‘Ik zal het nooit meer doen’

De rechtszaal is dé plek om een nieuw leven te beginnen. Niet meer rijden met een slok op, nooit meer wietplantjes telen. Een week boetes, taakstrafjes en goede voornemens bij de politierechter in Alkmaar.

Het begon zo veelbelovend, het hennep-avontuur van boer B. uit Alkmaar en zijn vriend D. Duizenden euro’s zouden ze verdienen aan de oogsten van hun 128 planten.

“Maar toen kwam er politie aan de deur, is het niet?” vraagt de rechter.

“Dat was wel een ramp, ja,” vertelt boer B. – een 75-jarige man met een grijze sik en een ingevallen gelaat. Hij draagt geitenwollen sokken in gele klompen. “De honden begonnen te blaffen en daarna ben ik zo’n beetje alles kwijt.”

Boer B. vertelt dat hij longemfyseem heeft. Hij slaapt al vijftien jaar beneden zodat hij niet meer de trap op hoeft. Zijn vrouw is inmiddels overleden.

“Dat was een zware tijd, hè?” vraagt de rechter.

Boer B. verstart.

“Dat was een zware tijd, hè?” vraagt de rechter nogmaals.

Het onhoorbare verdriet van boer B. vult de zaal. Zijn vriend, die hij heeft leren kennen via zijn schoonzoon, klopt op zijn rug.

Terug naar de zaak. De vriend van B. had het meeste voorwerk gedaan. Hij vertelt hoe hij tweedehands spullen kocht bij een growshop. Daar was ook ene Willem, die een schakelbord voor de elektriciteit maakte, want daar hadden de bei-de hobbytelers geen verstand van. Eigen-lijk was het allemaal veel ingewikkelder dan ze dachten. “Het leek wel een laboratorium,” zegt B. Zijn vriend herinnert zich hoe hij destijds – we praten over twee jaar terug – een heel ander mens was dan nu. “Ik had net mijn gehandicapte zoon begraven, ik was van mijn vrouw af geraakt. Mijn kinderen studeren en ik zag dit als een bijverdienste.”

Maar het liep even anders. De eerste oogst mislukte deels door de onervarenheid, en voordat de tweede kon plaatsvinden viel de politie al binnen. De officier van justitie wijst erop dat B. bij zijn aanhouding heeft verklaard dat er acht oogsten zijn geweest, maar dat ontkent hij nu ten stelligste. En zijn vriend beweert bij hoog en bij laag dat hij niet in de meterkast heeft gerommeld, zoals het elektriciteitsbedrijf heeft geconstateerd. Daar is hij veel te onhandig voor.


“Ik ben niet in staat om een spijker in de muur te slaan,” zegt hij.

“Ik kan ook niks optillen of zo,” zegt boer B.

De officier van justitie weigert de twee te zien als slachtoffers. “Alle hennepkwekers zeggen dat hun eerste oogst is mislukt en dat ze al bij de tweede zijn betrapt,” zegt ze. Ze eist een voorwaardelijke gevangenisstraf voor boer B. en een taakstraf voor zijn vriend. Ook moeten de twee ruim zestigduizend euro terugbetalen – volgens haar de opbrengst van de hennepplantage.

De vriend van boer B. loopt rood aan tijdens het requisitoir van de officier. Hij wipt op zijn stoel, knijpt zijn handen samen. De eruptie volgt wanneer hij het laatste woord krijgt. “We hebben het op een eerlijke manier geprobeerd te doen. Ongelooflijk dat we dit zo moeten aanhoren. Ik ben suïcidaal geweest, ik heb twee opgroeiende kinderen. We zijn absoluut geen criminelen.”

Hij zakt terug in zijn stoel.

De rechter doet uitspraak. Er is twijfel over het aantal oogsten, zegt hij, en dat moet in het voordeel van de verdachten worden uitgelegd. De energieleverancier heeft zijn bevindingen omtrent het mogelijke knoeien met de elektriciteit wel erg vaag geformuleerd. Er is dus onvoldoende duidelijk dat er stroom is gestolen. Boer B. krijgt een maand voorwaardelijk, zijn vriend een werkstraf van zestig uur en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf.

Als de twee opstaan, omhelzen ze elkaar.

De kinderpornokijker

“Het klopt hè, wat u verweten wordt.”

De rechter houdt even de adem in.

“U heeft foto’s gedownload, u had contact met andere belangstellenden, u heeft foto’s en filmpjes doorgestuurd.”


Er zit een man van 39, hooguit één meter zestig lang, tenger postuur, donker haar, snorretje, spijkerpak. Hij zwijgt.

“Jonge kinderen, dat is wat uw interesse heeft?”

De man knikt.

“U heeft pedofiele gevoelens?”

De man knikt.

“U bent al twaalf jaar bezig. Hoe is het begonnen?”

Een zwak, bijna onhoorbaar stemmetje. “Het is eigenlijk begonnen als een uitdaging.”

“Waarom bent u dan doorgegaan?”

“Ja, geen idee, omdat het toch wel opwindend was.”

“Om welke leeftijden gaat het?”

Een secondenlange stilte. “Tien tot dertien.”

“Er zitten ook wel jongere bij. Is de belangstelling ook iets breder?”

“Ja ook wel.”

“Hoelang zit u achter het beeldscherm?”

“Als ik thuis ben staat-ie aan.”

“Al uw vrije tijd gaat erin zitten.”

De man knikt.

“U wordt behandeld voor uw internetverslaving en heeft nu geen internet meer.”

“Ik zit weleens te internetten bij mijn ouders, e-mail bekijken en zo.”

“Geen pornosites meer?”

“Nee.”

“Zeker weten?”

“Ja.”

“U heeft een klein sociaal leven?”

“Er is één iemand met wie ik soms ga vissen.”

De uitspraak: een taakstraf van honderd uur, drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Gespannen als een veer zit meneer K., 37 jaar, op zijn stoel. Rechtop, zijn handen geklemd om zijn bovenbenen. Hij is aangehouden nadat hij slingerend over de weg een andere auto aanreed. Zelf raakte hij gewond. In de ambulance gedroeg hij zich agressief: de nekkraag die hem was omgedaan, scheurde hij af. Hij was amper benaderbaar.

“Ik kan er niet tegen wanneer mensen aan me zitten,” vertelt hij in de rechtszaal. Hij slikt hoorbaar. “Dat deed mijn vader vroeger ook.”


In zijn zakken vond de politie twee zakjes hennep en een flesje met de partydrug GHB. “Dat flesje kreeg ik in de kroeg van een vage bekende. Die zei dat ik me daarmee goed kan ontspannen. Ik slaap al tien jaar niet, ik probeer alles uit om rustig te blijven.” Op advies nam hij een theelepeltje GHB in voor het slapen gaan. “Dat deed me niet heel veel. Ik werd er wel wat rustiger van.”

De officier van justitie gelooft er niks van. “Een flesje met 137 milliliter GHB kost veel geld, dat gaat een barmhartige Samaritaan heus niet uitdelen aan vreemden in de kroeg. Het is een enorme hoeveelheid, een dealershoeveelheid.” De officier eist een taakstraf van tweehonderd uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

De rechter neemt de man nog eens goed in zich op. “Ik zie u niet als grote dealer,” zegt hij. Hij halveert de taakstraf en legt geen voorwaardelijke straf op.

Een uur voor het begin van de zitting zat mevrouw Van S. (43) al te wachten in de hal. Het is een forse dame met een zuurstokroze blouse en een glimmende, goudkleurige handtas. Ze is betrapt bij een alcoholcontrole.

“We hebben op een terrasje gezeten en een paar roseetjes gedronken,” vertelt ze met verstikte stem.

“Ik zie dat u in 2004 voor hetzelfde bent veroordeeld; toen kreeg u een boete van 480 euro.”

In een seconde schiet mevrouw Van S. vol. Haar gezicht barst open in tranen.

“Mijn hondje was doodgegaan, mijn broer was dood, ik moest geld terugbetalen aan de belasting, wat ook buiten mijn schuld was. Gelukkig heb ik een andere baan, maar daar heb ik de auto voor nodig.”

De rechter wacht even tot ze zich heeft hervonden.


“Bevalt het nieuwe werk wel?”

“Ja,” snikt ze. Mevrouw Van S. werkt nu bij een tankstation.

De officier van justitie zegt dat het kwartje bij mevrouw destijds harder gevallen had moeten zijn. De eis is een boete van 450 euro en een voorwaardelijke rijontzegging van vier maanden. De rechter neemt de eis over.

“Ik zie dat u het zich wel realiseert.”

“Ja,” snikt mevrouw Van S. Op weg naar buiten veegt ze de tranen van haar gezicht.

Het gaat over mevrouw B., 36 jaar, kastanjerood haar, zwart pakje, breekbaar stemmetje. Ze is verdachte maar ze weet eigenlijk niet waarom. Want het is meneer S., een buschauffeur uit Den Helder, die haar stalkte. Hij zou zelfs in de buurt zijn gaan wonen om haar in de gaten te houden. Hij zou hebben gezegd dat hij met haar wil trouwen. Dat had ze ook allemaal aan haar buurvrouw verteld, zegt de buurvrouw zelf. Tot vervelens toe zelfs. Maar dat ontkent mevrouw B.

“Enig idee hoe ze daar dan bij komt?” vraagt de rechter.

Mevrouw B. schudt van nee.

De rechter leest voor uit het dossier. Het is een bijna onontwarbare kluwen van aantijgingen van allerlei betrokkenen. En mevrouw B. ontkent categorisch.

De vriendin van de buschauffeur wordt er inmiddels gek van. Zij hoort de vreemdste verhalen over haar man. Die moet zelf ook steeds tegen mensen zeggen dat hij heus niet langs het huis van mevrouw B. rijdt en haar achtervolgt in de supermarkt.

Mevrouw B. is aangeklaagd wegens smaad en laster. Dat levert nog een fiks potje kijven op tussen de rechter en de advocaat van mevrouw B. Die laatste ontkent dat er sprake is van smaad. De advocaat gaat er met gestrekt been in, het wetboek in de hand. Ze wil het OM zelfs niet ontvankelijk laten verklaren. Ze krijgt haar zin niet, maar blijft sputteren. En dan wordt het bijna snauwen. “Waarom doet u zo vijandig?” vraagt de rechter, licht onthutst. “U moet me niet steeds in de rede vallen, dat is uiterst onbeleefd.”


Er komt een jongedame van de reclassering getuigen. Ze verklaart dat mevrouw B. het niet makkelijk heeft: ze heeft nog trauma’s uit het verleden, ze is geheel arbeidsongeschikt en ze voedt haar dochter alleen op. “Mevrouw B. heeft een lage psychische weerbaarheid,” zegt ze. “Er zijn aanwijzingen dat er misschien problemen zijn met haar psychische vermogens.” Zelf zegt mevrouw B. dat ze inmiddels een assertiviteitstraining volgt bij de GGZ. Maar hoe zit het nu precies in haar hoofd? Dat kan de reclassering ook niet zeggen. De zaak wordt aangehouden in afwachting van een psychologisch onderzoek.

Waar haalde je in de aanloop naar Kerstmis 2007 nog een Playstation vandaan? De spelcomputers waren bijna overal uitverkocht. Maar niet bij de TG-Shop, de internetwinkel van Alkmaarder Franklin G. Die wilde ze wel leveren, voor een zacht prijsje. Maar wie geld overmaakte naar de TG Shop, zag het nooit meer terug. Want Franklin haalde het van de bank, bracht het naar ene Mohammed, die zette het weer op zijn eigen bankrekening en plaatste de bestelling bij een buitenlandse website. Maar ja, daar hoorde hij dan niks meer van. Niet zo vreemd: ook die site bleek van een oplichter. En toen kwamen natuurlijk de boze brieven en telefoontjes van de klanten. Franklin hield ze eindeloos aan het lijntje, maar uiteindelijk stortte zijn kaartenhuis in elkaar.

En dus zit Franklin – hij is nog maar 21 jaar – vandaag in de beklaagdenbank. Spijkerbroek, sneakers, kroeshaar. Hij schuift de schuld af op Mohammed en op de buitenlandse site. Maar Mohammed heeft verklaard dat hij Franklin nooit heeft ontmoet. Het heeft er alle schijn van dat Franklin het geld gewoon in eigen zak wilde houden. Hij deed net alsof hij zijn best deed om de bestellingen rond te krijgen.


“U zei tegen uw klanten dat ze TNT maar moesten bellen als ze meer wilden weten over hun bestelling. Hoe had u zich dat voorgesteld?” vraagt de rechter.

“Ik weet het niet,” zegt Franklin.

“Waarom ging u niet naar de politie toen u doorkreeg dat die buitenlandse website nep was?”

“Ik weet het niet.”

“U heeft mensen via MSN wijsgemaakt dat u zelf bestellingen aan het afleveren was.”

“Dat weet ik niet meer.”

De rechter kan haar scepsis amper nog verbergen. De officier van justitie zegt niets van Franklins verhaal te geloven en noemt het een ‘behoorlijk professionele oplichtingszaak’. Franklins advocaat zegt dat zijn cliënt echt wel de intentie had de spullen te leveren. Hij vindt dat Franklin bovendien al voldoende is gestraft: op internet circuleert zijn naam al. “Hij staat overal op zwarte lijsten. Mijn cliënt wil graag een opleiding volgen en werk vinden, maar dat gaat zo niet. Hij heeft zijn waarschuwing echt wel gehad.”

De rechter geeft Franklin een taakstraf van 120 uur en een maand voorwaardelijke gevangenisstraf. Op internet bestaat de TG Shop nog steeds. Playstations worden er niet meer aangeboden, wel dvd-spelers en mobiele telefoons.

Driekwart fles citroenbrandewijn. Dat had meneer L. achter de kiezen toen hij op een middag met zijn auto in een greppel belandde.

“Een greppeltje,” corrigeert hij de rechter.

Uit de blaastest bleek dat hij bijna viermaal de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn lijf had. En nu zit hij hier, een kalende man van 54 met een stevig postuur in een zwart pak. “Ik hoop dat de aanwezige pers voorzichtig omgaat met de privacy,” zegt hij. Meneer L. is relatiemanager bij een bank.


Ten tijde van het voorval stond die baan op de tocht. “Ik was overspannen geraakt door een reorganisatie. Ik zag het niet meer zitten. Tijdens een wandeling heb ik die fles genuttigd. In een vlaag van verstandsverbijstering ben ik gaan rijden.”

“Wat vindt u daar nu van?” vraagt de rechter.

“Ik schaam me diep, mevrouw.”

Inmiddels gaat het weer wat beter met meneer L. Hij werkt weer drie dagen. “Gelukkig maar, ik zat maanden als een dood vogeltje op de bank.”

“U bent eerder veroordeeld wegens te hard rijden en geen voorrang verlenen. Het verbaast me dat u uw werk op het spel zet.”

De officier van justitie zegt dat hem normaal acht maanden rijontzegging boven het hoofd zou hangen. De ellebogen van meneer L. rusten op tafel, de handen zijn stevig ineengeklemd. Zonder rijbewijs kan hij zijn baan wel schudden. “Ik krijg psychische begeleiding om nee te zeggen tegen alcohol. Laatst had ik een receptie; ik heb alleen water gedronken.”

De officier eist duizend euro boete en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden. De rechter neemt die eis over.

Meneer B. leeft al tijden in onmin met zijn buurman. Die woont elders in dezelfde flat in Alkmaar. Nu en dan komen ze elkaar natuurlijk tegen, en laatst ging het mis in de centrale portiek. Meneer B. sprak zijn buurman aan over het fietsje van zijn zoontje dat hij omver zou hebben gegooid.

“Ik werd opeens aangevallen,” zegt meneer B. “Hij greep naar mijn nek en ik werd tegen de brievenbussen geduwd. Daarna werd ik in mijn gezicht gespuugd.”

Op de publieke tribune klinkt gesis: de buurman en zijn vrouw zijn komen kijken, en kunnen hun verontwaardiging niet onderdrukken. Wát een onzin. De officier van justitie vertelt hún lezing: meneer B. begon te schreeuwen in de portiek en gaf zijn buurman twee of drie harde klappen in het gezicht. Mishandeling dus. Medisch onderzoek wijst ook in die richting: het moeten vuistslagen zijn geweest die de zwellingen in het gezicht hebben veroorzaakt. Maar meneer B. houdt vol dat hij alleen wat heeft geduwd. “Die verwondingen moet iemand anders hebben veroorzaakt; misschien is hij van zijn fiets gevallen, ik weet het niet.”


Vanaf de tribune klinken onderdrukte kreten van afschuw.

Meneer B. heeft het niet makkelijk, zo blijkt wanneer zijn persoonlijke omstandigheden aan bod komen. Hij heeft vijf kinderen, geen werk, hij loopt bij de psychiater en heeft tienduizend euro schuld. Zijn advocaat voegt eraan toe dat de buurman wel vaker valse aangifte heeft gedaan. Wat hem betreft is het een gevalletje noodweer. Meneer B. zegt nog dat hij wil dat alle mensen als broeders vreedzaam samenleven.

Dat kan zo zijn, maar de rechter gaat af op het medisch rapport. Het letsel past bij vuistslagen en bij niets anders. Meneer B. krijgt een voorwaardelijke boete van 250 euro en moet 100 euro schadevergoeding betalen.

Busjes met bouwvakkers, daar hebben we allemaal wel een beeld bij. In de vroege ochtend zien we ze naar hun eerste klus razen. Bij meneer E. uit Alkmaar stond er een busje met bouwvakkers stil in zijn straat. Niemand kon er langs. Meneer E. ging verhaal halen. En toen ging alles eigenlijk zó snel dat het nauwelijks nog is na te vertellen. Wat vaststaat, is dat een van de bouwvakkers op zeker moment de deur van het busje tegen zijn rug kreeg. Het was meneer E. die de deur had dichtgesmeten. Al snel stonden er vier bouwvakkers om hem heen. Ze duwden, schopten en sloegen hem een gebroken rib en een klaplong. E.’s dochter, die er ook bij was, probeerde hem nog te ontzetten. Een van de bouwvakkers riep dat hij haar wat wilde aandoen. Maar dat ontkent hij ter zitting.

Vandaag staan twee bouwvakkers terecht. Het zijn jongemannen van twintig en vierentwintig jaar die in hetzelfde huis wonen. Ze lijken niet onder de indruk. De ene is al eerder veroordeeld wegens openlijke geweldpleging en staat ook nu weer terecht omdat hij iemands voordeur met een bacosleutel zou hebben ingeslagen. De andere heeft er al een werkstraf op zitten wegens mishandeling.


Maar voor meneer E., een vrachtwagenchauffeur die net met de vut is, is het allemaal nieuw. Hij zit gespannen op zijn stoel – hij is tenslotte óók verdachte, vanwege het gooien met het autoportier. Zijn mond valt open wanneer de bouwvakker glashard ontkent dat hij zijn dochter bedreigde. De andere bouwvakker is minder slim in het schoonvegen van zijn eigen straatje. Hij vindt eigenlijk dat het allemaal meneer E.’s eigen schuld is: had hij dat autoportier maar niet moeten dichtgooien.

Zijn advocaat buigt zich naar hem toe en fluistert in zijn oor: “Stom.”

Als meneer E. nog eenmaal zijn zegje mag doen, verklaart hij dat hij de zaak vooral graag achter zich wil laten. Het vonnis kan hem niet snel genoeg komen. Voor zijn bijdrage in de knokpartij krijgt hij een voorwaardelijke boete van 250 euro. De twee bouwvakkers krijgen een werkstraf – ook voorwaardelijk.

“Er zat een bepaald tijdspad in, dus ik dacht dat het veilig genoeg was.”

“Het is stom, hartstikke stom.”

“Ik volgde al een alcoholcursus. Dit is dezelfde categorie stommiteiten.”

“Ik ben er ontzettend van geschrokken.”

“Het gaat altijd goed, en dan ga je denken dat het wel kan.”

“Er is gewoon één regel: niet drinken en rijden. Nul plus bestaat niet.”

“Ik schaam me rot voor mijn gezin.”

“Ik weet dat ik het absoluut nooit moet doen.”

“U ziet mij hier echt nooit meer terug.”

(Algemeen directeur, 42 jaar, drie biertjes en drie glazen wijn, boete 500 euro.)

Dat is niet slim: in de rechtszaal de wijsneus uithangen. Meneer S. (31), met vier maal de toegestane hoeveelheid alcohol gepakt toen hij met een bromfiets reed, heeft een merkwaardige grijns op zijn gezicht terwijl de rechter hem toespreekt. Erger nog, hij valt haar voortdurend in de rede.


“U zit er enorm bij te lachen, maar…”

“Neenee, het was gewoon een samenloop van omstandigheden, ik…”

“Zullen we elkaar laten uitpraten, zo krijg ik geen beeld van u.”

En zo heeft de man binnen een paar minuten ieder krediet verspeeld. Maar dat is ook buiten de rechtszaal zijn euvel, zo blijkt wanneer hij ongevraagd zijn persoonlijke omstandigheden opsomt.

“Ik ben helemaal klaar. Ik ben failliet verklaard, mijn vriendin heeft me genaaid, ze is er met mijn geld vandoor gegaan, ik heb al drie jaar geen huis.” Meneer S. slaapt bij een kennis, daar huurt hij een kamertje.

“Hoe is uw schuldensituatie?” vraagt de rechter.

“Dramatisch.”

“U heeft geen werk?”

“De sociale dienst zei dat ik vrijstelling heb van solliciteren. Ik ben niet capabel om te solliciteren.” Hij draait met zijn rechterwijsvinger naast zijn hoofd, als teken dat ze hem kennelijk niet helemaal jofel achten.

Weer die grijns.

De advocaat voert aan dat meneer S. de brommer alleen maar wilde ophalen omdat die kapot aan de kant van de weg stond. “Het zou ook zonde zijn wanneer mijn cliënt verder wordt teruggeworpen omdat hij al in de schulden zit.”

De uitspraak: een boete van vijfhonderd euro.

Clayton R. komt van Curaçao. Hij woont op een daklozenadres in Alkmaar. Dreads, sportbroek, gouden ketting, gympen. Als hij voor de rechter zit, klemt hij zijn pet om zijn rechterknie. Zijn rugzak legt hij naast zich op de vloer. Hij is aangehouden op zijn bromfiets met te veel alcohol op. O ja, en hij had ook geen rijbewijs.

“Ik had drie blikjes bier op. Ik kwam van mijn werk af. Daar hadden we wat na gedronken.”

“Tegen de politie verklaarde u dat u moest tanken.”


De man denkt even na. “O wacht, dat was de vorige keer.” Hij blijkt tweemaal eerder te zijn veroordeeld voor rijden onder invloed. En in april stond hij voor de politierechter wegens een vernieling. Maar dat terzijde.

“U brengt de levens van uzelf en van anderen in gevaar,” spreekt de rechter streng.

De verdachte vertrekt geen spier.

“Het dringt gewoon niet tot u door.”

Clayton R. werkt bij de vuilverbranding. Maar hij zit al twee maanden in de ziektewet, vertelt hij. Met een gekneusde duim.

Inderdaad, twee maanden met een gekneusde duim.

“Uw duim ziet er anders goed uit,” zegt de rechter, die zojuist ook wel heeft gezien dat het kennelijk geen probleem was een rugzak te tillen en een pet af te zetten.

“Ik ben bij de dokter geweest en het doet nog zeer als ik erop druk.”

Tja.

De officier van justitie zegt dat de verdachte geen drie blikjes bier dronk, maar vier blikken van een halve liter. Hij eist 380 euro boete en een voorwaardelijke rijontzegging van vier maanden. De rechter verandert dat laatste in een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.

“Oké,” zegt Clayton R. Voordat de rechter heeft gezegd dat hij weg mag, heeft hij zijn pet alweer schuin op het hoofd gezet.

Mark Traa