Tsjongejongejonge

Miranda van Kralingen (1960) is zangeres en artistiek leider van Opera Zuid. Zij groeide op in Gelderland en Brabant.

Als Miranda van Kralingen aan haar vroegste jeugd denkt, ziet ze fruit voor zich, sterappeltjes, goudreinetten, kruisbessen, aalbessen. Het gezin bewoonde in de Betuwe een ruim huis met een grote tuin, die behalve ooft ook allerlei groenten leverde. In haar herinnering was haar moeder voortdurend fruit aan het wecken en appeltaarten aan het bakken.

Ze verhuisden regelmatig: gingen van Oosterbeek via Zetten naar twee adressen in Aalten om daarna naar het Brabantse Teteringen te verkassen. Ze kwamen steeds terecht in nieuwe panden, want daar hield vader van. Hij nam Miranda weleens mee als hun woning nog in aanbouw was. Als kind vond ze het spannend door zo’n karkas zonder ramen of deuren rond te lopen en te kijken waar haar nieuwe slaapkamer kwam.

Ze was veel buiten met Thor, een vriendelijke herdershond, en anders zat ze wel te lezen. Beide ouders waren grage lezers en voedden hun vier dochters met boeken op. Gerdientje, het eerste jeugdboek van haar moeder, staat nog ‘als een relikwie’ in haar kast. Zo kreeg ze ook drie kinder- en jeugdbijbels met van die bruinroze prenten erin; ze vond het altijd prettig als haar moeder daaruit voorlas, want dan klonk haar stem zo blij.

Moeder was van gereformeerden huize, maar van de blije tak. De kinderen werden Nederlands hervormd gedoopt. Vader was ouderling van die kerk. Miranda herinnert zich dat ze in de kerk zat met haar eerste handtasje van rood plastic, met daarin pepermuntjes en wat geld voor de collecte, en dat ze naar haar vader keek tussen de andere ouderlingen en dat ze het maar een gedoe vond, dat ouderlingschap.


Beide ouders kwamen uit het onderwijs. Moeder had les gegeven aan doofstomme kinderen totdat dit wegens haar huwelijk wettelijk niet meer mocht. Vader gaf Frans aan een middelbare school. Het leraarschap was indertijd een geziene baan, en vader was de laatste om dat tegen te spreken. “Hij was niet gespeend van eigendunk,” zegt Miranda van Kralingen. “Maar hij wás inderdaad intelligent, welbespraakt en zeer belezen. En autoritair, maar dat hoorde bij de tijd – veel vaders waren toen autoritair.”

Ze werd voornamelijk door haar moeder opgevoed. Die bracht haar goed bij dat ze beleefd moest zijn, dat ze het moest menen als ze zich verontschuldigde, dat ze geen onderscheid hoorde te maken in ras, geslacht, geloof en seksuele voorkeur, dat er geen rangen en standen bestonden. Daar had ze veel profijt van toen ze later als operazangeres zowel met kamermeisjes als met intendanten te maken kreeg. “Ik ben niet omver te blazen door rijkdom of roem en kan met iedereen opschieten.”

Vader Van Kralingen was mede dankzij zijn vak zeer francofoon. Die passie gaf hij aan zijn kinderen door. Hij leerde Miranda vanaf haar vierde Frans spreken, gaf haar later veel Franse gedichten en romans te lezen en keek met haar naar Franstalige films op de Belgische televisie. Bovendien klonken er thuis veel Franse chansons van chansonnières als Edith Piaf, Berthe Sylva en Juliette Gréco.

De klassieke muziek in haar ouderlijk huis beperkte zich tot Chopin en Liszt, twee liefdes van haar moeder. Had Miranda de mazelen of de bof, dan draaide haar moeder nocturnes van Chopin voor haar, afgewisseld met Tsjongejongejonge, wat een sprongen van het Cocktail Trio. Haar eerste klassieke lied hoorde ze pas op haar negentiende; het betrof Da unten im Tale van Brahms en het klonk tijdens een huisconcert bij een vriendinnetje. Ze vond het lied prachtig in zijn diepgang en gevoeligheid.


Allebei de ouders roerden de toetsen. Moeder Van Kralingen was het muzikaalst, maar werd overdonderd door vader, die haar, zoals hun dochter het uitdrukt, ‘met zijn uitermate onritmische amusementsjazz volledig wegspeelde’. Hij speelde in een paar bandjes die optraden op feesten en partijen.

Miranda’s muzikale gen uitte zich in een goede zangstem. Om het zingen te stimuleren, ging ze op aandrang van haar moeder bij een kerkkoor. Vervolgens werd ze al gauw gevraagd in een cabaretgroep, Stoom geheten, die veel liedjes op het repertoire had en in en rond Teteringen heel populair was. Ze heeft nog een plakboek vol foto’s en recensies. Ook ging ze zingen in een jazzbandje en bij de combo’s van haar vader. Jazzsongs of chansons, het ging haar moeiteloos af. Haar eerste zangdocente zei dat ze een natuurtalent was.

In die tijd botste ze vaak met haar autoritaire vader. Ze wilde haar eigen gang gaan en accepteerde zijn geboden niet. Haar moeder hield haar dan de hand boven het hoofd. Zei vader dat Miranda om middernacht thuis moest zijn, dan legde moeder stilletjes de sleutel onder de vuilnisemmer, waakte tot ze thuis kwam en zorgde dat ze ongemerkt naar haar kamer kon schieten. Ze hadden en hielden een band als een navelstreng.

Als kind en puber was ze stil, verlegen, teruggetrokken, beschouwend van aard, zat vaak te piekeren: waarom dit, waarom dat? Een moeizaam, observerend leven. Dat veranderde toen ze op haar achttiende, blij met de wenkende zelfstandigheid, het huis uit ging om in Groningen Frans te studeren. Toen dat al snel tegenviel, koos ze alsnog voor een zangcarrière en ging naar het conservatorium.


Ze werd toen lid van het studentencorps Vindicat atque Polit (handhaaf en beschaaf), dat haar voortvarend van haar verlegenheid en teruggetrokkenheid af hielp. In Groningen vond ze vrienden voor het leven, onder wie haar levenspartner, een violist die haar nog indringender dan het conservatorium inwijdde in de klassieke muziek. Bovendien: “De warmste man in mijn leven.”

Buiten de liefde vond ze geluk in het zingen. “Zingen is het rondste moment,” noemt ze dat. “Waarschijnlijk durf ik dan mezelf te zijn omdat ik iets kan wat een ander niet kan.” Zoals haar jonge jaren al een muzikale mix hadden opgeleverd van Chopin, Gréco en Cocktail Trio, zo beperkte ze zich in haar muzikale carrière ook niet tot de klassieke componisten. Naast de grote aria’s zingt ze nog steeds jazz. Ze speelde de operadiva Bianca Castafiore in de musical Kuifje en zong laatst op één avond zowel songs van Björk als O mio bambino caro van Puccini.

“Veel mensen zijn bang voor de ander en het andere,” zegt ze. “Ik heb die angst niet, noch voor mensen, noch voor muziek. Zo ben ik niet opgevoed. Ik vind dat rijkdom.”

Over twee weken: Lodewijk Brunt

Matt Dings