Praag Warschau Praag

Herfst 1989. De Muur is nog niet gevallen; toch is in het communistische Polen de verandering al in volle gang. Buurland Tsjechoslowakije daarentegen is op het oog kalm, en ’s lands volk onverschillig. Maar schijn bedriegt.

Op een redactionele brainstorm in de nazomer van 1989 was het zo aardig bedacht. We zouden een reis maken van Praag naar Warschau en op die manier het land van de stilstand, de socialistische republiek Tsjechoslowakije, vergelijken met het land van de verandering, Polen. Al jaren waren de Polen doende zich een status aparte binnen het Oostblok te verwerven. Het was begonnen met stakingen onder leiding van Solidariteit, de vakbond die uiteindelijk in ’89 werd opgenomen in een regering onder leiding van Tadeusz Mazowiecki, de eerste niet-communistische premier achter het IJzeren Gordijn.

Behalve in Polen gistte het ook in de DDR en Hongarije, maar het bewind in Praag leek nog vast in het zadel te zitten. Af en toe drong er een intellectueel vlugschrift van de dissidente beweging Charta tot het Westen door, maar echte verandering leek er niet in de lucht te hangen. Niemand had toen trouwens door dat de Berlijnse Muur snel zou instorten en in zijn val het hele Gordijn zou meenemen. Het leek er veel meer op dat zich in diverse Oost-Europese landen geleidelijk een derde weg tussen socialisme en kapitalisme zou ontwikkelen.

We gingen op pad, fotograaf Jos Lammers en ik. De weg naar Praag voerde langs zinnebeelden van een oud en vermoeid socialisme. In dorpen en steden rezen overal dezelfde flats vol chagrijn op uit asfaltvlaktes en onverschillig braakland dat doorging voor lucht en ruimte voor het proletariaat. Het land rook naar de jaren vijftig, versleten fabrieken en kolendamp.

Praag was uitgestorven, die eerste avond. Er reden lege trams over lege wegen en in een danslokaal doodde een musicerend echtpaar de avond met een lome hit. Hoeren in gevaarlijk leer dansten bij gebrek aan klandizie met hun spiegelbeelden.


De ochtend bracht een heel ander Praag: druk zonder uitbundig te zijn, beminnelijk en zowel sober als aantrekkelijk. Nu eens warmde de stad zich aan de elegantie van het fin de siècle, dan weer huiverde ze in de tocht rond een reusachtige nieuwe aanwinst van de socialistische stedenbouw.

In een bierlokaal raakte ik aan de praat met enkele Tsjechen die stelden dat de repressie het engagement trefzeker had uitgeroeid. In geen land waren zo veel weekendhuisjes te vinden als hier: dat was het antwoord op het systeem. Men trok zich terug op het eigen eilandje en vond de vraag of er weer mandarijntjes te koop waren belangrijker dan het nieuws uit de buurlanden.

Simone Bouzkova, een milieuactiviste uit een erkende jeugdbeweging, zag overal onafhankelijke kritische groepen uit de grond schieten en de behoefte aan vrijheid groeien. “Maar iedereen wacht af tot het systeem uit zichzelf bezwijkt. We zijn geen vechters. We mopperen in de kroeg, met veel bier.”

In een cocktailbar, tussen de lichtekooien en leden van de geldwisselmaffia, legden twee hooggeplaatste Pragers uit dat Tsjechen weliswaar geen vechters waren, maar wel heel deskundig in het stille verzet. Ze wezen op protesten binnen de muren van de kerken en theaters. Op klein verzet zoals dat van werknemers die eendrachtig een gratis partijtripje naar Leningrad afsloegen. Op het geldbiljet met het portret van een gehate stalinist, dat zó gevouwen werd dat diens gezicht verschrompelde tot het kopje van Spielbergs E.T.

“Wat de partijmensen zo gehaat maakt,” aldus Eva in de cocktailbar, “dat zijn hun privileges. Neem alleen al het feit dat Tsjechoslowakije relatief de meest dienstauto’s ter wereld kent. Neem de vluchten met fijne etenswaren uit Zwitserland voor de partijtop. Of neem het speciale ziekenhuis Zanops, waar partijbonzen en hun families terecht kunnen. Alle hospitalen hebben gebrek aan medicijnen en zelfs aan zeep en warm water. Maar Zanops is een riant ziekenhuis met alle mogelijke faciliteiten.”


De CSSR was dus niet helemaal zo roerloos als het van buitenaf leek.

Een in jugendstil opgetrokken koffiehuis op het Wenceslasplein vormde het decor van een ontmoeting met de schrijver Jaroslav Veis. Ik vertelde hem over het plan, de Tsjechische stilstand met de Poolse beweging te vergelijken. “Dan moet je wel opschieten,” grijnsde hij. “Ik denk namelijk dat het hier heel snel is afgelopen met de stilstand.” Veis vermoedde dat de vastlopende economie de communistische partij zou dwingen tot politieke hervormingen, zoals dat ook in de Sovjet-Unie en in Polen het geval was geweest. “Maar dat zal niet door een volksopstand komen.”

Ook beeldhouwer en dissident Dalibor Plichta constateerde dat het klimaat voor hervormingen rijpte, zonder dat er een revolutie gloorde. “Persoonlijk denk ik dat veranderingen eerder van een paleisrevolutie zullen komen dan van een rebellie van de straat. En dat moment komt snel.”

Er waren nog afspraken buiten Praag. We reden het binnenland in, door Bohemen en Moravië, streken met herinneringen aan oude koningshoven en aan een tijd dat deze gebieden nog als Midden-Europees golden; nu lagen ze als het ware buiten Europa, in het Oostblok. We maakten een tussenstop in Kutna Hora, een provincieplaats met paleizen die veel betere tijden hadden gekend. In de plaatselijke bierhal, met zes meter hoog fantasiebehang en keukenmeubilair dat tegen een en ander bestand was, dronk men zich vredig een stuk in de kraag en zong geroerde liederen. En men dronk op de Freundschaft met de vreemdelingen en liet en passant weten dat het met het communisme nog vóór Kerst gedaan zou zijn: “Kommunismus? Amen.”


In Dobcis stond een rococokasteel dat de Tsjechische overheid ter beschikking had gesteld van erkende schrijvers die hier in stijlvolle rust konden werken aan hun oeuvre. Ik ontmoette er Vlasta Brtnikova, overtuigd partijlid, schrijfster en redactrice van een literair magazine, en Vlaclav Erben, schrijver van historische romans en detectives en een wat minder toegewijd partijlid. Brtnikova vond dat haar land toe was aan openheid en hervormingen. “Ik ben dan wel partijlid, een erg goede communiste zelfs, maar een communiste met oog voor de realiteit.”

Erben voorzag een spoedig einde van het staatsbestel. “Omwentelingen komen altijd plotseling. Ik denk dat er bij ons op korte termijn veranderingen komen. Eén ding staat voor me vast: de droom van onze grootvaders is dood. Hun droom van het socialisme was een mooie en aardige droom, maar hij is dood.”

Dat schoot niet op, al die waarnemers die me mijn verhaal door de neus probeerden te boren. Eerst zien, dan geloven, dacht ik met professionele scepsis. We gingen toch naar Warschau? Dan gingen we ook naar Warschau.

De laatste halte voor de Poolse grens heette Olomouc. Het was een verslonsde stad waar het verval bijna romantische trekken had gekregen. Gele lantaarns wierpen wat licht in sinistere crisisstraten waar het roet dik op de stoepen lag en uit huizen zonder ramen scènes uit het leven van zigeunerfamilies klonken. Een stuitende verwaarlozing van een stad waar toch nooit een vreemdeling kwam.

Wat na een paar dagen ging drukken was de egalisering van het land. Kleren, etalages, auto’s, nieuwbouwwijken, kranten: ze hadden allemaal die éne goedgekeurde snit van het grootste marxistische gemiddelde. Het eerste wat in Krakau opviel was verscheidenheid. Ook hier waren er etalages met vier conservenblikjes of drie paar schoenen plus een portret van Lenin. Maar even verderop vond je een designshop, een casino, een hip café, een espressobar en allerlei vormen van particuliere bedrijven. De handelsgeest kwam trouwens niet alleen uit fascinatie voor de vrije markt voort. Door werkloosheid en stijgende prijzen gedwongen, moesten veel mensen ook zien te overleven door middel van minihandeltjes. Op elke straathoek probeerden armoedzaaiers een paar bloemen te verkopen, of zelfgebreide wanten, of een fluitje van een cent.


De streek buiten Krakau was verschrikkelijk: het smerigste en ongezondste gebied van het land. Halfkreupele oude fabrieken en mijnen klampten zich aan elkaar vast en hoestten zich leeg over de miljoenen die hier probeerden te leven. De autoriteiten die namens de arbeidersklasse regeerden, investeerden geen zloty’s in de fabrieken van de arbeiders of hun welzijn. Ook afgeleefde industrieterreinen tekenden het gezicht van het tanende communisme.

Een lange, lange weg voerde naar Warschau. Waar ik een half uur na aankomst de hoteltelevisie aanzette voor het Poolse journaal. De Tsjechische oproerpolitie had gisteravond een grote demonstratie in het centrum van Praag hardhandig neergeslagen. Vele gewonden. Internationale protesten. Rumoer onder de bevolking.

Terug. Terug!

Zo veranderde het traject Praag-Warschau in Praag-Warschau-Praag.

Toen ik een paar dagen later weer het Wenceslasplein op liep, stroomde dat juist vol voor een nieuwe demonstratie. Binnen een uur stonden er tweehonderdduizend mensen om me heen. Ze rammelden met hun sleutelbossen, scandeerden melodieuze democratische leuzen, zwaaiden met hun tricolore, zongen hun volkslied, juichten Vaclav Havel toe en staken elk kaarsje dat door sneeuwvlokken doofde weer aan. Revolutie bij kaarslicht. Het was even enerverend als imposant.

Dalibor Plichta, de beeldhouwer, was er ook. “Dit had ik niet voorzien,” zei hij, “maar wat een dagen! Ze zijn van een opwinding die me bijna in tranen brengt. We hebben de hoop hervonden.”

Een paar maanden later arriveerde er een kaart uit Dobcis. Een nieuwjaarswens van schrijver Vaclav Erben. Hij had eronder gekrabbeld: Was I right?

Matt Dings