Fijne pleinen

Nederland kent geen traditie van triomfantelijke architectuur. Pleinen dienden van oudsher als markt en als parkeerplaats. Hier begint de laatste decennia verandering in te komen. Op expeditie langs dertien Nederlandse pleinen.

Over het Amsterdamse Museumplein is en wordt nog steeds heel wat afgemopperd. Het is geen plein maar een plantsoen, wordt er bijvoorbeeld gezegd, het is rommelig en zielloos, het is een onbestemd waaigat, zonde van die eersterangs plek tussen de belangrijkste cultuurpaleizen van het land.

Maar, zegt stadssocioloog Lodewijk Brunt, ga er eens kijken op een willekeurige dag met aardig weer – het wemelt er van de mensen, jong en oud, toerist en Amsterdammer, gesoigneerd en in vodden, spelend, luierend, pratend en minnekozend. “Een volksfeest à la Pieter Brueghel.”

Als plein kun je het Museumplein dus zowel mislukt als geslaagd noemen. Het is een veelzeggende paradox. Als ook een niet-ideaal plein succesvol kan zijn, blijkt wel hoe groot de behoefte is aan een ruimte waar stadsbewoners en -bezoekers elkaar kunnen ontmoeten, op adem kunnen komen, wat kunnen flaneren of zomaar kunnen zitten.

Die behoefte lijkt groter dan een paar decennia geleden. Toen waren er in Nederlandse steden nog volop veronachtzaamde pleinen te vinden: gaten in de stad die alleen maar tot parkeerplaats dienden, verweesde pleinen zonder straatmeubilair of terras, open ruimtes die slechts opleefden tijdens de wekelijkse markt en de jaarlijkse kermis, verrommelde knooppunten vol vluchtheuvels en verkeersborden. Je vindt ze nóg wel, die pleinen die per ongeluk plein lijken te zijn: in minder populaire wijken, bij winkelcentra en voor spoorwegstations. Wie bijvoorbeeld in Amsterdam, Den Haag of Rotterdam op CS de trein verlaat en het stationsplein betreedt, stapt in een gapende chaos van bussen, trams, abri’s, taxi’s, reclameborden, bouwschuttingen, al dan niet overleden fietsen, onbestemde obstakels en haastige reizigers. Terwijl de stad op zulke plekken juist een uitnodigend en representatief gebaar naar zijn bezoekers zou moeten maken.


Maar in de meeste stadscentra hebben belangrijke pleinen inmiddels wel een opknapbeurt beleefd. Steden doen steeds meer hun best zichzelf te etaleren als aantrekkelijke vestigingsplaats voor personen en bedrijven en poetsen daarom hun sieraden op. Pleinen behoren van oudsher tot de attracties van een stad. Daar staat het stadhuis of de kathedraal, het museum voor eigentijdse kunst, het grand hotel, de schouwburg of de concertzaal, daar huist de bestuurlijke en kunstzinnige fine fleur van de gemeente en verpoost zich de bourgeoisie, daar branden de kroonluchters en wenken de rode lopers. Langszij zijn doorgaans terrassen te vinden, tegenwoordig zomer en winter beklant dankzij energieverkwistende warmtebronnen. Het betere plein heeft ook een verhaal dat bewijst dat hier een stukje geschiedenis is geschreven. Een standbeeld of een fontein ronden het geheel af.

Treffende voorbeelden vormen de Dam in Amsterdam en het Plein in Den Haag. De Dam kan niet alleen bogen op de combinatie paleis/kerk/grand hotel/monument, maar heeft ook een sterke emotionele lading doordat er kroningen en koninklijke huwelijken worden voltrokken, demonstraties plaatsvinden en oorlogsslachtoffers worden herdacht. De altijd aanwezige massa toeristen lijkt het belang van het plein te onderstrepen. Anderzijds is het geen plek om als Nederlandse wandelaar eens lekker neer te strijken.

Het Plein in Den Haag, een compact vierkant, is ook niet mis met een standbeeld van Willem van Oranje, de ingang van de Tweede Kamer, de ministeries van Defensie en Justitie, de Nieuwe of Littéraire Sociëteit De Witte en (om de hoek) het Mauritshuis. Door zijn bomen en in een hoek geplaatste terrassen oogt het Plein wat intiemer dan de Dam. Het is er ook veel rustiger. Er kriskrassen enkele Binnenhofse figuren over de kasseien, een paar demonstranten rollen een spandoek uit en er passeert als op bestelling een keurig Haags heertje – veel meer beweging laat zich niet betrappen. Maar dit is nu juist wél een plein om zomaar even op te verwijlen.


Bijna naast het Plein ligt de bijzonderste publieke ruimte van Den Haag: het Lange Voorhout, met zijn driehonderd linden een parkachtig plein of pleinachtig park. Momenteel is het L-vormige terrein extra oogstrelend door de grote beelden die daar de zomer doorbrengen. Maar ook zonder die sculpturen is het een weldadige promenade, al zal niet iedereen goed uit de voeten kunnen op het verse schelpenpad. De combinatie van ruimtelijkheid en beschutting, een hoofdwet voor een goed plein, is hier perfect gelukt. En aan weerszijden rijzen statige panden met dito bewoners op: Hotel Des Indes, de Hoge Raad, het Escher Paleis, de Pulchri Studio en sociëteit De Haagsche Club. Chpeau voor het Lange Voorhout.

“Niet alleen het plein, ook de publieke ruimte in het algemeen heeft aan belang gewonnen,” constateert Hans Mommaas, hoogleraar Vrijetijdswetenschappen in Tilburg. Dat heeft volgens hem te maken met onze uithuizigheid. “Vroeger speelde het gezinsleven zich voornamelijk binnenshuis af. Tot de jaren zestig waren de steden gewoonweg leeg. In de jaren zeventig en tachtig voltrok zich een omslag en werd de straat ontdekt. Dat kwam door vakanties in zuidelijke landen, waar we de straatcultuur leerden kennen en waarderen. Dat wilden we in Nederland ook. Het begon met pizzeria’s en terrassen in de studentensteden en het waaierde snel uit. Het verschijnsel werd ook gevoed door de gezinsverdunning, waardoor er meer alleenstaanden en kinderloze stellen kwamen, die voor hun vertier de deur uit gingen.”

Pleinen werden populair omdat daar meestal wel iets te doen en te zien is, vervolgt Mommaas. “Een plein is vaak een kruispunt van wegen en op een kruispunt komt handel af, variërend van kraampjes tot levende standbeelden. Een plein is ook een ontmoetingsplek. Bovendien heb je op een plein een mooi beeld van de omgeving. Je verkeert net als tijdens een rondvaart op afstand van gebouwen, zodat je ze beter in je kunt opnemen. Zichtlijnen, vista’s, zijn belangrijk voor de vraag of een plein geslaagd is. Je moet van je af kunnen kijken. Een publieke ruimte moet ook letterlijk ruimte bieden.”


Er zijn pleinen in soorten en maten: van chic tot shabby, van succesvol tot mislukt en van uitermate doordacht tot per ongeluk ontstaan. Ze horen bij een wereldstad, bij een provincieplaats en bij een dorp. Pleinen lenen zich om een (kerk)vorst of sportkampioen toe te juichen, en evenzeer om leiders uit te fluiten en revolutie te eisen. Op pleinen wordt gezongen en gehuild, gevierd en herdacht, gespeeld en gesport, gesmoesd en gesjanst.

Het gros van de pleinen moet het niet zozeer van glorie hebben als van sfeer en genius loci. Neem het Spui in Amsterdam. Daar staan nog wel twee stenen representanten van de intellectuele en geestelijke elite – het Maagdenhuis en de kerk van de Evangelisch Lutherse Gemeente -, maar die zijn hier niet sfeerbepalend. Belangrijker voor het Spui zijn de langgerekte vorm, de groepen bomen, het dozijn comfortabele zitbanken en vooral de aanwezigheid van een uitstekende boeken- en tijdschriftenzaak, twee Engelstalige boekwinkels, een academisch cultureel centrum en een drietal sterke cafés: het museale Hoppe, het literaire De Zwart en het grote Luxembourg. Dit is het ideale plein voor de hogergeschoolde, cultuurminnende stedeling, die zich hier omgeven weet door internationale bellettrie, kosmopolitische lectuur en nostalgische herinneringen aan de Maagdenhuisbezetting en happenings rond het Lieverdje. Jammer dat tramrails en rijbanen het plein doorsnijden en regelmatig een argeloze toerist een bijnadoodervaring bezorgen – verder is het Spui een interessant en genoeglijk pleintje.

Veel populairder is het even verderop gelegen Leidseplein. Op papier een ijzersterk plein, immers gestoffeerd met onder meer de Stadsschouwburg, twee filmhuizen, Grand Hotel Krasnapolsky en debatcentrum De Balie, maar in de praktijk niet alleen onoverzichtelijk en onrustig van vorm maar vooral overwoekerd door terrassen. “Het Leidseplein is ordinair vercommercialiseerd,” vindt Lodewijk Brunt. “De openbare ruimte is er ingepikt door particuliere belangen. Je voelt je niet meer vrij om er rond te lopen als Amsterdammer, je wordt er als het ware weggestuurd. Een plein als de Dam geeft me ondanks alle toeristen tenminste nog het idee dat het ook van mij is.”


In zijn samen met Kees Tamboer geschreven boek De straat op! memoreert Brunt dat Amsterdam de reputatie heeft een stad te zijn zonder echte pleinen. Inderdaad waait hij op hoofdstedelijke pleinen vaak uit de jas en mist hij er nogal eens allure, maar over het geheel genomen vindt hij zijn woonplaats wat pleinen betreft nog zo beroerd niet. Neem de Mercatorbuurt, zegt hij, slechts een halve vierkante kilometer groot en niettemin vijf pleinen rijk. Die vijf worden intensief gebruikt en elk plein op zijn eigen manier. Zo telt het vernieuwde Balboaplein een omheind voetbalterreintje, een basketbalveld, glijbanen, een jeu-de-boulesbaan, comfortabele zitplekken, veel ranke lantaarnpalen en 65 jonge bomen. Tot laat in de avond is er leven.

We gaan de Randstad uit. Naar Deventer, want daar ligt de Brink, een van de aangenaamste pleinen van Nederland. De eerste sensatie is er een van ruimte. De langgerekte Brink heet het grootste stadsplein van het land te zijn. Tot begin jaren negentig werd het als parkeerplaats gebruikt, wat de wijdte van het gebied nogal verdoezelde. De sindsdien lege ruimte, omzoomd door terrassen, vraagt om markten, kermissen en evenementen. Daar is niets op tegen, want het openbare festijn is een wezenlijke pleinfunctie, maar in feite is de Brink als leeg plein veel overtuigender.

Je doet er minuten over om de uitgestrekte plaats over te steken naar de Waag, en dat zestiende-eeuwse gebouw wordt er alleen maar mooier op als je het zo traag benadert. Onderweg speelt een Oost-Europees orkestje voor zijn lol wat deuntjes op een leeg terras. Op een volgend terras schorten twee vrouwen hun rokken wat op om hun bovenbenen zon te gunnen. Her en der staan betonnen banken van Friso Kramer, zowel gerieflijk als vandaalbestendig. Een gevelsteen meldt dat Rutger Jan Schimmelpenninck, raadpensionaris der Bataafse Republiek, geboren te Deventer op 31 oktober 1761, in het onderhavige huis opgroeide. Het café ernaast heet De Buren van Schimmelpenninck.


Een paar straten verder ligt nóg een aantrekkelijk plein, het Grote Kerkhof. Het heeft een ongewone driehoekige vorm. De machtige Grote Kerk, tegenwoordig expositieruimte, beslaat een van de drie wanden. Een andere pleinwand vult zich met Hanzewoningen waar je meer van zou willen weten. Ook staat er een Latijnse school waar Geert Grote, Thomas a Kempis, de Nederlandse paus Adrianus VI en Erasmus schoolgingen. En dat allemaal zomaar op een achterafplein in Overijssel.

“Idealiter heeft een plein een magneet,” zegt Lodewijk Brunt. “Een beroemd café, een fijne zitplek of een bijzonder gebouw – een reden om ernaartoe te gaan. Verder gaat het om zien en gezien worden. Net als op een boulevard speelt zich op het plein een parade af. Je ziet mooie mensen en zielige mensen en freaks en grappige types. Daarom zijn goede zitplekken – niet alleen commerciële terrassen – essentieel voor een plein. Je moet er kunnen uitrusten en het leven in je kunnen opnemen.”

Een ander voorbeeld van een attractief plein is de Parade in Den Bosch. Om te beginnen ligt dit plein naast de gotische Sint-Janskathedraal, die alvast voor een sterke pleinwand zorgt. Verder wordt de Parade omzoomd door diverse rijen oude kastanjes, die met hun brede kronen voor schaduw en intimiteit zorgen. Frappant genoeg moeten die bomen binnenkort plaatsmaken voor veel bescheidener linden. Het idee daarachter is de zichtbaarheid van de Sint-Jan te vergroten.

Sinds een paar jaar mag er niet meer worden geparkeerd. Het plein komt daardoor niet alleen visueel beter tot zijn recht, het biedt nu ook ruimte voor evenementen, zoals een gratis zomeropera in de open lucht of een rondreizende ‘verhaleninstallatie’ van Het Zuidelijk Toneel. Ook is er een labyrint op de kinderkopjes geverfd. Een wandelaar doolt er aandachtig rond, gadegeslagen door gasten van de terrassen die aan één kant van de Parade zijn opgesteld. Verder telt het plein een theater, helaas van alledaagse snit, een kunstgalerie, een paar aardige sculpturen en een ijswagen. En op gezette tijden strooit het carillon van de Sint-Jan heldere klingelklanken over het plein uit.


De Parade is misschien wel tekenend voor de Nederlandse pleinen. Ook al staan er een kathedraal en een theater, dit plein heeft eerder iets huiselijks dan iets voornaams. Pleinen in Nederland imponeren niet gemakkelijk. Ze zijn ook niet ontworpen in opdracht van keizers of pausen die het volk via weidse pleinen met marmeren paleizen ontzag wilden inpeperen.

“Nederland heeft geen triomfantelijke architectuur,” zegt prof. Mommaas. “Die past niet bij onze zakelijke aard. Een plein met grandeur zoals de Grote Markt in Brussel vind je bij ons niet. Onder invloed van het protestantisme zijn beelden en opsmuk hier altijd verdacht geweest. Wij zijn goed in handel en deemoed. Een plein moet functioneel zijn en dient dus voor de markt en als parkeerplaats. Dat denken is pas de laatste decennia aan het veranderen.”

In een Brabants dorp op een half uur rijden van Den Bosch is een pleintje te vinden dat volgens wijlen Martin Bril ‘gerust de mooiste dorpskern van Nederland mag worden genoemd’. Op dus naar het Vrijthof van Hilvarenbeek. Brils gelijk laat zich natuurlijk moeilijk controleren, maar Hilvarenbeek heeft zeker een heel mooie dorpskern. Het midden van het Vrijthof bestaat uit een grasveld met een muziekkiosk. Daaromheen cirkelt een straat met een handvol uitspanningen – waarvan er trouwens één De Zwaan heet, zoals om duistere redenen in veel dorpen het geval is. Dominant aanwezig is een forse kerk, de Sint-Petrus, met een toren uit 1450. Elders aan het Vrijthof hebben de protestanten al precies twee eeuwen lang hun Andreaskerk.

Maar de werkelijke attractie van het Vrijthof is de Gebodenlinde uit 1676, een boom die met zijn oude kromme takken zwaar op zeven ijzeren krukken leunt en die nog weet hoe de Heer van Hilvarenbeek hier onder het lindelover vroeger zijn decreten afkondigde. Om de stam heen is een achthoekige bank getimmerd waar ouden van dagen hun levensavond zouden kunnen slijten. Maar die hebben vandaag kennelijk wat anders omhanden. Er staat ook nog een buste van de dichter Anton van Duinkerken, die het dorp vaak aandeed, met op de sokkel de woorden: “En ik dank u, het leven is goed.” Het grazige plein, de boom op krukken, de bank voor de levensavond, de versteende poëet: het is allemaal van een vredige schoonheid.


Een laatste pleininspectie voert naar het ‘echte’ Vrijthof, dat van Maastricht. Maar eerst bezoeken we daar Plein 1992, een verwijzing naar de topconferentie alhier waarop de komst van de euro werd bezegeld. Een nog jong plein dus, ontworpen door Jo Coenen, evenals de bebouwing eromheen. Een van de wanden bestaat uit een blok winkels met daarboven appartementen. Aan de overkant staat onder meer een verbouwde fabriekshal, die toneelgroep Het Vervolg onderdak biedt. Bij de Maas wordt het plein deels afgesloten door sterrestaurant Beluga met daarboven luxueuze appartementen. De smalste zijde van het schuine plein bestemde Coenen voor een krachtig multifunctioneel gebouw dat onder andere de stadsbibliotheek herbergt.

Een zitbank van misschien wel vijftig meter streept langszij het plein. Ook zijn er bankjes rond de in het gelid geplante bomen gezet. Bij de zaak Coffeelovers staat bovendien een flink terras. Maar hoe uitnodigend al die zitplaatsen ook zijn, het plein is knap leeg. In een hoek houden zich alleen een paar alcoholisten op; zij nemen de ontmoetingsfunctie van het plein in elk geval ter harte. Een vreemd geval, dit plein: alle ingrediënten kloppen en toch is er geen volk.

Dan het Vrijthof. Een topplein, zo niet hét topplein van Nederland. Museum, theater, kiosk, platanen, witte gevels, beeldhouwwerken, terrassen, een glooiende leegte die oploopt tot de protestantse Sint-Jan en katholieke Sint-Servaas: zowat alle pleinopties staan hier aangevinkt. Je kunt hier neerstrijken op de lage trap van de basiliek en je ogen laten dwalen over het plein en zijn figuranten, en even later sta je op en ben je zelf pleinfigurant. Het plein is een podium voor iedereen. “Het toneel waarop,” om met Brunt en Tamboer te spreken, “iedere dag opnieuw een fascinerend ballet wordt opgevoerd, door individuele dansers en ensembles. Ze hebben allemaal hun eigen rol, en zonder dat ze het van elkaar weten, maken ze er een geweldige uitvoering van.”

Matt Dings