Altijd heibel

Lodewijk Brunt (1942) is emeritus hoogleraar stadssociologie. Hij groeide op in Heemstede en Hoogezand-Sappemeer. door Matt Dings, foto Herman Wouters

Lodewijk Brunts geboorteplaats Heemstede, onder de rook van Haarlem, was al een forenzengemeente toen zijn ouders er een huis betrokken in een mooie jarendertigbuurt. Er woonden veel mensen die net als vader Brunt vanuit het station Heemstede-Aerdenhout naar Den Haag reisden om daar iets hoogs te doen op ministeries of instituten.

Brunt sr. was secretaris-penningmeester van de KNVB, de hoogste betaalde functionaris van de voetbalbond. Het gezinsleven werd erdoor getekend. Enerzijds was vader zelden thuis, en wás hij er, dan kwamen er wel bezoekers over voetbal praten en werd er tot vervelens toe door sportjournalisten gebeld. Hij voerde zowel de voetbaltoto als het betaalde voetbal in, en dat waren heftige kwesties waarmee hij vaak in de krant kwam.

Lodewijk Brunt kreeg op den duur het land aan sport en aan de positie van zijn vader. “Ik werd er vaak op aangesproken en zei dan regelmatig dat hij niet mijn vader maar mijn oom was. Toen ik van school ging en onder zijn invloed vandaan kwam, heb ik heel lang sport en speciaal voetbal geschuwd.”

Veel familie woonde in Haarlem en trof elkaar vaak ten huize van Lodewijk Brunts grootouders. Hij vond het wel aangenaam, zo’n kring van mensen waarvan je als vanzelfsprekend deel uitmaakte. Zijn grootmoeder was een niet zo aardig, bazig mens, grootvader daarentegen een schat van een man met een engelengeduld.

Ook buiten de zondagse familiebijeenkomsten zocht hij zijn opa graag op. Grootvader had vroeger een elektriciensbedrijf gevoerd en had nog steeds een werkplaats aan huis, met heel veel gereedschap en een wand met van onder tot boven kleine laatjes met alle mogelijke soorten moeren, schroeven en spijkers. Fascinerend voor een kleine jongen; hij heeft er heel wat afgeprutst. In de werkplaats stond ook opa’s motorfiets. Soms mocht hij een rondje achterop. En als hij in de vakanties weleens logeerde bij kennissen in Overijssel, werd hij door grootvader met de trein gebracht en gehaald.


Een andere herinnering is gezang. Zijn moeder, die een goede stem had, zong veel in huis. Ze luisterde vaak naar klassieke muziek op de radio en gaf dan het commentaar van een kenner. Later zei ze het spijtig te vinden dat ze bij haar huwelijk had afgezien van een loopbaan als zangeres. En naast hen woonde een beroemde oratoriumzangeres, een alt, en twee huizen verderop een operasopraan, zodat er elke dag wel toonladders klonken als de zangeressen hun stemmen trainden.

Zijn moeder vond hij lief en altijd vol aandacht, met zijn vader lag hij echter vaak in de clinch. Hij raakte steevast verontwaardigd dat iemand die er ‘nooit’ was zich wél altijd met rapporten bemoeide. Met het aanbreken van de puberteit werd Lodewijk Brunt echt een lastpak. Hij moest niets hebben van autoriteit en discipline, maakte nooit huiswerk, had vaak ruzie en een brutale bek, werd om de haverklap de klas uit gestuurd en maakte het zo bont dat hij van drie scholen werd getrapt.

“Ik was onhandelbaar,” zegt hij. “Ik gooide mijn kop in de wind, liep bij voorkeur op blote voeten over straat, droeg een afgetrapte spijkerbroek uit Amerika, gekregen van mijn oom, en liet mijn haren lang groeien. Ik was sterk geïnteresseerd in jazz, mede omdat mijn vader dat verschrikkelijke muziek vond; als hij thuis was, zette ik die jazz keihard. Naar de Haarlemse jazzclub mocht ik niet, maar ik klom uit het raam en sneakte erheen. Werd ik vervolgens verraden door kennissen van mijn ouders. Weer heibel.”

Na het derde schoolfiasco stuurde zijn ouders hem naar Instituut Hommes in Hoogezand-Sappemeer, toentertijd de strengste kostschool van Nederland. Op dit peperdure internaat zaten moeilijk opvoedbare jongeren uit een welgesteld milieu, maar ook kinderen van uitgezonden Nederlandse diplomaten en jonkheertjes en baronnetjes. Moeder Brunt liet doorschemeren dat ze het er niet mee eens was, maar vader had gesproken. Dit, zei hij, was voor zijn zoon de laatste kans om iets van zijn leven te maken.


Zelf was Lodewijk Brunt er na jaren van ruzie en narigheid ook wel aan toe met een schone lei te beginnen, en hij besloot te proberen er maar het beste van te maken. Daarbij wilde hij, nu het erop aankwam, laten zien dat hij heus wel wat kon. Dat bleek ook, want in de vier jaar dat hij er zat werd hij de beste leerling van het instituut.

Hommes kende een kazerneregime met nauwelijks persoonlijk leven. Een doorsneedag betekende: vroeg op, naar school, ’s middags en ’s avonds huiswerk, een half uurtje ontspanning en vroeg naar bed. Er liepen dag en nacht surveillanten rond om de jongens te controleren. Wie een regel overtrad, was enorm de klos: dan kon je uit het woordenboek alles onder de letter P overschrijven, een ellenlange vermenigvuldiging uitwerken of een vrij weekend binnen blijven. “Ze maakten je daar heel klein,” zegt Brunt. “Ik heb eieren voor mijn geld gekozen en me aangepast, ook al zaten er regelrechte klootzakken tussen. Achteraf ben ik heel blij dat ik die school heb afgemaakt. Het was ook een enorme opluchting voor mijn vader.”

De jongenswereld van Hommes was in zijn ogen een meedogenloze samenleving. De bully’s, ofwel de jongens met spierballen, hadden het voor het zeggen en legden anderen door fysiek geweld hun wil op. Je moest enige branie ontwikkelen om er te overleven. Die survival lukte hem, maar hij was er soms erg eenzaam en ongelukkig. De lege uren vulde hij met boeken, vooral poëzie. Hij schreef zelf ook gedichten, waarvan er diverse werden gepubliceerd in het Handelsblad.

Tussen het eindexamen en de militaire dienst gaapte een half jaar, dat hij benutte door aan te monsteren op de Holland-Amerika Lijn. Als pantrybediende op de Statendam maakte hij reizen naar New York, waar hij van vroeg tot laat door de stad zwierf, totaal onder de indruk van de metropool.


Na zijn diensttijd – ‘een eitje na Hommes’ – begon Lodewijk Brunt aan zijn sociologiestudie, gecombineerd met een baantje als nachtportier bij een hotel. Eindelijk vrij en onafhankelijk: hij vond het een verademing. “Die behoefte aan vrijheid heeft me nooit meer verlaten,” besluit hij. “Maar ik had ook geleerd dat ik alleen kon bereiken wat ik wilde als ik er iets voor deed. Voor mij hangt vrijheid samen met discipline.”

import jonge jaren