Vergeet het maar

Minister Ronald Plasterk pleit voor ‘nieuwe gestrengheid’ in het onderwijs. Maar wie zou dat pikken? In dit geïnformaliseerde land van ouwe-jongens-krentenbrood laten we ons toch zeker door niemand iets zeggen!

Nederland is een informeel land met informele omgangsvormen. Dat is bezoekers uit het buitenland altijd al opgevallen, zoals tal van reisimpressies door de eeuwen heen laten zien. Maar sinds de afschaffing van rangen en standen in de jaren zestig is het er nog veel informeler op geworden. Nergens is het Franse-Revolutie-ideaal van de gelijkheid zo omarmd als in Nederland. Met als collectief getrokken conclusie: als iedereen gelijk is, dan hoeft ook niemand zich te verbeelden dat hij iets over jou te zeggen heeft. Tezamen met een zekere bonkigheid die Nederlanders ok eigen is (mensen zeggen graag waar het op staat), en een zekere koelheid ten opzichte van de medemens (fysiek vertoon van hartelijkheid zit niet erg in de cultuur), heeft de vergaande informalisering ertoe geleid dat nu iedereen zit te klagen over het verhufterde publieke domein, waar eigenbelang en onbeschoftheid de dienst uitmaken.

Of het werkelijk allemaal zo erg is, valt te bezien (wie zich niet te veel opwindt, komt een heel eind met nergens last van hebben). Maar de ergernissen zijn legio. Van mensen die zich ergeren aan mobiele bellers, hondenpoep, bumperklevers, andermans ongemanierde kinderen en rotzooi op straat, tot Sire-spotjes en overheidscampagnes die burgers manen de beleefdheidsregels in acht te nemen.

Serieuzer dan de dagelijkse etiquetteschendingen en de collectieve ergernis daarover, is de agressie ten aanzien van hulpverleners en overheidsdienaren. Om zich hiertegen teweer te stellen, krijgen werkers in de zorg, loketbeambten, politieagenten en ambulancepersoneel tegenwoordig cursussen hoe ze moeten omgaan met agressieve cliënten en omstanders. Agressie is natuurlijk een extreme vorm van onbeleefdheid – of onbeleefdheid een milde vorm van agressie, zo kun je het ook zien. Hoe dit ook zij, onmiskenbaar brengt de toegenomen informaliteit in de maatschappij meer emotionele expressie van burgers met zich mee, en daarmee de vergroving waarover iedereen klaagt.


Voortschrijdende informalisering heeft de omgangsvormen egalitairder en eenvoudiger gemaakt. Er bestaat nauwelijks nog verschil tussen privécommunicatie (met vrienden en familie) en professioneel-zakelijke communicatie (met onbekenden, collega’s, klanten of patiënten). Dat wil zeggen: er is wel verschil in gespreks- inhoud, maar niet in toon of woordgebruik. Mensen leggen geen verschillen- de accenten meer in hun rol als vader, buurman, werknemer, lid van de tennisclub – ze zijn domweg overal zichzelf. Ze permitteren zich overal dezelfde grapjes en hetzelfde informele taalgebruik. Deze informele sfeer van ouwe-jongens-krentenbrood kan bij een gering misverstand, of onder stress, snel omslaan in geprikkeldheid, juist omdat die buffer van formaliteit ontbreekt.

De drempel om te laten zien wat er in je omgaat, is aanzienlijk lager geworden. Zeker als er geen autoriteiten in de buurt zijn die je eventueel op je nummer kunnen zetten. Gevoelens van ergernis, frustratie en woede (meestal over gefnuikte rechtvaardigheid of gekrenkte ego’s) mogen zonder reserve worden geventileerd.

Respect is niet zozeer iets wat een ander als vanzelf toekomt omdat-ie ook een mens is, maar iets wat eerst moet worden verdiend. De vraag wie het eerst aan de beurt is om zich zo te gedragen dat de ander hem genadiglijk wil respecteren, wordt op zichzelf dan ook een twistpunt. Zo krijgt de onstelpbare behoefte van allerhande lieden aan ‘respect!’ nog het meest weg van tegenliggers op een smal bruggetje, die allebei te beroerd zijn om even achteruit te rijden om de ander voor te laten gaan. Deze wederzijdse onbeleefdheid escaleert gemakkelijk in fysiek geweld, een vooruitzicht dat de angsthazen eerder zal doen inbinden dan de mannetjesputters. Op zo’n manier verkeert het begrip ‘respect!’ in zijn tegendeel: we zijn weer terug bij de stokoude wet van de jungle.


Een sector die ingrijpend veranderde onder de informalisering, is het onderwijs. Zoals elders in de maatschappij, bestaan ook hier geen vanzelfsprekende gezagsverhoudingen meer. De enige autoriteit waarover de leraar nog beschikt, is die van de deskundige. Hij weet meer van wiskunde, biologie en Engels dan de leerling, en op grond daarvan erkent de leerling zijn autoriteit. Op dezelfde inhoudelijke gronden erkent de patiënt de autoriteit van de arts, de burger de autoriteit van de ambtenaar van de uitkeringsfabriek en van de politieagent. Maar verder gaat het niet. Op school betekent de afkalving van de voorheen vanzelfsprekende lerarenautoriteit dat de orde in de klas verdwijnt. De corebusiness van de school bestaat uit het begeleiden van leerlingen naar een diploma. Maar voor het gedrag van leerlingen of het bevorderen van een goede werksfeer hebben leraren nauwelijks instrumenten, omdat de hele buffer van formalisme, waar een school altijd van voorzien was, is verdwenen. Het vaste systeem van gedragsvoorschriften is vervangen door onderhandeling en improvisatie.

Natuurlijk houden scholen er regels op na. Een greep uit de mogelijkheden: op tijd komen, niet de les verstoren, geen petjes op, geen jassen, geen extreme kleding, geen mobieltjes of iPods in de les, niet eten of drinken in de klas, geen rotzooi op de grond gooien, niet voor je beurt spreken, geen grof taalgebruik. Het probleem is dat de regels niet handhaafbaar zijn. Niet alleen omdat leerlingen ongezeglijk zijn, maar omdat leraren, net als de rest van Nederland, ook het liefst de regels naar hun eigen hand zetten. Op tijd in de les verschijnen is een van de simpelste regels die je kunt bedenken. Elke school hanteert sancties op te laat komen, variërend van een briefje halen bij de conciërge (en dan alsnog naar binnen mogen), tot uitgesloten worden van de les en de volgende dag een half uur eerder op school moeten verschijnen. De meeste leraren zullen zich aan dit regime houden. Toch zijn er altijd leraren van wie leerlingen weten dat die een oogje dichtknijpen als je een halve minuut te laat binnen komt stormen. Te veel coulantie? Dat hangt ervan af. Zulke leraren redeneren wellicht dat de laatkomer er meer bij gebaat is om toch nog de rest van de les te volgen, dan om een uur lang als straf niets te doen.


De ene leraar heeft een hekel aan petjes en jassen, de andere is niet geïnteresseerd in decorum. De ene leraar laat zich aanspreken met ‘meneer/mevrouw’ en ‘u’, de andere dringt aan op voornaamgebruik en tutoyeren. Bij de ene leraar wordt het consumptieverbod strikt gehandhaafd, de andere leraar staat snoep toe maar geen hele maaltijden. De een corrigeert grof taalgebruik en duldt geen gescheld, de ander heeft zelf de mond vol van ‘shit’, ‘kut’ en ‘kanker’. Sommige leraren zijn mordicus tegen elektronisch speelgoed in de les, andere leraren staan leerlingen toe om naar iPods te luisteren terwijl ze zelfstandig aan het werk zijn. Omdat ze zich op die manier kunnen afsluiten van de rest van de klas die aan het keten is. Dan is er tenminste nog een enkeling aan het werk.

Waar het op neerkomt, is dat er geen overeenstemming heerst over de regels en dat zowel leerlingen als leraren altijd wel een kiertje weten te vinden waarom een bepaalde regel in een bepaalde situatie niet van toepassing is. Leerlingen moeten in dit voortdurende gesteggel niet worden onderschat. Stel dat een school iets aan de kleding van leerlingen zou willen reglementeren, door bijvoorbeeld diepe decolletés of anderszins gewaagde (meer voor het uitgaanscircuit geschikte) kledij te verbieden, met als reden dat een school een serieuze omgeving is en dus een min of meer serieuze outfit vereist, zoals in de meeste werksferen ook gebruikelijk is. Zo’n regel maakt geen schijn van kans, omdat leerlingen zich onmiddellijk op het recht van vrije expressie zullen beroepen met: “Deze kleding (netkousen, bomberjacks, naveltruitjes, gettobroek) drukt mijn unieke persoonlijkheid uit en daar heeft de school niets over te zeggen.” Voor taalgebruik geldt iets soortgelijks. Veel kinderen zijn behoorlijk grof in de mond en zijn oprecht verbaasd als iemand hier bezwaar tegen maakt. Want in hun gezin en familie, en op straat, is het toch ook gangbaar? Strenge handhaving wordt dan muggenziften, waardoor de les wordt opgehouden.


Minister Ronald Plasterk riep eind mei in NRC Handelsblad het onderwijs op tot een ‘nieuwe gestrengheid’. Maar waar zou die vandaan moeten komen? Zelfs iets onderwijsinhoudelijks als grammatica en spelfouten aanmerken, of erger nog, laten meewegen in de beoordeling van schoolwerk is een leraar niet toegestaan, tenzij hij Nederlands geeft. De autoriteit van een leraar geschiedenis of economie wordt nu eenmaal alleen erkend op zijn eigen vakgebied. Zodra die over spelfouten of gebrekkige zinsbouw begint, gaat hij buiten z’n boekje. En iets onnozels als ‘geen kauwgum in de les’ of ‘niet voortdurend erdoorheen kletsen’ kan hij alleen voor elkaar krijgen als hij begiftigd is met charismatisch leiderschapstalent, liefst van het warme, humoristische soort.

De sterk informele sfeer die op scholen heerst – een enkele gereformeerde of islamitische school daargelaten – brengt onrust en wanorde met zich mee. Of er nu sprake is van klassikaal (frontaal) onderwijs, of van zelfstandig of groepsgewijs werken aan ‘leuke’ opdrachten, er zijn altijd wel leerlingen die zich vervelen en liever als stoorzender opereren. Zelfs als een klas zich min of meer geconcentreerd aan het werk wijdt, gebeurt dat tegen een constante achtergrond van geroezemoes, omdat er altijd wel iemand iets te kwebbelen heeft, zoals het in een café, in de bus of langs de lijn ook nooit stil is. Het doorlopende gekwetter zuigt de concentratie weg die nodig is om iets op te steken. Maar het werk moet nog steeds worden gedaan, dus het verplaatst zich naar buiten de school in de vorm van een zwaardere huiswerklast.


Het gebrek aan orde en discipline op scholen wordt nog verder in de hand gewerkt door de recente onderwijsvernieuwingen, met hun nadruk op zelfstandig competentiegericht leren, vele keuzemogelijkheden, werkstukken en voordrachten. In de lagere klassen lijden de schoolboeken aan een fragmentarische presentatie vol met plaatjes, grapjes en losse flodders, waardoor het kinderen die toch al concentratieproblemen hebben, moeite kost om er de relevante leerstof uit te destilleren. In de hogere klassen krijgen leerlingen geen huiswerk meer, maar studiewijzers voor een periode van zes weken, waarin ze zelf de leerstof moeten plannen. Omdat de voortgang niet wordt gecontroleerd, hebben veel leerlingen de neiging om het werk wekenlang uit te stellen tot vlak voor de deadline, en het dan in korte tijd af te raffelen of te ‘stampen’.

De vier profielen binnen de Tweede Fase leiden tot ingewikkelde roosters vol met tussenuren. Ze zijn bedoeld als uren van zelfstudie, maar in werkelijkheid worden ze door leerlingen vooral sociaal gebruikt (met vrienden naar koffieshop of snackbar). De hoeveelheid werkstukken vormt naast het reguliere huiswerk een extra studiedruk, waarvan het nut betwistbaar lijkt: leerlingen maken zich google-, knip-en-plakvaardigheid eigen, maar leraren ontbreekt het aan tijd om de werkstukken inhoudelijk te beoordelen, zodat het vaak bij afvinken blijft. Daarbovenop moeten leerlingen maatschappelijke stages volgen, op werkweek en op uitwisseling met scholen in het buitenland, powerpointpresentaties geven, groepsgewijs filmpjes maken, veldonderzoekjes uitvoeren, interviews houden en over alles verslagen inleveren, waarvoor wederom de tijd ontbreekt om ze na te kijken.


En dan is er nog het contingent leerlingen met speciale behoeften (ADHD, dyslexie, dyscalculie, PDD-NOS, asperger, hoogbegaafdheid, CVS, anorexia) die, uitgerust met particuliere rugzakjes, aanspraak kunnen maken op remedial teaching binnen schooltijd, plús allerlei uitzonderings- en compensatieregelingen voor proefwerken en examens. Van deze leerlingen valt nooit precies te onthouden waarvan ze reglementair zijn vrijgesteld en waarom ze niet in de les zitten.

De middelbare school lijkt op een kermis, waarvan de bezoekers geïndividualiseerde trajecten doorlopen, langs een parcours van als attracties vermomde, maar in werkelijkheid verplichte piketpaaltjes. Van alle kanten blèrt muziek, de grond is kleverig van de platgetrapte suikerspinnen, de uitbaters van draaimolen en spookhuis proberen wanhopig om de klandizie er efficiënt doorheen te jagen, kinderen dolen door het lachspiegelpaleis, graaien in altijd-prijs-grabbeltonnen, en nergens is het stil.

Dit is geen geschikte omgeving om een nieuwe gestrengheid voor af te kondigen. De manier waarop het onderwijs is ingericht (meer aandacht voor individuele behoeften dan voor collectief geldende eisen, meer nadruk op begrip dan op kennis, meer aandacht voor stijl en presentatie dan voor inhoud, meer gerichtheid op motivatie en proces dan op resultaat), verhoudt zich niet met kortere teugels. Niemand die het zou pikken. De leerlingen niet, omdat hun van huis uit ook nauwelijks iets in de weg wordt gelegd. De leraren niet, omdat zij het liefst zelf uitmaken hoe het er in de klas aan toegaat. En degenen onder hen met een natuurlijk gezag slágen daar ook in; zelfs de enkele troglodiet die bij wijze van particuliere eigenaardigheid staat op het memoriseren van rijtjes, woordjes, jaartallen en formules, krijgt dat in zijn eigen domein vaak nog wel voor elkaar – een kwestie van eigen lesmateriaal gebruiken en oekazes van hogerhand negeren. En ten slotte de ouders niet, omdat die bij de minste of geringste disciplinaire maatregel op de stoep staan bij de schoolleiding, om voor hun bloedjes van kinderen in de bres te springen.


“Moet jij jezelf thuislaten als je naar buiten gaat?” roept de nieuwe abri-, tv-, internet- en krantencampagne van Art.1, de koepelorganisatie van discriminatiemeldpunten. Om geruststellend te vervolgen: “Nederland was en is een land waar niemand zijn eigen ik hoeft te verstoppen.” Op de boodschap van deze overheidsgesubsidieerde, ideële club valt niets af te dingen: “Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook is niet toegestaan.” Het is de inbedding van het discriminatieverbod die te denken geeft. De advertentie hamert het er stevig in: “In Nederland hoeft niemand zichzelf thuis te laten. In Nederland mag iedereen overal zijn of haar eigen ik laten zien.” Inderdaad: er is geen verschil tussen publiek en privé – de overheid zegt het zelf!

Spijtig genoeg bevat dat ‘ik’, dat voortdurend op sleeptouw mee naar buiten moet en vrijmoedig aan iedereen getoond dient te worden, behalve de bedoelde demografische kenmerken, ook persoonlijke en incidentele aspecten van lager allooi. Een overheid die burgers aanmoedigt om overal hun eigen ik te laten zien, geeft tegelijk een vrijbrief voor lompheid en onbeschoftheid, je zin doordrijven, anderen hinderen met je emoties, en ten slotte voor onbekomme rd je schouders ophalen voor welke autoriteit dan ook. Want het buiten zijn voegen tredende ‘ik’ bepaalt zelf wel hoe het zich manifesteert in de openbare ruimte, op de werkplek of op school. Tegen zo’n massief vertoon van ‘ikken’ en ‘ikheid’ ketst elke vorm van nieuwe gestrengheid geruisloos af.

Beatrijs Ritsema