Updike’s eindpunt

Als lezer voelde je je in de maling genomen. Want John Updike, wiens eigen leven je in zijn indrukwekkende oeuvre terugzag, overleed begin dit jaar onverwacht en onaangekondigd. Nooit meer een jaarlijkse dosis Updike. Hoe moet dat nu?

Lezers van dit blad konden zich een half jaar geleden met recht bekocht voelen. In januari meldde de bespreking van John Updike’s laatste roman, The Widows of Eastwick, dat de schrijver na een paar mindere romans weer helemaal terug was. Een paar weken later was Updike dood, op 76-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van longkanker. Wie op de plank ruimte had vrijgemaakt voor tien nieuwe Updikes, keek nu tegen een gat aan.

In The Widows of Eastwick werd veelvuldig van de dood gerept – dode echtgenoten, dode farao’s, dode Mao – maar het was geen morbide boek. De schrijver schiep er duidelijk plezier in de drie weduwen op pad te sturen en samen te laten roddelen. Door veel critici werd The Widows onbarmhartig beoordeeld, maar mij leek het een aardige, ontspannen afsluiting van een van de grote roman- oeuvres van onze tijd.

Diezelfde critici moesten spoedig opdraven om een mooi stuk te schrijven bij het overlijden van de schrijver. Overal werd Updike’s enorme productiviteit geroemd. Sinds 1960 ging er vrijwel geen jaar voorbij of er verscheen wel een nieuwe Updike. Drieëntwintig romans, twaalf verhalenbundels, zeven poëziebundels, en acht essaybundels die vaak zeer dik waren, want Updike hield er niet van iets weg te gooien als hij het eenmaal had opgeschreven.

Vijftig jaar lang had deze schrijver vele potjes op het vuur staan. Naast zijn officiële werkkamer had hij nog een kamer waar hij boekbesprekingen schreef voor The New Yorker en beschouwingen over kunst voor The New York Review of Books. En dan was er nog een zijkamertje waar hij op een ouderwetse typemachine zijn correspondentie bijhield. Bij al deze nijverheid kwam nog dat Updike vrijwel de enige schrijver in Amerika was zonder agent. Hij regelde alles zelf. Toen ik vijftien jaar geleden contact opnam met Updike’s uitgever voor een interview, belde de schrijver me een week later om een afspraak te maken.


Updike was trots op zijn winkeltje. Hij was een van de weinige puur literaire schrijvers in Amerika die goed konden leven van de pen. Hij hoefde zich niet aan een universiteit te verbinden om in een mooi huis te wonen, verre reizen te maken en vier kinderen een goede opleiding te laten volgen. Een onwaarschijnlijk erudiete man – het hele huis puilde uit van de boeken -, vond hij het toch prettig om het masker te dragen van de sluwe provinciaal, die er door hard werken was gekomen.

Updike kon laatdunkend spreken over de typische schrijver van de generatie na hem, die eens in de vijf à tien jaar met een magnum opus kwam en zich in de tussenliggende jaren onledig hield met writer’s blocks en moeilijkdoenerij. Updike hield van boeken maken, van het contact met de mensen die boeken en tijdschriften in elkaar zetten, en van de gedachte dat zijn boeken terechtkwamen in de huizen van allerlei mensen die hij niet kende. En hij hield gewoon van het eindproduct boek, vooral als zijn eigen naam erop stond.

Veel necrologieën zetten Updike bij als de chroniqueur van de seksuele mores in suburbia. Het is de vraag hoeveel we nog aan die typering hebben nu hetzelfde kan worden gezegd van Saskia Noort. Toen Updike eind jaren vijftig New York verruilde voor een vriendelijk plaatsje aan de kust van New England, was dat nog een opvallende move, en zijn grote overspelroman Couples, tien jaar later, sloeg in als een bom. Inmiddels hebben de meeste Amerikaanse schrijvers de wijk genomen naar de groene gemeenten, en romans als Richard Fords The Sportswriter en Rick Moody’s The Ice Storm, lieten zien dat Updike allang niet meer het alleenrecht op dit terrein had.


Updike was niet altijd even blij met de manier waarop hij werd vereenzelvigd met suburbia. Hij zag zichzelf als een geheim agent die wel tussen de welgestelden woonde, maar er niet echt bij hoorde. Zo is Updike’s alter ego in Couples een omhooggevallen timmerman die de weg weet te vinden in de slaapkamers van alle bevriende echtparen. Naar verluidt hoef je in Ipswich, Massachusetts – het toneel van Couples, nog steeds Updike’s naam maar te laten vallen en de verhalen komen los. Wie het deed met wie, en wie met wie is hertrouwd, ook al lopen de betrokkenen inmiddels tegen de tachtig.

Updike’s gedachte dat hij undercover in deze kringen zijn materiaal kon opdoen is een ander masker dat hij als schrijver nodig had. Ondertussen wist iedereen wie Updike was. Iedereen wist wat voor boeken hij schreef en hoe hij eruitzag. Toen hij in de tweede helft van de jaren zeventig hertrouwde (met een vrouw die als twee druppels water op de eerste mevrouw Updike leek), ging hij twintig kilometer verderop wonen. Niet echt een manier om onder de radar te vliegen.

Updike zei vaak dat hij zich het best thuis voelde bij Harry ‘Rabbit’ Angstrom, de antiheld van de vierdelige Rabbit-cyclus. Hiermee bedoelde hij niet noodzakelijkerwijs dat hij zich het meest verwant voelde met deze nurkse, ongeletterde autodealer die altijd zijn lul achterna loopt en zich kort voor zijn dood vergrijpt aan zijn schoondochter Pru. Ik vermoed dat Updike bedoelde dat Rabbit de figuur was waarmee hij als schrijver het beste uit de voeten kon. Hij kon zich uitleven in Rabbits ruwe bolster en in diens blanke pit.

Updike groeide op als een enig kind in een gezin dat zwaar werd getroffen door de depressie van de jaren dertig. Hij was zijn moeders oogappel. Zij wilde boeken schrijven, en ze stimuleerde zijn creativiteit van jongs af aan, hoe hard de volwassenen om hem heen ook moesten sappelen. Updike’s beste boeken draaien allemaal om een man die de gretige ontvankelijkheid van zijn kindertijd heeft weten te bewaren, en ook de onzekerheid van een enig kind. Van de autodealer tot de schrijver die zich in Self-Consciousness autobiografisch uitsprak – ze weten niet of God bestaat, maar ze zijn wel bang voor hem.


Aan die tweestrijd tussen gretigheid en angst dankt Updike’s proza zijn kracht. Alleen een schrijver als Updike stuurt de bejaarde Ben Turnbull in Toward the End of Time naar de wc (een ruimte die in Updike’s werk niet wordt gemeden), waar hij afwezig het kruis van zijn onderbroek bestudeert en via het fijn geweven katoen komt tot een meditatie op de vernuftigheid van de natuur die zich binnenkort van hem zal ontdoen. In The Afterlife bedenkt een grootvader, wanneer hij een pasgeboren kleinkind krijgt aangereikt: “Het universum wilde me verpletteren, om ruimte te maken voor nieuwkomers.”

Updike schreef een aantal romans rond vrouwelijke hoofdpersonages, S., The Witches of Eastwick, een deel van het panoramische In the Beauty of the Lilies en The Widows of Eastwick. Het opvallende is dat in deze romans Updike’s metafysische angsten nauwelijks een rol spelen. Vrouwen zijn voor Updike een absoluut andere soort. Ze zijn niet alleen ‘biologisch geconditioneerd om bloemen aan te nemen’, zelfs van vreemden, maar ze zijn ook veel moediger en nuchterder dan mannen.

Zoals elke schrijver maakte Updike zich zorgen over zijn reputatie, want dat gaat niet over als je tientallen jaren aan de top staat. In de jaren na het interview stuurde ik de schrijver elke keer wanneer er een nieuwe Updike was verschenen, de bespreking die ik had geschreven, mooi opgemaakt, met een grote foto erbij. Soms schreef hij terug met een korte overpeinzing over de herkomst van de foto, een andere keer prees hij de manier waarop ik Toward the End of Time had besproken, namelijk welwillend, al was het niet zijn beste. Die roman was immers net in de New York Observer afgeslacht door schrijver David Foster Wallace (van Infinite Jest), die, om de klap harder te maken, beweerde dat hij de enige ‘onder de veertig’ was die nog waardering kon opbrengen voor Updike’s werk. Maar dan wel de Updike van toen die zelf ‘onder de veertig’ was. Tien jaar later pleegde Wallace zelfmoord op 46-jarige leeftijd.


Updike koketteerde graag met zijn leeftijd. Wat kun je anders doen? Maar het liefst sprak hij over zichzelf als het jongetje uit Shillington, Pennsylvania, dat aan de keukentafel zat te tekenen terwijl zijn moeder over zijn schouder meekeek. De jaren dat de economische crisis en de oorlog de tijd hadden stilgezet. Hij sprak trouwens sowieso graag over zijn moeder, alsof ze jaren na haar overlijden, eind jaren tachtig, nog steeds meekeek over zijn schouder. Ondanks al zijn mannelijk libido was Updike ervan overtuigd dat de werkelijke macht in deze wereld bij de vrouwen lag.

Toen ik hem vroeg waarom er altijd één grote, minutieus beschreven seksscène in zijn romans zat – zoveel jaren na de seksuele revolutie hoefde dat toch niet meer – zei hij dat hij dat zag als een beloning. Een beloning voor de schrijver en voor de lezer, net zoals seks in het dagelijks leven een beloning was die de vrouw gaf aan de man. Hij vertelde erbij dat er in zijn korte verhalen nooit seks voorkwam, omdat het merendeel van zijn verhalen werd voorgepubliceerd in The New Yorker, en dat weekblad accepteerde tot in de jaren negentig geen seks op zijn pagina’s.

Toen John Updike op 27 januari overleed, bleek al snel hoe ver Wallace er naast had gezeten. Jeffrey Eugenides (van The Virgin Suicides) constateerde dat het nieuws van Updike’s dood ‘een uitstorting van verdriet’ had teweeggebracht, onder lezers én schrijvers. Er was enige ontsteltenis dat een schrijver met wie iedereen zo vertrouwd was, zijn ziekte verborgen had gehouden. Updike schreef wel fictie, maar de contouren van zijn leven konden niemand ontgaan. Het had geleken of hij van alles literatuur wist te maken. Hij had zijn echtscheiding van voren en van achteren beschreven. Hij had geschreven over zijn psoriasis en zijn pijnlijke uren in de stoel van de tandarts, maar zijn laatste ziekte had hij voor zichzelf gehouden.


Het moeilijkst was het vooruitzicht van een leven zonder de jaarlijkse dosis Updike. Twee generaties lezers waren opgegroeid met de zekerheid dat er elk jaar wel een nieuw boek van hem in de winkel lag, en voortaan moesten we het zonder doen. Maar nog niet helemaal. Onlangs zijn de eerste postume Updikes verschenen.

My Father’s Tears is Updike’s laatste verhalenbundel, met de korte verhalen van sinds de eeuwwisseling. Toen in 2003 het eerste deel van zijn verzamelde verhalen verscheen, een mastodont van achthonderd pagina’s met de verhalen van 1953 tot 1975, konden we er niet omheen. John Updike was een van de grootmeesters van het korte verhaal. Doordat hij zoveel romans had geschreven, waren we dat weleens vergeten. My Father’s Tears is een van Updike’s meest pretentieloze boeken, en het is een van zijn sterkste. Een hoogtepunt aan het eindpunt. Geen literaire spelletjes. Het enige verhaal waarin Updike ver van zijn eigen ervaringen blijft, ‘Varieties of Religious Experience’, is meteen het zwakste. Je kunt Updike bewonderen om de moeite die hij deed om zich te verplaatsen in de geest van de mannen die de aanslagen op het World Trade Center pleegden. Het werkt alleen niet.

De sterkste verhalen zijn de verhalen waarin hij dicht bij zichzelf blijft, en het sterkste verhaal is misschien wel het laatste verhaal, ‘The Full Glass’, over een man die zichzelf gelukkig prijst met het leven dat hij heeft geleid. Dat de schrijver nog één keer de moeite doet om een masker te verzinnen – de hoofdpersoon is een gewezen verzekeringsman die na zijn scheiding in het parketonderhoud is gegaan, hoe verzin je het? – het zij hem gegund.


Een halve eeuw geleden debuteerde Updike met een gedichtenbundel. Daarom is het passend dat het laatste boek dat hij voltooide, op zijn ziekbed, de dichtbundel Endpoint is. Het eindpunt. Updike’s reputatie als dichter is niet kolossaal. In een tijd dat andere dichters het wereldraadsel te lijf gingen, schreef hij speelse gedichten die soms alleen maar voor de aardigheid leken te zijn geschreven. Ze werden weggezet als light verse. Ook in Endpoint staat een flink aantal gelegenheidsgedichten. Gedichten bij schilderijen, gedichten bij een maansverduistering, een onweersbui, de staaroperatie van zijn vrouw, en een reeks gedichten op zijn eigen verjaardag, beginnend met zijn zeventigste (“Ik vestig mij in het decennium waarin, zo begrijp ik, de meeste mensen sterven”). De titelcyclus blijkt uiteindelijk ook een soort gelegenheidsgedicht, ter gelegenheid van zijn eigen snel naderende dood.

De laatste gedichten dateren van eind december, toen hij nog een maand te leven had. Ze werden in het ziekenhuis geschreven. Zo blijkt Updike het toch weer te hebben gedaan. Er is geen onderwerp waar hij voor terugdeinsde. Zelfs zijn eigen einde niet. Het lijkt wel alsof de schrijver ons nog één keer versteld wilde doen staan van zijn werkdrift. Zelfs op zijn laatste ziekbed aan het werk! Updike kon gewoon niet anders. Wanneer je vijftig jaar schrijver bent geweest, is schrijven een vorm van denken geworden.

Soms onthutsend nuchter, zijn het gedichten die geen lezer van Updike’s romans zich mag ontzeggen. Ze maken het beeld compleet. Zo verbijt de schrijver zich à la Rabbit, in een gedicht over het bezoekuur in het ziekenhuis, dat hij ieder kleinkind netjes moet vragen naar hun belevenissen en hun vooruitzichten, terwijl zijn eigen vooruitzicht ‘zwart en bitter’ is. In een van de mooiste gedichten dankt de schrijver zijn klasgenootjes uit kleinsteeds Pennsylvania, sommige al overleden: “Goede vrienden van mijn kindertijd, klasgenoten, veel dank/amper honderd in getal, voor het fourneren/van een voorraad aan menselijke typen: schoonheid,/bullebak, meeloper, natuurtalent,/tweeling en vetzak – meer heeft een schrijver niet nodig.”


Het is een mooi eindpunt van een grote schrijverscarrière. Het gat op de boekenplank zal nog worden gevuld met nagelaten werk, het tweede deel van de verzamelde verhalen en andere uitgaven voor completisten. En het werk aan de officiële biografie, te schrijven door Adam Begley, is al begonnen. Maar hierna komt er nooit meer een nieuwe Updike.

John Updike, My Father’s Tears & Other Stories. Penguin. € 17,95. Endpoint and Other Poems. Penguin. € 20,85. Het vertaalde werk van Updike verschijnt bij De Arbeiderpers; nieuwe vertalingen zullen niet eerder dan volgend jaar verschijnen.

Herman Stevens