De kiespijn voorbij

Nergens anders in Europa kan een politieke partij met zo weinig stemmen de grootste worden als in Nederland. Dat is goed nieuws voor Balkenende (en straks misschien voor Wilders), maar met democratie heeft het weinig te maken. Gelukkig is er een oplossing.

Natuurlijk, het waren ‘slechts’ verkiezingen voor het Europees Parlement, en dan is de opkomst altijd dermate laag dat je voorzichtig moet zijn met het trekken van al te ver gaande conclusies. Maar toch, er lijkt in Nederland iets unieks aan de hand. Iets wat misschien wel past in het rijtje molens, tulpen, coffeeshops, klompen, zoute drop en korfbal. Want ga maar na: die Europese verkiezingen werden bij ons gewonnen door het CDA. Iets preciezer gezegd: het CDA werd opnieuw Neerlands grootste politieke partij. Maar de partij van Jan Peter Balkenende kreeg slechts 20,1 procent van de stemmen. Dat was om twee redenen een record.

Ten eerste omdat het in de electorale geschiedenis van Nederland nooit eerder is voorgekomen dat een partij met zo’n bescheiden score toch de grootste werd (zie grafiek 1). Ten tweede omdat in álle 26 andere lidstaten van de Europese Unie de grootste partij een hoger percentage van de stemmen kreeg dan bij ons het CDA (zie grafiek 2). Anders gezegd: nergens anders in Europa kun je anno 2009 zo eenvoudig verkiezingen winnen als in Nederland. Als je de steun krijgt van een op de vijf kiezers, kom je al als eerste over de finish.

Voor de partij van Jan Peter Balkenende is dat natuurlijk goed nieuws. En misschien is het bij volgende verkiezingen wel goed nieuws voor Geert Wilders. Want diens PVV is momenteel de grootste partij in de peilingen – met, volgens Maurice de Hond, een score van rond de 20,5 procent. Een formidabel resultaat natuurlijk, voor een partij die pas drie jaar bestaat. Maar wat voor Balkenende geldt, geldt ook voor Wilders: van alle landen in de Europese Unie is zo’n percentage alleen in Nederland voldoende om de grootste te worden.


Hoe zijn we in die uitzonderlijke situatie verzeild geraakt? Het antwoord op die vraag is simpel: het Nederlandse electoraat is de afgelopen twintig jaar versnipperd geraakt – op een schaal die zich nergens anders in Europa heeft voorgedaan.

Tot begin jaren negentig kenden we in ons land drie grote volkspartijen: CDA, PvdA en VVD. Decennialang haalden die partijen bij verkiezingen samen zo’n tachtig procent van de stemmen. Bij de Statenverkiezingen van 1991 werd die traditie plots doorbroken en doken CDA, PvdA en VVD voor het eerst onder de zeventig procent. Daarna ging het van kwaad tot erger. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2002 kregen de afgekalfde ‘grote drie’ nog slechts 62,4 procent van de stemmen, en bij de Europese verkiezingen van juni bleef de teller steken bij 43,5 procent. Om het allemaal nog wat erger te maken: behalve met een halvering van hun kiezersaanhang, kregen CDA, PvdA en VVD de afgelopen twee decennia ook nog eens te maken met een zeer forse inkrimping van hun ledentallen. In 1990 hadden de drie partijen samen 286.000 betalende aanhangers, inmiddels zijn dat er nog slechts 165.000.

De teloorgang van onze oude volkspartijen had – althans in theorie – gepaard kunnen gaan met de opkomst van nieuwe grote volkspartijen. Maar dat is niet wat er gebeurde. Want de miljoenen kiezers die CDA, PvdA en VVD in de steek lieten, waaierden alle kanten uit: naar de ouderenpartijen en de LPF, en daarna naar de SP, de PVV, de ChristenUnie, de Partij voor de Dieren, D66 en GroenLinks. Eindresultaat, getuige de uitslag van de Europese verkiezingen: een nergens anders in ons werelddeel voorkomend politiek palet met maar liefst acht middelgrote partijen die tekenen voor tussen de zeven en twintig procent van de stemmen.


Waaróm liepen zo veel kiezers weg bij CDA, PvdA en VVD? Politicologen beantwoorden die vraag doorgaans door te wijzen op de ‘centrum-strategie’ die de drie partijen vanaf de jaren negentig gingen volgen. In de overtuiging dat ‘links’ en ‘rechts’ min of meer achterhaalde begrippen waren geworden en dat verkiezingen (dus) alleen nog konden worden gewonnen door zo veel mogelijk kiezers te trekken in het politieke midden, gingen CDA, PvdA en VVD steeds meer op elkaar lijken. Het eerste Paarse kabinet dat in 1994 tot stand kwam, was er het symbool van: socialisten en liberalen, in de dagen van Joop den Uyl en Hans Wiegel nog aartsvijanden, gingen sámen regeren.

Aan de ‘centrum-strategie’ lag het idee ten grondslag dat de – inderdaad – forse groei van de sociaal-economische middenklasse in Nederland gelijk op was gegaan met een minstens zo forse groei van het aantal burgers dat in politieke zin tot het midden was gaan behoren. In werkelijkheid deed dat laatste verschijnsel zich helemaal niet voor. Ter illustratie: volgens het Nationaal Kiezersonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) nam het aantal kiezers dat zichzelf in het politieke midden positioneert de laatste twee decennia juist áf: van 27 procent in 1986 naar 19 procent in 2006. Tezelfdertijd groeide het aantal kiezers dat zichzelf ‘rechts’ of ‘gematigd rechts’ noemt van 38 naar 48 procent, terwijl het aandeel (gematigd) linkse kiezers nagenoeg stabiel bleef: 35 procent in 1986, 34 procent in 2006.

Kort en goed: terwijl CDA, PvdA en VVD in de veronderstelling verkeerden dat er in Nederland een ‘ideologische dooi’ was ingetreden en dat een polariserende politieke strategie (dus) niet langer gepast was, scherpten veel burgers hun politieke profiel juist áán. Logisch gevolg: omvangrijke electorale vluchtbewegingen in de richting van politieke partijen die nog wél klare wijn schonken.


Maar laten we ons niet vergissen: het versnipperde politieke landschap dat zodoende ontstond, is meer dan alleen een Europese noviteit. Het is een ramp, die funeste gevolgen kan gaan krijgen voor het functioneren van ons politieke bestel.

In de eerste plaats omdat ons land geregeerd moet worden, liefst natuurlijk door een stabiel en zo eensgezind mogelijk meerderheidskabinet. Dat wordt echter steeds moeilijker. Jarenlang was het in Nederland zo dat de twee grootste politieke partijen in de Tweede Kamer samen zo’n meerderheidskabinet konden vormen. Meestal was het zelfs zo dat ook samenwerking tussen de grootste partij en de nummer drie getalsmatig mogelijk was. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 veranderde dat: de uitslag maakte alleen een meerderheidskabinet mogelijk van ten minste drie partijen. Bij de Kamerverkiezingen van 2002 en 2006 deed die situatie zich opnieuw voor.

De Europese verkiezingen kenden echter een uitslag waarbij zelfs de nummers een, twee en drie (CDA, PVV en PvdA) samen de vijftig procent niet haalden. Als het Kamerverkiezingen waren geweest, had er dus een kabinet geformeerd moeten worden van ten minste vier partijen. Waarbij we ons – in het geval van een regering met de vier koplopers – dan ook nog eens Geert Wilders én Wouter Bos én Mark Rutte moeten voorstellen als collegiaal samenwerkende vicepremiers. U heeft in dat geval toch liever een links kabinet van PvdA, D66, GroenLinks en SP? Kan niet, want de progressieve vier bleven steken op 39,3 procent. Voortzetting van de huidige coalitie dan maar, aangevuld met een vierde partij? Kan getalsmatig al evenmin, tenzij – en ook dat lijkt behoorlijk onwaarschijnlijk Wilders bij Balkenende, Bos en Rouvoet zou willen (en mogen) aanschuiven.


Maar dan nog: stel dat het tóch zou lukken om een of ander rariteitenkabinet te formeren van vier of misschien wel vijf partijen. Dan krijgt zo’n kabinet – zie de uitslag van de Europese verkiezingen – een premier wiens partij slechts prat kan gaan op de steun van een op de vijf kiezers. Formeel gesproken is daar niets tegen, want er is geen wet die het verbiedt. Maar voor een democratisch land is zoiets natuurlijk een aanfluiting. Zeker, ook Wim Kok (24 procent) werd in 1994 premier, en Balkenende deed het bij de Kamerverkiezingen van 2006 (26,5 procent) nauwelijks beter. Maar er zijn, gelet op het zware politieke gewicht en het (inter)nationale aanzien van het premiersambt, toch grenzen aan het gebrek aan electorale steun dat een regeringsleider zich kan permitteren. En is die grens zo langzamerhand niet bereikt nu we een premier hebben die bij de Europese verkiezingen in de hoofdstad van zijn land slechter scoorde dan – nota bene – de Partij voor de Dieren? Ter vergelijking: stel u voor dat Angela Merkel, Nicolas Sarkozy, Silvio Berlusconi of Gordon Brown in – respectievelijk – Berlijn, Parijs, Rome of Londen was steken bij 4,9 procent van de stemmen, zoals Balkenende overkwam in Amsterdam. Ze hadden – geen twijfel mogelijk – direct hun koffers kunnen pakken.

De kwestie is in essentie deze: macht heeft in een democratisch land een door kiezers verstrekt democratisch mandaat nodig. Door het verval van onze volkspartijen en door de versnippering van het electoraat die daarmee gepaard ging, is in Nederland echter een situatie ontstaan waarin dat mandaat niet meer duidelijk wordt gegeven. Rest de vraag: leggen we ons daarbij neer of gaan we dat probleem proberen op te lossen? Die eerste optie zou misschien nog niet eens zo gek zijn, ware het niet dat het zo verdraaid eenvoudig is om ons zieke democratische bestel te genezen. Want in dat bestel zitten twee ‘weeffouten’ die zich niet alleen makkelijk laten aanwijzen, maar die ook makkelijk hersteld kunnen worden.


De eerste weeffout is dat de Nederlandse kiezer wél rechtstreeks kan bepalen wie de macht controleert, maar geen stem heeft om te bepalen wie de macht krijgt. Immers, anders dan in bijvoorbeeld Frankrijk en de Verenigde Staten kennen we in Nederland alleen parlementsverkiezingen en géén verkiezingen waarbij de regering (lees: de regeringsleider) wordt gekozen. Dat ‘ingebouwde’ democratische tekort van het Nederlandse systeem kon in het verleden nog worden verdedigd met een beroep op de uitslagen van die parlementsverkiezingen. Want met een beetje goede wil viel uit die uitslagen altijd wel een soort ‘afgeleid’ mandaat voor een premier te destilleren. Nu er in ons land een situatie is ontstaan waarbij partijen met niet meer dan twintig procent van de stemmen nationale verkiezingen kunnen winnen, is het toepassen van die kunstgreep echter niet langer verantwoord.

Ergo: zowel om principiële als om praktische redenen is het dringend gewenst om de Nederlandse kiezer rechtstreeks, door middel van premiersverkiezingen, te laten beslissen over de vraag door welke minister-president hij geregeerd wenst te worden. U bent een supporter van Marianne Thieme, Bas van der Vlies, André Rouvoet, Femke Halsema of Agnes Kant en u bevroedt dat zij bij premiersverkiezingen geen schijn van kans maken, mede omdat hun aanhang massaal zal ‘overlopen’ naar kandidaten van grotere partijen? Helemaal waar, zo leert de ervaring in Frankrijk en de VS. Maar democratie is niet bedoeld om verliezers aan zo groot mogelijke troostprijzen te helpen, maar om winnaars democratisch gelegitimeerde macht te verschaffen. Als het eerste het tweede verhindert, is er iets grondig mis – en zijn maatregelen geboden.


De tweede weeffout in ons bestel betreft het systeem van evenredige vertegenwoording, waarbij – alwéér een Europese noviteit – 0,66 procent van de stemmen reeds een parlementszetel oplevert. Om misverstanden te voorkomen: aan dat stelsel zijn wel degelijk ook voordelen verbonden. Het grootste voordeel is dat ook relatief kleine groepen kiezers zich in de Tweede Kamer kunnen laten vertegenwoordigen en dat onvrede over de zittende partijen eenvoudig en snel door nieuwkomers electoraal vertaald en ‘verzilverd’ kan worden. Het grootste nadeel van het stelsel is echter dat het meer aanmoedigt tot het slaken van kreten dan tot het aanheffen van spreekkoren. Precies om die reden hebben we, met name de laatste twee decennia, te maken gekregen met kiezers die wel van alles roepen, maar die – omdat ze zich bijkans proportioneel hebben verdeeld over zeven partijen – nauwelijks nog zijn te verstáán.

Invoering van een districtenstelsel zou dat probleem kunnen oplossen. ‘Herinvoering’ zouden we eigenlijk moeten zeggen, want voor 1918 bestond in Nederland ook al zo’n stelsel. Het systeem was (en is) simpel: verdeel Nederland in honderd districten met – ongeveer – evenveel kiesgerechtigde burgers en laat in elk district één Tweede Kamerlid kiezen. Organiseer een tweede stemronde (met deelname van alleen de twee hoogst scorende kandidaten) indien niemand in de eerste ronde meer dan vijftig procent van de stemmen kreeg.

De voordelen van een dergelijk stelsel zijn evident. Om te beginnen krijgen Tweede Kamerleden zo een duidelijke band met hun kiezers: omdat ze, anders dan nu doorgaans het geval is, niet in de slipstream van een lijsttrekker in het parlement belanden, maar op eigen kracht, met een ruim en rechtstreeks mandaat van het electoraat in hun kiesdistrict.


Bovendien worden zowel de politieke partijen als de kiezers in een dergelijk stelsel aangespoord om kleur te bekennen. Om met die politieke partijen te beginnen: die zullen er in een districtenstelsel niet aan ontkomen om samen te werken – door bijvoorbeeld, om de kans op winst te vergroten, een gemeenschappelijke progressieve of behoudende kandidaat naar voren te schuiven. Natuurlijk, dat zal even wennen zijn. Maar wat nu gebeurt ná verkiezingen, namelijk dat politici met dezelfde linkse of rechtse nestgeur zich over partijpolitieke grenzen heen sterk maken voor gemeenschappelijke programmapunten (wel of geen generaal pardon, meer of minder ontwikkelingshulp, handhaving of beperking van de hypotheekrenteaftrek), waarom zou dat (ook) niet kunnen vóór verkiezingen?

Ook voor sommige kiezers – vooral de aanhangers van de kleinere politieke partijen – zal een districtenstelsel even slikken zijn. Want juist die kiezers zullen zich relatief vaak gedwongen zien om een next best choice te maken. Maar ook dat lijkt erger dan het is. Maar liefst 81 procent van de kiezers, zo zagen we reeds, heeft er geen probleem mee zichzelf in te delen in de verzamelcategorieën ‘links’ en ‘rechts’. En zelfs zónder districtenstelsel is het nu al zo dat die linkse en rechtse kiezers frequent van linkse of rechtse partij wisselen – zie de verkiezingsuitslagen van de laatste jaren. Dus waarom zouden we nog langer een kiesstelsel handhaven dat die linkse en rechtse kiezers verdeeld houdt en ze zo de facto ‘beschermt’ tegen het veroorzaken van duidelijke rechtse of linkse verkiezingsoverwinningen?

Argumenten om ons kiesstelsel te moderniseren zijn er, kortom, meer dan voldoende. Heel anders ligt dat met de politieke wil om die veranderingen ook daadwerkelijk door te voeren. In 1976 strandde een poging van de KVP om bij Tweede Kamerverkiezingen een kiesdrempel van drie zetels in te voeren. Bijna dertig jaar later, in 2003, presenteerde D66-minister Thom de Graaf een plan voor een ‘gemengd’ kiesstelsel, waarbij de helft van Tweede Kamerleden voortaan zou worden gekozen in twintig ‘meervoudige’ kiesdistricten met elk twee tot vijf zetels. Maar ook voor dat plan bleek op het Binnenhof geen meerderheid te bestaan.


Toch gloort er hoop. In de eerste plaats omdat D66 en de PVV, de twee partijen die onomwonden voorstander zijn van een districtenstelsel en een rechtstreeks gekozen minister-president, aan de winnende hand zijn. In de tweede plaats omdat – bizar genoeg – juist ons huidige kiesstelsel het mogelijk maakt dat Wilders, als hij bij de volgende Kamerverkiezingen écht twintig procent van de kiezers achter zich krijgt, aanspraak kan gaan maken op het premierschap. Het is zeker niet ondenkbaar dat veel tegenstanders van een nieuw kiesstelsel dan van de weeromstuit nóg harder om invoering ervan zullen gaan roepen dan Wilders zelf. Waarmee tevens zou worden bewezen dat er ook weleens omwegen naar Rome leiden.

Roelof Bouwman