Mylou Frencken

Mylou Frencken (Amsterdam, 1966) is cabaretière en tekstschrijfster. Onlangs verscheen van haar Zonder Bert, over haar leven als weduwe van de in 2006 overleden cabaretier Bert Klunder. door Renate van der Zee, foto Jos Lammers

Ik ben net biodynamisch gemasseerd. Toen ik aankwam, deed alleen mijn hoofdchakra het. Nu werken ze weer allemaal, maar ik weet niet of ik daar blij mee moet zijn.

Kees van Kooten, Annie M.G. Schmidt, Remco Campert en Simon Carmiggelt. Maar ik ben een luie bewonderaar: ik bezit van geen van hen het complete werk.

Aan fanatieke mensen die nooit twijfelen. Types als Rouvoet. Hoewel ik ook geloof dat ik hem best aardig zou vinden als ik hem zou leren kennen.

Ja. Ik bezit dezelfde combinatie van jezelf bloedserieus nemen en dat meteen daarop weer rigoureus relativeren.

Lekker zonder problemen op een strandterrasje in de zon zitten. Dat doe ik wel, maar vaak mét problemen.

Nee, maar ik ben wel altijd op zoek naar iets kleins wat me verder brengt, waar ik iets groots mee kan. En dat is ook een soort bidden.

Ja. Toen ik zeventien was, was ik met mijn ouders met vakantie in een hotel op Schiermonnikoog. Ik kon moeilijk slapen en opeens zag ik mezelf in bed liggen. Het was alsof ik er van bovenaf naar keek. Ik ben daarna lang bang geweest om te gaan slapen.

Onlangs kwam ik in een boekwinkel om wat postertjes te brengen in verband met mijn boek. De drie boekwinkelvrouwen daar vonden dat ik totaal niet leek op de foto op de poster. Een van hen zei: “Wat een paar nachtjes goed slapen niet al kan doen.” Toen dacht ik bij mezelf: dus in dat stadium ben ik nu.

Een staat van zijn zonder zorgen. En zoenen met mijn vriend – dat is ook geluk.

Dat ik erg driftig kan worden van mijn dertienjarige dochter. Zal je altijd zien, dat juist je eigen kind jou tot het uiterste kan drijven. Vreselijk dat ik niet wijs en rustig blijf, maar mee ga gillen en met deuren ga slaan.


Ik ben een trouw type. Tenzij ik geestelijk en lichamelijk ernstig word verwaarloosd. Dan sta ik niet voor mezelf in.

Vanmorgen nog. Ik had het gevoel dat iedereen het wel zonder mij redt.

Je moet mij echt niet meesturen met Expeditie Robinson.

Van mijn moeder. Zij heeft mij geleerd dat het niet altijd goed hoeft te gaan, maar dat je desondanks toch met beide benen op de grond kunt blijven staan.

Ik vind iets te vaak dat ik een nieuwe jurk, schoenen of een boek nodig heb.

Toen ik 24 was en het gevoel had dat het leven eindelijk ging beginnen.

Ik vind het fijn als vrouwen over mij moederen. Als ze koffie voor me zetten en zeggen: doe jij maar even lekker niets.

Van mannen heb ik graag dat ze naast mij zitten en goed autorijden. En voor alle geslachten geldt dat ik niet te veel relevante gesprekken wil. Dus niet van: waar ben jij verzekerd?

Een iets opgeruimder karakter. Iets makkelijker mijn post durven openmaken.

Jacques Brel, als hij Ne me quitte pas zingt.

Van mijn dochter.

Toen Bert na zijn eerste hersenbloeding uit het ziekenhuis kwam, had ik een optreden dat ik niet kon afzeggen. Nu snap ik dat in zo’n geval werk niet voorgaat.

Nee. Ik bezit een diepe weigerachtigheid om me over te geven aan een heel groot plan.

Ik zie snel het komische van situaties in. Iets te snel, naar de smaak van sommige mensen.

Ik had een trouwring, maar wat moet je daarmee als je man dood is? Mijn schoonzusje, die goudsmit is, heeft er een nieuwe ring van gemaakt. En daar ben ik erg aan gehecht.

Haarlem. Het is een mooie stad en je zit zo op het strand.


Ik zag van de week nog iemand terug die ik nooit meer terug wilde zien. Het was jammer genoeg heel gewoon.

Doorademen. Het wordt altijd weer anders.

Zie er nou toch een beetje de humor van in allemaal!

import zelfportret