Op zoek naar het onthullende detail

Giovanni Morelli, Sigmund Freud en Sherlock Holmes. Over de parallellen tussen drie sporenonderzoekers of hoe een schokkende Victoriaanse moordzaak de sjabloon leverde voor de klassieke Engelse puzzeldetective.

Trowbridge, 30 juni 1860. In het afgelegen landhuis van de familie Kent heerst diepe rust. Vader, moeder en de drie kleintjes liggen op de eerste verdieping, de twee oudere kinderen uit Samuel Kents eerste huwelijk slapen samen met de bedienden op de tweede. Rond half twaalf had Samuel nog de waakhond gevoerd en alle deuren en ramen op de benedenverdieping vergrendeld tegen indringers.

Toch is de volgende ochtend de driejarige benjamin van de familie verdwenen; zijn lichaam wordt een paar uur later in een buitenlatrine voor de bedienden gevonden. Iemand heeft Saville Kent ’s nachts uit zijn bed gehaald, een mes in de borst gestoken en zijn keel van oor tot oor doorgesneden, om hem daarna in de latrine te smijten. Omdat iedere vorm van inbraak ontbreekt, moet de dader gezocht in de huiselijke kring.

Welke duistere praktijken hebben zich achter de deuren van zomaar een respectabele, ogenschijnlijk liefdevolle familie op het platteland afgespeeld? Het lokale politieteam komt er niet uit. Het 22-jarige kindermeisje Elizabeth Gough is belangrijkste verdachte: zij ontdekte om vijf uur dat Saville niet meer in zijn ledikant lag en verzuimde de ouders te waarschuwen. Daarbij legde ze tegenstrijdige verklaringen af over een dekentje dat ook was verdwenen. Bij gebrek aan bewijs wordt ze vrijgelaten.

Het raadsel van de moord in Road Hill House lag in die merkwaardige combinatie van hartstocht en kilte, planning en passie. Degene die Saville had gedood, verminkt en bezoedeld, moest ernstig gestoord zijn en dat deze bewoner van het huis zich tot dusver niet had verraden, duidde op een verrassende mate van zelfbeheersing. Nationale hysterie brak uit. Hoe kon een moeder nog rustig gaan slapen als ze niet meer de zekerheid had dat een afgesloten huis veilig was?


Nu was er in 1843 een elitekorps opgericht dat met veel succes misdadigers ontmaskerde door zelf incognito tussen de rangen en standen door te glippen. Het speurwerk van deze ‘zonder uitzondering achtenswaardige mannen van onberispelijk gedrag en uitzonderlijke intelligentie’ trok veel belangstelling; de media roemden de inductieve methode van de detectives, die misdadigers opspoorden met behulp van een paar modderspatjes of de as van een sigaret.

Toen Jonathan Whicher op 16 juli in Londen op de trein stapte naar Trowbridge, een stadje niet ver van Bath, en met een sjees in het dommelende dorp Road arriveerde, was het slachtoffer reeds begraven en het belangrijkste bewijsstuk verdwenen. Het oplossen van de moord zou de carrière van Scotland Yards beste detective ruïneren, maar hem ook onsterfelijk maken.

Uit een enkel voorval, een zorgvuldig gekozen detail uit het aangeregen snoer van dagelijkse gebeurtenissen, kan de mentaliteit van een heel tijdvak spreken. De geruchtmakende moord uit 1860 weerspiegelt het Victoriaanse tijdperk. Achter het rimpelloze leven van de familie Kent lagen gevaarlijke, duistere onderstromen verborgen. Dat innerlijke drama, de overspannen reacties van de media en het volhardende speurwerk van Jonathan Whicher maken de misdaad tot een archetypisch Victoriaans moordmysterie.

Het is de verdienste van Kate Summerscale dat we de geschiedenis nu op de voet kunnen volgen. De schrijfster, die eerder als literair recensent bij The Daily Telegraph werkte en een succesvolle biografie schreef over The Queen of Whale Cay, biedt in De vermoedens van Mr Whicher of de moord in Road Hill House een briljante reconstructie. Ze won er de prestigieuze Samuel Johnson Prize voor non-fictie 2008 mee.


Het knappe is dat Summerscale haar boek opzet als een echte speurdersroman. Aan de toch al spannende plot voegt ze een indrukwekkende hoeveelheid details toe over het dagelijks leven in die tijd en toont overtuigend aan dat de Road Hill House-moord de sjabloon bood voor de klassieke Engelse puzzeldetective, een genre dat tot ver in de twintigste eeuw tot de populairste Engelse literatuur behoorde.

Inspecteur Whicher was een beroemdheid. Een paar maanden voor hij naar Road werd gestuurd, haalde hij alle krantenkoppen met een spectaculaire ontmaskering van een stel juwelendieven. Een man en vrouw sloegen vermomd als aristocraten hun slag bij juweliers in Parijs. Tijdens de arrestatie had Whicher zich laten leiden door een schrikkerige beweging van de hand van de vrouw.

Daar was onze zwijgzame, eenzelvige inspecteur bedreven in: het lezen van lichaamstaal. Een oogopslag, zenuwtrek of onbewuste trilling van de hand zette hem naar eigen zeggen ‘op het spoor van dingen die voor anderen verborgen bleven’. Vooral aan de ogen kon hij zien wat de mensen dachten. Dat gegeven van de detective, die een nuchtere, scherpzinnige geest paarde aan een diep inzicht in de geheime zielenroerselen van de mens, sprak tot ieders verbeelding, en vooral tot die van negentiende-eeuwse schrijvers, zoals Wilkie Collins en Charles Dickens.

Zeven jaar eerder gaf Dickens al gestalte aan inspecteur Bucket die in Bleak House een moord reconstrueert op de gemoedelijke wie-in-deze-kamer-heeft-het-gedaan-manier. De schrijver kende Whicher persoonlijk en adoreerde volgens Summerscale de politieman, net als hij uit de lagere sociale milieus afkomstig, die als buitenstaander een alziend oog ontwikkelde voor aberraties in het keurig geregelde leven van de betere kringen.


In 1868 gebruikte Wilkie Collins de Road Hill House-moord voor zijn feuilletonroman The Moonstone, die doorgaat voor de eerste Engelse detective, met Sergeant Cuff als de schrandere inspecteur die later zou worden geperfectioneerd in de rasspeurder Sherlock Holmes (Arthur Conan Doyle) en inspecteur Hercule Poirot (Agatha Christie).

De moord in het afgelegen landhuis trof de Victoriaanse samenleving diep in het hart. Misdaad beperkte zich niet meer tot de achterbuurten van Londen; het zo hogelijk gewaardeerde gezin werd een broedplaats van onderdrukte emoties die een giftige wending konden nemen, een seksueel, emotioneel moeras. De Victoriaan, zo gesteld op zijn privacy, was gebiologeerd door het idee dat een gezicht of lichaam kon worden ‘gelezen’ en het verborgen innerlijk tot uiting kwam in de gelaatstrekken of het trillen van de vingers. Rillend van opwinding las men over het kloppende hart dat de moordenaar verraadt in The Tell-Tale Heart (1843) van Edgar Allan Poe.

Sporen zoeken. Deduceren, combineren, het ontcijferen van symptomen. Speuren naar wat zich achter de buitenkant der dingen verschool. Op zoek naar het verborgen detail dat de ziel van de menselijke soort blootlegt. Fascinatie voor moord en waanzin die achter iedere voordeur op kan laaien en de spoorzoeker die met het zuivere verstand de orde kan herstellen, typeert de tweede helft van de negentiende eeuw. Bakermat van de detectie, van het ont-dekken in de letterlijke zin van het woord: ‘het dak lichten’.

Van de scherpzinnige speurder naar de psychoanalyticus die aan onze onbewuste reacties onze diepste drijfveren afleest, is een kleine stap. Met het idee dat de meest onschuldige gebaren meer onthullen van ons karakter dan welk formeel, zorgvuldig ingestudeerd optreden ook, raken we het hart van de moderne psychoanalyse. In 1906 schrijft Freud: “In beide gevallen hebben we te maken met een geheim, met iets verborgens. In het geval van de misdadiger is het een geheim dat hij kent en voor u verbergt, terwijl het in het geval van de hystericus een geheim is dat ook voor hemzelf is verborgen. De taak van de therapeut is dezelfde als die van de onderzoeksrechter. We moeten het verborgen psychische materiaal blootleggen, en daartoe hebben we een aantal onderzoekstechnieken bedacht.”


Freud vergeleek zich ook graag met Giovanni Morelli (1816-1891), de Sherlock Holmes van de kunstgeschiedenis. Vanuit de gedachte dat de persoonlijkheid juist daar gezocht moet worden waar ze zich het minst doet gelden, ontwikkelde Morelli een methode om de authenticiteit van een kunstwerk vast te stellen. Niet de meest in het oog springende kenmerken bepalen het genie, niet de ten hemel gerichte ogen van Perugino of de glimlach rond de monden van Leonardo da Vinci, maar de oorlellen, vingernagels of de vorm van de tenen. Die onbeduidende details verraden de kunstenaar, zoals een misdadiger zich verraadt door zijn vingerafdrukken.

De moord in Road Hill House blijft jarenlang een bron van publieke discussie. Charles Dickens, en velen met hem, geloofde dat Saville Kent door zijn vader was vermoord. De man zou de nacht bij Elizabeth Gough hebben doorgebracht; misschien was de baby wakker geworden. Whicher daarentegen verdacht direct Constance, de zestienjarige dochter uit het eerste huwelijk van Samuel Kent. Haar moeder Mary Ann was in 1852 gestorven, het jaar daarop was haar vader hertrouwd met de kinderjuffrouw Mary Pratt.

Samuel verklaarde openlijk dat de familie van zijn eerste vrouw werd geplaagd door krankzinnigheid. Vijf van de tien kinderen waren voor hun eerste verjaardag gestorven; alleen Constance en haar twee jaar jongere broer William maakten nog deel uit van het nieuwe gezin. Dat ze tussen de bedienden op de bovenverdieping sliepen was de eerste clue.

“Als afgedankte meubelstukken op de vliering gezet,” schreef Whicher in zijn rapport. Hij achtte het tekenend voor de lagere status die de kinderen van de eerste mevrouw Kent in het gezin innamen. Hiermee kreeg hij een motief in handen. Een voormalig dienstmeisje getuigde van de stiekeme, intieme relatie die de gouvernante van de kinderen, juffrouw Pratt, met haar werkgever onderhield en de ongelukkige indruk die de eerste mevrouw Kent altijd had gemaakt.


Dan was er het raadsel van Constances vermiste nachtjapon en het bebloede hemd dat de politieagenten van Trowbridge achter het fornuis in de keuken hadden aangetroffen. In de veronderstelling dat het om menstruatiebloed ging, hadden ze gehuiverd ‘zulks in de openbaarheid te brengen’. Toen Whicher overging tot arrestatie van Constance keerde de publieke opinie zich tegen hem. Hoe kon een jong, onschuldig meisje in staat worden geacht tot het plegen van zo’n gruwelijke, goed voorbereide moord?

Met dezelfde honger waarmee wekenlang het sensationele nieuws was gevolgd, werd de beroemde rechercheur nu over de hekel gehaald. Voor Summerscale hangt de omslag van de publieke opinie samen met de bestaande klassen en standen. Dat een volksjongen nietsontziend nobele huizen binnendrong en zonder aanzien des persoons onthulde wat er gaande was achter de gesloten luiken, was opwindend maar ook bedreigend. De oplossing van de moord leidde tot een schandaal en luidde het einde van Whichers carrière in. Op 49-jarige leeftijd stuurde Scotland Yard hem met pensioen, maar zijn geest leeft voort in de Engelse literatuur.

Giovanni Morelli, Sigmund Freud en Sherlock Holmes. In zijn geweldige essay Sporen (1979), terug te vinden in zijn studie Omweg als methode, demonstreerde de Italiaanse historicus Carlo Ginzburg de analogie tussen de drie sporenzoekers. Zo catalogiseerde Morelli de schilde- rijen van Botticelli aan de vorm van de oren, die niet terug te vinden was bij zijn kopiisten en kopieerde Doyle hem in The Cardboard Box (1892) door Holmes de vorm van twee afgesneden oren te la- ten analyseren die per post waren opgestuurd aan een onschuldige oude dame.


Wat Freud natuurlijk in de ‘Morelli-methode’ boeide, was de idee dat onbelangrijke details, die gewoonlijk als triviaal en ‘laag’ golden, de sleutel leverden die toegang gaf tot de meest verheven producten van de menselijke geest. In zijn essay De Mozes van Michelangelo (1914) schrijft hij: “Ook in de psychoanalyse is het gebruikelijk uit de gering geachte en onopgemerkte details, uit het afval – de refuse – van de waarneming geheime en verborgen zaken op te maken.”

Voor de bron van deze frappante verwantschap tussen speurder, psychoanalyticus en kunstvorser geeft Ginzburg een verbluffend simpele verklaring: hun medische achtergrond. Zowel Morelli, Freud als Doyle voerde jarenlang een artsenpraktijk voordat ze het werk maakten waar ze beroemd mee werden. Alle drie waren thuis in een andere tak van spoorzoeken, de medische semiotiek, de opkomende wetenschap die het mogelijk maakte niet voor het blote oog waarneembare ziekten te diagnosticeren op basis van symptomen aan de oppervlakte.

Terug naar het verziekte familiele- ven van de Kents. Ruim vijf jaar na de moord komt Constance onverwacht met een bekentenis. De dan 21-jarige vrouw wordt veroordeeld, zit haar gevangenisstraf van twintig jaar uit en zal tot haar honderdste onder een valse naam in Australië voortleven. Whicher was ervan overtuigd dat ze bij het doden van Saville hulp had gekregen van haar broer William, met wie ze een hechte band had. Met haar bekentenis heeft ze hem buiten schot gehouden.

In een anonieme brief die Constance Kent in 1928 verstuurde, vindt Summer-scale aan het eind van haar boek een mogelijke aanwijzing voor de krankzinnigheid van deze tragische familie. Samuel Kent leed aan syfilis – opgelopen bij een prostituee – en besmette zijn eerste vrouw en hun kinderen. Het verklaart ook de vroege dood van Mary Pratt, de streberige gouvernante. Eenmaal op de troon als de nieuwe mevrouw Kent wilde ze het kroost uit het vorige huwelijk van haar man, getuigen van alle overspel en waanzin die zich jarenlang in huis hadden afgespeeld, zo ver mogelijk van zich vandaan hebben.


Arme Constance, slachtoffer van de seksuele praktijken van haar vader. De associatie met het verhaal van de achttienjarige Dora, zo prikkelend door Freud beschreven in zijn Ziektegeschiedenis- sen (1905), dringt zich op. Was Constance net als Dora in staat gesteld haar smeek-bede om aandacht en liefde op de bank van de beroemde Weense psycholoog neer te leggen, had de afschuwelijke wraakmoord op haar stiefbroertje nooit plaatsgevonden.

Ingrid Hoogervorst