Schrijfwedstrijd: eerste plaats

Door de gordijnen kierde al wat daglicht, toen de telefoon rinkelde. Voorzichtig tastte Manon naar de tas die ze vannacht naast het bed had laten liggen en viste haar mobiel eruit. “Manon? Met Bart.” Hij klonk gespannen.

Of misschien was dat mijn verbeelding en was het mijn eigen gespannenheid die me parten speelde, elke keer als ik Bart zag of hoorde. Zelfs nu nog.

Manon keek me even aan en schakelde de speaker van de telefoon uit. “Jezus Bart, je belt me wakker, het is midden in de nacht.” Haar stem was dik en log van de slaap.

Ik voelde mijn hoofd bonken. Wijn, sigaretten. Te veel, zoals altijd. Ik richtte mijn blik op de wekker. Zo vroeg was het niet eens meer. Negen uur geweest. In mijn vorige leven zou ik om deze tijd al volop in actie zijn geweest, fris gedoucht en geschoren, schone kleding. In kon er me niets meer bij voorstellen.

Ik probeerde me Bart voor de geest te halen. De laatste keer dat ik hem had gesproken, was alweer een tijdje geleden. Twee maanden? Drie? Ik wist het niet meer. Tijd had een andere betekenis gekregen.

Weken, maanden waren in elkaar gevloeid en samengeklonterd tot een ondoorzichtige brij, waarin alle bakens waren verdwenen.

Bart en ik leerden elkaar kennen in Utrecht. We studeerden beiden journalistiek en woonden in hetzelfde studentenhuis. Hij was scherp, gevat en zag er ook nog eens geweldig goed uit. De meisjes kwamen en gingen, hij was echt wat je noemt een rasversierder. Voor mij lag het anders. De studie kostte me meer moeite dan ik had verwacht en meisjes waren al helemaal niet aan de orde. Niet met Bart in de buurt, en dat was hij vrijwel altijd, want hij beschouwde me als zijn beste vriend.

Ik dobberde mee op de golven van zijn levensvreugde, zonder duidelijke richting of doel. Aanvankelijk vond ik het prettig; Bart gaf kleur aan mijn leven dat tot dan toe voornamelijk uit grijstinten had bestaan, en een tijdje geloofde ik dat ik kon zijn zoals hij. Maar geleidelijk veranderde er iets. Ik begon zijn aanwezigheid als beklemmend te ervaren, realiseerde me steeds sterker dat Bart mijn vriendschap had gezocht juist om dat grijze; geen vriend was ik, maar een simpel contrast, niets meer.


Toen ontmoette ik mijn grote liefde. Ze was alles voor me, zacht, puur, het klikte echt tussen ons, en ik was er zeker van dat we voor elkaar waren voorbestemd. Maar het mocht niet zo zijn. Bart kwam ertussen. Misschien voelde hij het als een uitdaging, de aantrekkingskracht van het verbodene, of misschien irriteerde het hem dat ik niet altijd meer voor hem klaarstond en wilde hij de oorzaak daarvan wegnemen. In ieder geval lukte het hem. Ik was kapot. Na een maand dumpte hij haar weer, ‘toch niet mijn type’, zei hij, en was zij net zo kapot als ik. Ze vroeg me om vergeving, wilde me terug, maar ik wilde haar niet meer, niet met de smet van Bart die op haar rustte. Dat was ook wat ik haar toeschreeuwde, verbitterd. Vrij snel daarna verdween Bart. Van de ene dag op de andere was hij weg. Er gingen geruchten dat hij ergens in het noorden van het land een vrouw had ontmoet, maar het fijne wist niemand er van.

Voor mij was het een bevrijding, en hoewel ik nog steeds treurde om mijn vertrapte liefde, was het alsof ik meer lucht kreeg, bewegingsruimte. Hij kwam niet terug, en ik voltooide mijn studie zonder al te grote problemen. Ik vond werk bij een van de grotere dagbladen, nam mijn intrek in een klein maar comfortabel appartement en leerde Liesbeth kennen. Met Liesbeth lukte het wel. Ze trok bij me in en na verloop van tijd kochten we een huis, een huis van ons samen. We hadden het goed, ik had het goed, de wereld was vredig en de toekomst bood zekerheid.

Ik herinnerde me plotseling vlijmscherp een ochtend, buiten op ons terras. De zon tekende patronen op Liesbeths blote, bruine armen, oostindische kers in een jampot op tafel, de dauw nog op de bladeren. We keken naar een kleine spin die over de rand van de tafel wiebelde. “Spin in de morgen, kommer en zorgen,” zei ik, want dat zei mijn vader vroeger ook altijd, maar Liesbeth lachte me uit en bracht het gesprek op kinderen. Een gesprek, half luchtig, half serieus, ik herinnerde het me bijna woordelijk.


“O!” De uitroep van Manon rukte me naar de grauwe maandagochtend. “Gefeliciteerd dan maar.” Er klonk iets hards in haar stem. Toen lachte ze schor, stak een sigaret op, hoestte, luisterde weer.

Ik kneep mijn ogen dicht en gleed terug naar dat terras in de zon.

“Minstens twee, en jij doet de luiers,” had Liesbeth gezegd, maar de luiers had ik naar haar teruggekaatst in ruil voor nachtelijke flesvoeding, en in mijn gedachten had ik ze al zien opgroeien, gezonde, mooie kinderen, ik aan het hoofd van een gelukkig gezin. Op dat punt in mijn leven was Bart totaal uit mijn gedachten.

Toen stuurde mijn werkgever me naar Groningen voor een achtergrondreportage over een nogal spraakmakende afpersingszaak. Ik regelde een aantal interviews, boekte een hotel in het centrum van de stad en vertrok. Het was warm toen ik in Groningen aankwam, en er was nog meer dan genoeg tijd tot het eerste gesprek. Ik slenterde over het marktplein, speurend naar een plekje op een van de overvolle terrassen. Op dat moment voelde ik een klap op mijn schouder. Iemand noemde mijn naam. Ik draaide me om en herkende hem meteen. Het was Bart.

Hij zag er niet goed uit, mager, schaduwen onder zijn ogen. Maar de ogen zelf schitterden als vanouds en met dezelfde geen tegenspraak duldende stem nodigde hij me aan zijn tafel. “Ouwe makker, hier nemen we er een op!”

Hij leek oprecht geïnteresseerd in hoe het me was vergaan, in mijn leven zoals ik het nu leidde. Zijn blik kreeg haast iets gretigs toen ik vertelde over Liesbeth, ons huis, onze toekomstplannen. Over zijn eigen doen en laten was hij opvallend vaag, bijna alsof hij zich ergens voor schaamde. Wel nodigde hij me uit die avond bij hem te komen eten. Ik accepteerde, eigenlijk vooral uit nieuwsgierigheid naar zijn omstandigheden, de wereld waarin hij zich nu bewoog. Ik voelde dat er iets schortte. Maar vooral voelde ik dat ik op dat moment de sterkste was, superieur; misschien ben ik gegaan omdat ik dat gevoel nog even wilde rekken.


Die avond begaf ik me op de afgesproken tijd naar het adres dat hij had opgegeven. Geen goede buurt, troosteloze, slecht onderhouden flats. Ongelooflijk, dacht ik, dat Bart hier terecht is gekomen.

Door mijn oogharen keek ik naar het profiel van Manon. Zo, in het schemerige ochtendlicht, had ze nog steeds iets zachts. Zacht leek ze toen, die avond dat ik met Bart op mijn hielen een rommelige woonkamer binnenstapte. Ze stond bij het raam, keek me aan en het was alsof de vloer onder me begon te golven. “Manon,” zei ik, “Manon.” Iets anders kon ik niet uitbrengen, want zij was het, mijn eerste liefde, en in haar ogen zag ik dat ze net zo geschokt was als ik. Ze was dus terug bij hem. Ik kon het niet begrijpen, maar ik vroeg niets, en noch Bart noch Manon leek de behoefte te hebben iets uit te leggen. Wel klopte mijn gevoel van die middag dat er iets mis was met Bart. Een zware alcoholverslaving had hem bijna het leven gekost, maar, vertelde hij triomfantelijk, hij was er weer bovenop, hij was de drank de baas. Later had ik daar mijn twijfels bij; hij dronk veel die avond, net zoals Manon, net zoals ik, en de avond eindigde in een verwarrende waas, en met een zachte stem die fluisterde: “Ik laat je niet meer gaan, nu laat ik je niet meer gaan.”

De volgende ochtend werd ik naast haar wakker. Mijn eerste gedachte was Liesbeth. De tweede: Bart. En naast mijn schuldgevoel was er ook triomf: ik had hem teruggepakt, we stonden quitte. Eindelijk, na al die jaren. Ik stond op en kleedde me aan, me afvragend waar hij was gebleven. Zonder Manon te wekken liep ik de slaapkamer uit. Hij zat in de keuken en zag me binnenkomen. “Jeeezus,” zei hij, “Jezus,” en er lag iets in zijn stem, ik kon het niet plaatsen. Ik moet iets hebben gemompeld, een verontschuldiging, wat dan ook, maar hij schudde zijn hoofd. “Voor mij maakt het niks uit, ik heb niets met Manon, niente, nada.” Ik wilde iets zeggen, maar hij negeerde me en vervolgde: “Ik kwam haar tegen in de ontwenningskliniek, en zo af en toe zien we elkaar, twee eenzame zielen weet je wel, maar,” herhaalde hij, “ik heb niets met haar. Niet mijn type, weet je nog. En bovendien, ik zou het niet aandurven…” Hij hield even in en ik stond daar, bewegingloos, als een theaterspeler die zijn tekst kwijt is terwijl de schijnwerpers genadeloos op hem branden. De klap kwam bij zijn volgende woorden. “Ze is besmet, weet je. Hiv. Vreselijk voor haar, nooit gedacht dat uitgerekend zij zoiets zou oplopen.”


Ik keek naar de rommel op het aanrecht, de lege flessen. Op dat moment wist ik dat Liesbeth, het mooie huis, de al bijna bestaande kinderen, dat het allemaal een illusie was geweest, niet meer dan dat.

“Groeten van Bart.” Manon stopte met een bruuske beweging haar mobieltje terug in haar tas. “Hij heeft een nieuwe vriendin, en deze keer is het serieus zegt hij.” Ze begon te huilen. “Ze is zwanger.”

Ik draaide me op mijn rug. Draden van een spinnenweb liepen kriskras over het plafond en mijn ogen zochten de spin. Die kon niet ver weg zijn.

M.A. van Andel en J. Steen Jespersen

import uitslag schrijfwedstrijd