Liefde,lust & troost

Hij geldt als een van de grote Europese theatermakers, houdt van de gewone man én haat vulgariteit. Een ontmoeting in Gent met Johan Simons. ‘Ik voel me bevrijd.’

Door omstandigheden gedwongen was toneelschrijver dön von Horváth op drift geraakt in Europa; hij woonde in Boedapest, Wenen en München, hij verliet Berlijn en later Oostenrijk. Waar hij was, volgden de nazi’s. Een waarzegger in Amsterdam zei hem naar Parijs te gaan, waar hem een ‘ingrijpende gebeurtenis’ zou wachten. Op 1 juni 1938 was Von Horváth aan het wandelen op de Champs-Elysées, toen hij bij een blikseminslag dodelijk werd getroffen door een vallende boomtak.

Ja, hoe kwam dat nou? Was het toeval of ‘moest het zo zijn’, was het leven van Von Horváth vanaf het begin afgekoerst op dat ongelukkige moment in Parijs? Was het de schuld van Hitler, of had Von Horváth niet naar waarzeggers moeten luisteren? Misschien van dat alles een beetje, of, zoals Tolstoj zei, al die beetjes tegelijk. Volgens Tolstoj waren mensen machteloze werktuigen van de geschiedenis. De mensen zelf dachten daar anders over.

Johan Simons, toneelregisseur bij het NTGent, gelooft dat je niet hoeft te berusten in je lot. De wereld is niet wat hij zou kunnen wezen, je kunt vechten tegen wat niet goed is, en je hoeft het niet alleen te doen. Niet alles gaat zoals het gaat, de mens is een sociaal wezen dat kan strijden tegen de verdrukking en de loop der dingen kan bijsturen of veranderen. Het gaat gepaard met hard werken, kopzorgen en slaapgebrek; je krijgt het niet voor niets.

In Simons’ nieuwe voorstelling Kasimir en Karoline, een stuk van Von Horváth, blijkt de liefde van een werkloze chauffeur en zijn verloofde niet bestand tegen de gevolgen van de economische crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw. Ze treffen elkaar op de kermis in München, zij heeft er zin in, hij is net ontslagen en niet in de stemming, de liefde gaat aan de verleidingen van bier en avontuurtjes ten onder. Ze hebben het geluk voor het grijpen, maar zien het niet; uiteindelijk zitten ze vooral zichzelf in de weg.


Von Horváth noemde zijn stuk een ‘balla-de vol stil verdriet, verzacht door humor, althans door het alledaagse inzicht dat we allemaal moeten sterven’. Voor het zover is, moet je proberen er wat van te maken. Het lukt niet altijd, want zo is het wel met het bijsturen van de loop der dingen: je kunt er een duw tegenaan geven, daarna moet je maar zien welke kant het opgaat.

Johan Simons is een doorzetter; een mentaliteit die hem ver heeft gebracht. Als hij de dingen op hun beloop had gelaten, werd hij nu niet beschouwd als een van de grote theatermakers in Europa. In Nederland werd zijn Tien geboden, de afgelopen seizoenen in twee delen van vijf geboden opgevoerd, ‘de voorstelling van het decennium’ genoemd. Volgend jaar wordt hij de intendant (algemeen directeur) van de Münchner Kammerspiele, het prestigieuze stadstheater van München. Simons maakte er naam als gastregisseur; er wordt veel van hem verwacht.

Het gaat nog steeds niet vanzelf. Een paar jaar geleden werd hij door het hooggeëerde publiek in Parijs uitgefloten bij de opvoering van een door hem geregisseerde opera. In zo’n geval slikt hij een paar keer en maakt hij nog een opera; hij vindt opera’s regisseren mooi en een beetje gefluit kan geen kwaad.

Hij groeide op in Heerjansdam, een dorp onder Rotterdam. Zijn vader was bakker. In het gezin Simons heersten armoede en christelijke tucht. Johan had een fijne jeugd. Hij wilde het theater in en volgde opleidingen tot danser en acteur, beroepen waarvoor hij niet geschikt bleek. Regisseren ging hem beter af; hij had talent en groeide met de jaren. Nu is hij 62, en de ontwikkeling is nog niet ten einde.


Het is een dinsdagochtend in mei; op de terrassen van Gent vieren mensen het mooie weer met een eerste pintje. Johan Simons komt net de entree van het NTGent binnen gelopen, in een halflange, leerachtige plastic jas, een paar tassen om de schouders. Het grijze haar staat in weerbarstige plukjes op het hoofd, T-shirt, trainingsbroek en gymschoenen lijken in de haast aangeschoten. Hij praat een beetje schor. Hij gaat zitten aan een tafeltje bij de theaterbar en wrijft in zijn gezicht. Koffie, graag.

Een van de eerste dingen die hij deed toen hij hier vier jaar geleden directeur werd, was het marmer van entree en trappen met hout laten bedekken, zegt hij. Marmer is koud en schept afstand. Planken horen bij toneel en bij gewone mensen, die sinds Simons’ aantreden weer in toenemende aantallen naar de voorstellingen komen kijken. Op feestjes mag je een druppel bier morsen, het is hier niet met de pink omhoog.

Vandaag wordt er tot vanavond laat gerepeteerd. De première van Kasimir en Karoline is over ruim een maand, er moet nog veel gebeuren. Tegen vijf uur moet hij er even tussenuit, naar de psychiater.

Simons heeft last van doodsangsten. Voor doodsangsten is het besef nodig dat je wat te verliezen hebt, en Simons heeft wat opgebouwd in het leven.

Elk toneelstuk is een verhaal op zich, de aanpak van het vorige stuk voldoet nooit voor het volgende. Hij regisseerde Griekse tragedies, zogeheten ‘boerenstukken’ en sociale drama’s, honderden stukken, onderwerpen en personages. Nog steeds benadert hij elk stuk alsof het zijn eerste is. Je moet steeds opnieuw beginnen, je moet de manier van vertellen vinden die het best bij het onderwerp past.


De repetities voor Kasimir en Karoline zijn in een hallencomplex aan de rand van de stad. Simons rijdt mee met een bestelbusje, hij geeft aanwijzingen over de route en speelt met een stressballetje. Hij wil zich niet laten vangen in een stijl, zegt hij op de ringweg van Gent, het moet geen maniertje worden. Naast hem haalt de chauffeur met een riskante manoeuvre op het laatste moment de juiste afslag.

Ze wilden hem van de Toneelacademie in Maastricht sturen, toen een docent zag wat niemand had gezien: hoe Simons kéék naar de andere acteurs. Simons had overzicht, oog voor verbanden, gevoel voor ritme, timing. Van een jeugd in schaarste kreeg hij een ‘pragmatische fantasie’ mee, hij gebruikte al het beschikbare om dingen voor elkaar te krijgen. De mens mag een sociaal wezen zijn, je moet wel je eigen kop volgen. Hij is een survivor, zegt hij, hij had een ijzeren vertrouwen in eigen kunnen.

Halverwege de jaren tachtig leerde hij Paul Koek kennen, op een workshop. Zoals gesprekken gaan wanneer je gelijkgestemden ontmoet: alles moest anders. Het theater moest ‘naar de mensen toe’, de werkelijkheid moest een rol krijgen op het toneel. Het door Simons opgerichte Regiotheater werd Theatergroep Hollandia; samen met Koek bracht hij het theater naar kippenhokken en boerenschuren, alles buiten de schouwburg was geschikt.

Simons had de regisseursblik, Koek voegde er poëzie en muzikaliteit aan toe. “Ik vind het muzikaal zo dun,” kon Koek zeggen, of Simons zei: “Ja, maar je haalt het spél weg bij de acteurs.” Ze wilden verhalen zo ontroerend mogelijk vertellen, epische stukken laten spreken zoals ze spreken moesten, door de karakters dichtbij te halen. Prometheus, Antigone, Elektra, vroegen ze, wie waren dat in jóuw dorp? Je moest de Griekse tragedie in de buurman zien.


Toen Simons naar Gent ging, richtte Koek de Veenfabriek op. Bij Kasimir en Karoline werken ze weer even samen. Het voelt meteen weer vertrouwd, het is heerlijk werken. Koek verstaat de kunst de grote ideeën van Simons tot menselijke proporties terug te brengen. “Doe niet zo gewichtig,” zegt hij dan. “Breng het toch terug naar waar je vandaan komt.”

Zijn toneelstukken gaan over mensen die, aan goden en willekeur overgeleverd, proberen het hoofd boven water te houden. Ze klampen zich vast aan wat ze pakken kunnen, maar liefde blijkt broos en bevrediging van lusten brengt maar even verlichting. Schoonheid en muziek bieden troost, aan het eind van de rit hebben ze er wat van opgestoken, of niet, en heeft het publiek hopelijk een amusante avond gehad.

Het bestelbusje met Johan Simons rijdt in de buitengebieden van Gent. Verderop ligt het hallencomplex waar we naartoe moeten. Nog een grote bocht eromheen en we zijn er.

Hij maakt theater voor iedereen, zegt hij. Liever niet alleen blanke hogeropgeleiden in de zaal, alsjeblieft niet. De gewone man is welkom, al heeft hij geen idee hoe de gewone man eruitziet. Politici en fabrikanten schijnen de gewone man wel te kennen, ze weten wat hij wil en bedienen hem op zijn wenken. Wat krijg je dan? “De Toppers! Godbetert!” Simons knijpt in het stressballetje.

Het is niet te geloven wat voor bagger je elke dag over je krijgt uitgestort. Populisten en cultuurrelativisten menen dat een ballade van Frans Bauer evenveel waard is als een fuga van Bach. Alles wat riekt naar ‘hogere cultuur’ of elitarisme is verdacht. Nou, Simons is wel van de hogere cultuur. “Wat is er tegen Bartók, Picasso, Strawinsky? Het enige wat je moet doen, is je verdiepen in wat ze geschreven hebben, om het te waarderen.”


Het busje rijdt de parkeerplaatsen van het hallencomplex op. “Als je denken als een probleem ziet, zullen Picasso en Strawinsky altijd onbegrepen blijven. Daar moet je moeite voor doen,” zegt Simons. “Ik vind denken een lust.”

Het decor van Kasimir en Karoline bestaat uit een steigerwand van vijftien bij twintig meter, met zwart doek behangen. De kermis wordt aan de achterkant gesuggereerd, aan de voorzijde schijnt neonlicht. Het geheel is opgebouwd in hal 8. Drie weken geleden ontaardde een paar hallen verderop de aandeelhoudersvergadering van Fortis in chaos, toen aandeelhouders de voor hun ellende verantwoordelijken bekogelden met schoenen en stemapparaatjes.

Je weet het niet met de kredietcrisis, zegt Simons. Het komt door hebzucht en het slechte in de mens, door verrechtsing en vulgarisering, Berlusconi en Geert Wilders, die hele carrousel van boeventronies. Er komt een nieuwe onderklasse, we zijn allemaal schuldig. Een schrijver kan erover schrijven, een regisseur kiest zijn repertoire erop uit. Kasimir en Karoline wilde hij al heel lang maken.

Rondom het decor zijn technici en muzikanten bezig, opnameleiders, dramaturgen en inspiciënten, acteurs van de Veenfabriek en het NTGent, onder wie bekende Vlamingen als Els Dottermans (Karoline) en Wim Opbrouck (Kasimir), die Simons volgend jaar opvolgt als artistiek leider in Gent. Na een warming-up beklimmen ze de steigers, bovenin roept iemand dat een zeppelin in aantocht is, er klinkt gejuich en kermismuziek.

Het affiche van Kasimir en Karoline belooft ‘wervelend muziektheater’, en in de hal in Gent wervelt het de eerste uren zoals het moet. Kermistoestellen klinken vrolijk en vals door elkaar, gezichten vervormen in lachspiegels, de draaimolen draait, je ziet het niet maar gelooft het wel. Acteurs puffen uit na een achtbaanritje, er zijn verwikkelingen rond een op de vloer geparkeerde Volvo, niks is wat het lijkt.


Simons zit met de armen over elkaar achter de regietafel, hij kauwt kauwgom en knikt mee met de muziek. Naast hem zit Paul Koek, met een wollen mutsje op, voor hen liggen met aandachtspunten volgekraste scripts. Simons kijkt en zwijgt. Ze spelen mooi, zegt hij zachtjes, hij hoeft niet veel te doen. Af en toe legt hij het spel stil en verzamelen de acteurs zich rond de regietafel. “Dat is mooi, Kristof, de kleur die je daar geeft,” zegt hij. “Wim, jij moet de boel op de grond houden, die realiteit heb ik wel nodig.”

Het is vooral zitten en kijken, zei hij eerder vanmiddag, het is wachten, nadenken en piekeren: waar wringt het, wat sleept, waar voelt het niet goed. De overgangen moeten loeistrak zijn, hij kijkt naar de totaliteit van muziek, beeld en spelen. Het moet kloppen, het vergt geduld en ausdauer.

Juist bij toevalligheden moet je je ogen openhouden, zei hij, juist bij storingen in het productieproces zie je dingen die je kunt gebruiken. De momenten dat een acteur denkt dat er niet naar hem gekeken wordt, zijn het interessantst; als hij voor het begin van een scène naar zijn plek loopt, dan is het opletten.

Hij regisseert met rust en overwicht. “Jongens, deze nummers duren te lang,” zegt hij. “Het haalt de vaart uit het stuk. Ineens gaan we imponeertheater maken.” Je weet er het fijne niet van, van imponeertheater, maar je geeft hem meteen gelijk.

De avondsessie verloopt minder soepel. Simons is naar de psychiater geweest en de crew heeft rijst-kipkerrie gegeten. De repetities zijn gevorderd tot een zogeheten spiegelscène, waarvan de portee is dat mensen uiteindelijk niet veel van dieren verschillen. Voor de regie komt het aan op de vraag hoe je een lilliputter met een zweep, een baardmeisje en een soort menselijke poedel een beetje soepel en geloofwaardig een Volvo stationcar in krijgt. Een lastige hobbel.


De scène moet steeds over, vijf, zes, zeven keer. Simons zit voorover, armen op de knieën, de handen onder de kin gevouwen. Hij let goed op. Het zit vast, en waaraan het ligt is niet meteen duidelijk. De avond gaat eraan op, zegt Pauk Koek. Hij heeft een raar soort ruis in de muzikaliteit geconstateerd. “We moeten heel veel gaan winnen op rust,” zegt hij. “We kunnen daar nog heel erg, eh, ongenaakbaar in worden.”

Om half elf wordt Simons opgehaald door zijn vrouw, de actrice Elsie de Brauw, een dame met een mooie wollen jas en moderne laarzen aan. Simons loopt met haar mee over de parkeerplaats, in zijn leerachtige lange jas en zijn trainingsbroek, de tassen om de schouders. Ze stappen in een zwarte SUV van Mercedes. Hij rijdt.

Laatst zijn ze samen een weekje weg geweest, naar Schloss Elmau in Duitsland, waar de dagen gevuld waren met luxe en wellness, kunst en cultuur. Overal boeken en de betere Duitse kranten, nergens platheid, grofheid of lawaai, het was een weldaad.

Hij vindt het heerlijk dat hij straks in Duitsland gaat werken, zegt hij. “Ik voel me bevrijd, ik kan opnieuw beginnen.” In het Duitse taalgebied staat het theater nog in aanzien, elke stad heeft een stadstheater met een vast huisgezelschap, er is elke avond wat anders te zien. Bij de Münchner Kammerspiele werken vierhonderd mensen. Je bent onderdeel van het intellectuele discours, je hebt een centrumfunctie; in het buitenland behoort theater nog niet tot het reservaat van de hogere kunsten.

Hij is nog nooit intendant geweest. Een intendant regisseert minder zelf, hij motiveert en trekt andere regisseurs aan. Het is wat nieuws, hij zal er hard voor moeten werken, maar hard werken is zijn terrein. IJs en weder dienende, komt het in München helemaal goed.


‘Kasimir en Karoline’ gaat op donderdag

25 juni in première op de Vliegbasis Soesterberg, als onderdeel van de manifestatie

Zomer van Utrecht. Daar tot 5 juli;

aansluitend Europese tournee naar onder meer Athene en Avignon.

Bert Nijmeijer, foto's Jos Lammers