar een kamer heb met een raam – om voor te gaan zitten schrijven. In Zuid-Amerika raakte ik na een tijdje echt de weg kwijt. Dat kwam niet zozeer door de drugs, maar door al het schrijven. Ik wist af en toe niet meer wat werkelijkheid was en wat fictie. Na drie jaar reizen kreeg ik een hersenbloeding. Als ze dat in Uruguay behandelen, maken ze je hele schedel open. Hier in Nederland behandelen ze dat met een slangetje dat ze door je lies prikken tot ze bij je hersenen zijn. Dus ik heb heel snel het vliegtuig genomen.

“Na de operatie waren de eerste maanden nog wel wat blurry. Maar daarna herstelde ik, werd het helderder in mijn hoofd. Het werd me steeds duidelijker dat ik in Zuid-Amerika met drie boeken tegelijk bezig was, dat het veel te druk was in het verhaal. Eigenlijk hobbelde ik met hetzelfde personage telkens weer een ander verhaal in. Hier zag ik opeens ook dat het veel leuker was mijn verhaal niet vanuit het perspectief van Lupe te schrijven, maar vanuit Gono. Daar wordt het veel geestiger van.”

‘Hija de Tupa: la terapia continua’: staat er op haar site. “De strijdkreet van de Tupamaros was: La lucha continua – de strijd gaat door. Voor de kinderen van de Tupamaros geldt eerder: de therapie gaat door. Mijn moeder heeft altijd gezegd dat ze graag wil dat ik in therapie ga. Maar ik zie daar niet zoveel in. Op de wc-deur van de Filmacademie stond: iedere succesvol afgeronde therapie is één niet-gemaakte film. Als ik in therapie ga, schrijf ik misschien geen boeken meer. En schrijven is veel leuker! Trouwens, het geeft ook meer aanzien (lacht) en je hebt nog eens iets wat je aan mensen kunt geven op hun verjaardag. En ja, mijn moeder heeft zich daar inmiddels ook wel bij neergelegd.”


In Uruguay worden inmiddels weer handtekeningen ingezameld om de verantwoordelijke militairen alsnog te kunnen berechten. Trujillo: “Het is te hopen dat dat lukt. Inmiddels heb ik wat meer rust gevonden, ik maak me wat minder kwaad. Misschien heeft het schrijven van dit boek daar ook wel aan bijgedragen. Als de werkelijkheid niet is zoals ze zou moeten zijn, dan kan je haar in fictie natuurlijk nog wel naar je hand zetten. In die zin is dit boek misschien wel een afrekening.”

Carolina Trujillo: De terugkeer van Lupe Garcia. Meulenhoff. €19,95.

Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Hilde Postma, foto's Jean-Pierre Jans