Uit het leven van Don Diks

10. Waarin Don Diks, redacteur Speciale Projecten van het landelijke dagblad De Tribune, Peer Tamstra interviewt, de voorman van de Houdbaar-beweging, en in een uiterst netelige situatie belandt.

In de eerste minuten van het interview met Peer Tamstra gebeurde er iets wonderlijks met Don Diks. De zenuwen vloeiden uit zijn lijf, en ervoor in de plaats daalde er een rust in hem neer die een zekere scherpte en gretigheid blootlegde die hij eigenlijk niet kende.

“Heeft u die boeken ook allemaal gelézen?” vroeg Don, wijzend naar de wanden van de royale werkkamer die tot aan het plafond waren bedekt met boeken, hier en daar onderbroken door een schilderijtje met een lampje erboven.

“Tuurlijk niet,” grinnikte Tamstra. “Het is behang… Dat ziet u toch wel?”

Don geloofde het niet, liep naar een van de wanden en zag het toen ook.

“Is dat een statement?” vroeg hij. “Weg met de intellectuelen, weg met de gewichtigdoenerij… Zoiets?”

Tamstra schoof iets naar voren op zijn stoel en keek op de cassetterecorder. “De band loopt, dus ik neem aan dat we zijn begonnen met het interview?”

Don knikte.

“Zet ‘m even stil. Ik wil eerst iets met u afspreken.”

De plechtige toon waarop Peer Tamstra het zei, ergerde Don, want het begin van het gesprek had al een veelbelovende alinea opgeleverd voor het verhaal.

“U zag toch dat ik het apparaat aanzette,” hield Don de politicus voor. Maar die nam daar geen genoegen mee. “Doe me een lol…”

Mokkend boog Don zich naar zijn op een salontafeltje liggende bandrecorder toen hij Tamstra hoorde zeggen: “Wij voeren dit gesprek, meneer Diks, omdat ik sympathie heb voor de wijze waarop u burgemeester Terwindt uit de klauwen redde van die vreselijke Berry Mengelo van The Hague Today. Nogmaals, grote waardering.”

Don hoorde een ‘maar’, en dat hoorde hij goed.


“Maar u bent journalist, en zo moet ik u ook behandelen. Dus wil ik het verhaal voor publicatie lezen. En dat is nog niet alles, want als uw weergave mij niet zint, dan wil ik het kunnen vetoën. Dan komt er dus geen verhaal in De Tribune.”

Geschokt veerde Don terug in zijn fauteuil, zonder overigens de off-knop van zijn recorder te hebben beroerd.

“Om een en ander te formaliseren,” vervolgde Tamstra op de toon van een notaris, “heb ik een korte verklaring opgesteld… wilt u hier even tekenen… als u zich er tenminste in kunt vinden.”

Don zocht naar woorden, naar een reactie, en dat ontging Tamstra niet. “Ik heb gewoon slechte ervaringen met journalisten,” verduidelijkte hij. “Vooral met die van De Tribune. Ze schrijven maar wat, of ze proberen me moedwillig schade toe te brengen door mij uitspraken te laten doen die niet zijn gedaan of die uit hun verband zijn gerukt.”

Langzaam kwam Don weer bij uit zijn verdoving, en hij sputterde tegen met een paar voor de hand liggende grondwettelijke wijsheden.

“Het kan mij niet schelen of het deugt,” reageerde Tamstra. “Ik wil dit artikel eventueel en onverhoopt, dat zeg ik erbij: onverhoopt, kunnen tegenhouden. Dat recht heb ik. Als u daar niet mee kunt leven, dan laat ik u mijn heerlijke koffie uit Nicaragua opdrinken en daarna verlaat u dit pand.”

Is dit een grap of om te huilen, zong het even in Dons hoofd. Maar het kón geen werkelijkheid zijn, want met zo’n zwaard van Damocles boven zijn hoofd kwam er niets terecht van het oorspronke-lijke doel om Tamstra tot de grond toe af te breken, zoals hoofdredacteur Dieter Corstjens hem had opgedragen. En als hij niet tekende, dan stond Don straks met lege handen en zou zijn baas, overeenkomstig zijn imago als bulldozer, daar geen enkel begrip voor tonen. “Heb je het weer uit je poten laten vallen, Diks” – dat zou de reactie zijn. En wat zouden de gevolgen zijn? Deze opdracht had alles weg van een laatste kans die Corstjens bereid was Don te geven.


“Ik ga eerst maar eens een slokje van uw koffie nemen,” opperde Don kalmpjes, “dan kan ik uw verzoek even op me laten inwerken.”

“We hebben alle tijd,” zei Tamstra zichtbaar tevreden, om zich vervolgens te excuseren voor, zoals hij aankondigde, ‘een paar belangrijke belletjes’ die gepleegd moesten worden.

In de minuten die volgden, zakte de moed Don in de schoenen. Tranen welden zelfs op, en hij moest een paar keer zijn snotterende neus ophalen en afvegen aan zijn mouw. Dat dit hem nu werd aangedaan, griende hij zacht in zichzelf, het was zo onwaardig. Hoe diep moest Don Diks gaan, voor wat en voor wie eigenlijk: voor Dieter Corstjens? Moest hij het er dan maar op aan laten komen, en desnoods ontslag riskeren? Misschien was dat uiteindelijk toch de uitweg.

Het inzicht luchtte ineens heel erg op, en toen Peer Tamstra weer binnenkwam, wist Don dat hij niks meer te verliezen had en waande hij zich een Japanse kamikazepiloot.

“Meneer Tamstra… ik teken helemaal niks…”

Don stond op, en hij merkte dat de plotse adrenalinestoot zijn lichaam ietwat uit evenwicht bracht. Tamstra’s gezicht verstrakte, en Don begreep dat hij nog even door kon gaan.

“Uw verzoek is onzinnig, ongebruikelijk, iedereen zal me gelijk geven… Ik doe gewoon mijn werk, en u belemmert mij daar nu bij… Dit kan ik niet accepteren.”

Tamstra trok een wenkbrauw op, die iets dreigends uitstraalde. Wie weet kwam zijn ware aard nu naar boven, en werd hij grof of handtastelijk, of kwam die butler straks naar binnen, of de persoonlijke beveiligers. Dat zou wel mooi zijn voor het verhaal, dacht Don nog: ‘Tamstra molesteert journalist’.


“Je doet je best maar, Diks,” antwoordde Tamstra, en Don passeerde hem met een woeste beweging.

“Vergeet je recordertje niet,” wreef Tamstra hem met net te veel vriendelijkheid in, en opnieuw nam iemand in Don de regie over en liet hem zeggen: “Ik ben niet bang voor je, hoor. Je hebt hier wel een groene baret voor je staan.”

Dat van die groene baret, hoofddeksel en symbool van het Korps Commandotroepen, klopte niet, want Don Diks was zelfs nooit in militaire dienst geweest vanwege broederplicht. Maar ooit interviewde hij een bejaarde oud-commando en die beweerde, zonder te snoeven, nog steeds een jonge kerel met een beweging de nek te kunnen breken.

“Nee maar, een groene baret, maar dat moet dan wel heel lang geleden zijn.”

Hoe ging dit aflopen? schoot het door Don heen. Er hing een apotheose in de lucht waar hij mogelijk wat aan kon hebben voor het verhaal, maar welke? En wat was zijn tegenzet? Tamstra wachtte erop, met een grijns op z’n gezicht die Don herkende van vroeger, op straat.

“Wat een naar mannetje ben jij,” zei Don, trillend en bevend.

“Stel je niet aan, Diks,” klonk het vervolgens, en de superieure toon waarop de voorman van de Houdbaar-beweging dat zei, zette iets bij Don in gang dat hij al helemaal niet van zichzelf kende en dat pas tot stilstand kwam toen een van de persoonlijke beveiligers zijn hoofd om de deur stak.

Volgende week: waarin Don Diks toch nog scoort met Peer Tamstra, en alom lof krijgt toegezwaaid.

import feuilleton