Gescheld komt van links

Het parlementair taalgebruik verruwt, hoor je overal. En dan wijzen de vingers vaak richting Geert Wilders, die oud-minister Ella Vogelaar ‘knettergek’ noemde. Maar wie de Handelingen van de Tweede Kamer  erop naslaat, merkt dat braafheid troef is. En áls er dan eens een krachtterm valt, dan komt die vrijwel altijd van linkerzijde.

Honderdvijftig mensen van de meest uiteenlopende gezindten die tot in den treure vergaderen; dan mag het een wonder heten dat er sinds 1995 niet vaker dan drie maal per jaar het woord verdorie is gevallen. Heel 1998, 1999 en 2001 gaan zelfs voorbij zonder dat er een verdorie klinkt in de vergaderzaal. 2005 was het dieptepunt uit de recente parlementaire geschiedenis: toen klonken er vier. Inderdaad: nog steeds niet om over naar huis te schrijven. Opvallend is dat Alexander Pechtold (D66) tekent voor drie van de laatste vijf verdories. Waarbij we het afgelopen half jaar nog niet hebben meegeteld.

Net als alle andere krachttermen komen de verdories bijna zonder uitzondering uit links-liberale en socialistische hoek. Goed, oud-LPF-Kamerlid en agrariër Wien van den Brink lustte er ook wel pap van; tot drie maal toe klonk zijn verdorie. Van hem noteren we ook twee maal verdikkeme. Ex-PvdA-Kamerlid Peter van Heemst is de enige die het woord verder nog heeft gebezigd. Een enkel potjandorie kwam van Thom de Graaf (D66, 2003).

De échte krachttermen (godverdomme en aanverwante) zijn in het parlement volgens de overlevering nooit gebezigd. Dat geldt sowieso voor elke religieuze verwensing: ook het onschuldiger jezusmina en godallemachtig komen we niet tegen. We moeten het hebben van een neutralere term als potverdorie, die we hoorden we uit de hoek van CDA, SP, GroenLinks en D66. Potverdriedubbeltjes – archaïscher kan het haast niet – klonk in 1996 uit de mond van Peter van Heemst, en in 2000 gebruikte Agnes Kant het toen ze schande sprak over het tarief van 30 cent per minuut dat gebeld moet worden om het nieuwe 0900-nummer van de politie te bellen. Dat leverde dit juweeltje op: “Het is toch potverdriedubbeltjes onbegrijpelijk dat mensen meer dan het normale tarief moeten betalen voor die dienst!”

Natuurlijk zijn er nog andere onwelvoeglijkheden die in het parlementair debat kunnen sluipen. Een woord als gezeik bijvoorbeeld, dat sinds 1995 acht maal werd opgetekend, vrijwel zonder uitzondering uit linkse mond. Groen Links-Kamerlid Ineke van Gent tekende voor de laatste twee, waarop ze overigens werd aangesproken door de Kamervoorzitter. En dat geschiedde ook in het geval van het tot dusver bijna louter door links gebezigde lullig. In een debat tussen Maxime Verhagen (CDA) en Wouter Bos (PvdA) tijdens de algemene politieke beschouwingen van 2006, zegt de laatste: “Dat is misschien wat lullig voor u, omdat het niet is, wat u wilt, maar…”
Kamervoorzitter Frans Weisglas (VVD): “Nee, dat heet hier nullig, die woorden wil ik niet horen vandaag.”
Bos vervolgde: “…dat is dan wat vervelend voor u, maar zo is het.”

Hielp het? Even leek het er op. Twee weken later werd Groen Links-kamerlid Kees Vendrik geciteerd: “Ik wil niet nullig doen, maar ik zit er echt mee.” Of was dat een lullig die in de Handelingen werd vernulligd?
De reprimande van Frans Weisglas is inmiddels overigens weer vergeten. Nullig is niet meer gehoord in de Kamer, lullig is alweer drie maal gevallen.

Mark Traa