‘De spelers kunnen altijd bij me terecht’

Hij is kind van de club en de zoveelste trainer die Feyenoord moet gaan redden. Een gesprek met ‘people manager’ Mario Been over wereldberoemd zijn in Rotterdam, latje tikken, normaal doen en familieleed. ‘Ik tracht altijd uit alles het positieve te halen.’ door Rob Willemse, foto’s Ilvy Njiokiktjien

Armen over elkaar, rustig kijkend; af en toe een korte aanwijzing: “Sneller.” Soms gaat de hand naar de wang: “Blijf bewegen.” Een andere keer verdwijnt de hand naar zijn kin: “Jammer, wel een goeie actie,” en, feller: “Nu, nú!” In zijn zwarte trainingspak observeert en doceert de nieuwe Feyenoord-trainer Mario Been zijn selectie tijdens het onderlinge partijtje. Even eerder heeft hij bewezen nog steeds over een fijne traptechniek te beschikken. Terwijl de spelers de spieren opwarmden, sprintjes trokken en andere fysieke oefeningen deden, ging hij ‘latje tikken’ met zijn assistenten Leon Vlemmings en Patrick Lodewijks. De eerste door Been getrapte bal verdween hoog in het doel, maar wel nadat hij de onderkant van de lat had geschampt. Op het subtiele succes volgde een triomfantelijke lach. De uitleg: “Dat is nog altijd een van de leukste dingen van trainer zijn; zelf een balletje trappen. Op dat gebied kan ik me ook nog wel met de spelers meten. Maar als het op lopen aankomt, ga ik even iets anders doen.”

Het is niet omdat zijn gewicht serieus is toegenomen sinds hij in 1995 stopte als profvoetballer. “Ik ben nu een kilootje of vijf zwaarder, dus dat valt mee. Zolang ik van de chips, de olienootjes en de bitterballen afblijf, heb ik met m’n gewicht geen problemen. Die heb ik wel met m’n knie; de reden dat ik moest stoppen. Ik kon absoluut geen negentig minuten meer spelen. Na een wedstrijd werd-ie heel dik en moest ik vier dagen complete rust houden. Ik ben er een paar maal aan geopereerd, maar er is niet veel meer aan te doen. Artrose, wat inhoudt dat er geen kraakbeen meer in zit; het is daar bot op bot. De enige remedie is een kunstknie, maar daar ben ik eigenlijk nog te jong voor. Hij functioneert ook nog wel. Behalve dat ik dus tijdens trainingen tegen een bal kan trappen, speel ik ook nog m’n wedstrijdjes in het vijfde elftal van Feyenoord met die andere oudjes.”


De club waarmee Mario Been (van 11-12-1963) een driejarig contract heeft afgesloten, is allesbehalve nieuw voor hem. Zes jaar was hij toen hij zich bij Feyenoord meldde. “M’n vriendjes voetbalden daar, en ik moest en zou er ook spelen. Ik sliep zelfs in een Feyenoord-pyjama. Ik ben toegelaten via een proeftraining en een ballotagecommissie. Die moest beoordelen of je goed genoeg was, of je uit een fatsoenlijk gezin kwam en of je vader genoeg verdiende om de contributie te betalen. Mijn vader was havenarbeider en heeft altijd keihard moeten werken om mij elk jaar van de nieuwste voetbalschoenen te kunnen voorzien.”

Zijn debuut in het eerste elftal kwam in de zomer van 1982, tijdens het AD-toernooi. “Ik mocht invallen; tegen Arsenal. Heel mooi, en ook heel spannend. Het stadion zal vol en als je dan zo jong bent, voelen je benen wel even heel zwaar. Maar ik scoorde; een simpel intikkertje. De volgende dag was de complete oplage van Het Vrije Volk al vroeg uitverkocht. M’n vader had ze allemaal gekocht omdat er een foto van mij in stond.”

Ook buiten het ouderlijk huis en Rotterdam groeide de waardering voor de spelverdeler. In 1983 blonk Been – in een team met onder anderen Marco van Basten, Gerald Vanenburg en John van ’t Schip – uit op het WK tot twintig jaar. Een jaar later werd hij uitgeroepen tot het grootste vaderlandse voetbaltalent, met de Gouden Schoen als tastbaar bewijs.

Maar, het is vaak gezegd en geschreven, de carrière kreeg nooit de glans en omvang waar hij destijds op hoopte en die hem ook voorspeld werd. “Zo langzamerhand heb ik dat verhaal inderdaad wel vaak genoeg gehoord. En zo’n heel beroerde loopbaan is het nou ook weer niet. Ik heb bij Feyenoord gespeeld, ik heb een interland achter m’n naam en drie jaar in de Italiaanse Serie A gevoetbald. Het kan stukken slechter. Maar dat ik als voetballer niet elke dag op zoek ben geweest naar m’n top en te veel heb willen teren op m’n talent is waar; en ook iets dat ik die gasten nu regelmatig voorhoud, als voorbeeld van hoe het niet moet. Dat doe ik met een beetje zelfspot, en dat komt wel bij ze aan, heb ik het idee.”


Bij de eerste kennismaking met een nieuwe spelersgroep stelt hij een aantal regels op. “Eigenlijk zijn dat simpele dingen, die neerkomen op respect voor elkaar en anderen en ‘normaal’ doen. Op tijd komen vind ik belangrijk. Ook wil ik ‘op het werk’ geen telefoons zien of horen, en als derde: scheenbeschermers tijdens de training. Het liefst dragen ze nu korte sokjes, zodat de beentjes lekker bruin worden. Maar dan ben ik misschien een speler weken kwijt vanwege een gekneusd scheenbeen. Verder wil ik na een wedstrijd ook niet dat ze vijf minuten na het douchen al op weg zijn naar huis. In mijn tijd als speler bleven we met een grote groep geruime tijd napraten. Iedereen kende elkaars vrouw en kinderen bij naam. Nu heb ik soms de indruk dat ze niet eens weten welke vrouw bij welke speler hoort.”

Zijn werkfilosofie vat hij in een drieletterig woord samen: PIT, dat staat voor Plezier, Instelling, Team. “Succes begint met plezier en een goeie instelling. Omdat niet de coach maar het team ‘de baas’ is, laat ik de spelers zelf regels opstellen. Daar zijn geen verrassingen uit voortgekomen. Voetbal is eigenlijk ook heel simpel. Op dit niveau zijn al die gasten goed tot heel goed. Als iedereen z’n stinkende best doet, en met plezier, ben je al een heel eind.”

Zijn belangrijkste taak is het selecteren van de elf juiste spelers om het sterkste team voor een wedstrijd samen te stellen. “Dat klinkt simpel, maar is het allermoeilijkste. Tenzij spelers er de kantjes van aflopen en er zodoende om vragen gepasseerd te worden. Want zo iemand speelt bij mij niet; ook al is hij in potentie een betere voetballer dan degene die zijn plek gaat innemen. In alle andere gevallen betekent het dat je twaalf spelers teleur moet stellen. Maar ik kies naar eer en geweten, en in het teambelang; dat moeten ze zich realiseren. Dus horen ze hun egootjes opzij te zetten en nog meer hun best te doen, om mijn keuze nog moeilij-ker te maken; en niet naar een vriendje bij de krant of hun zaakwaarnemer gaan bellen om zich te beklagen over die klootzak van een trainer.”


Over de zaakwaarnemers wil hij nog wel wat kwijt. “Een aantal zou best eens tegen een speler die ze begeleiden en zich komt beklagen, mogen zeggen: ‘Joh, niet zeuren, je zit bij een mooie club. Luister naar je trainer en doe nou gewoon je best.’ Of ze kunnen, in plaats van met die speler mee te huilen, mij bellen: ‘Mario, wat is er aan de hand?’ Die speler is trouwens een volwassen persoon en kan ook zelf naar me toe komen voor een uitleg of een goed gesprek; graag zelfs.”

Vaak zijn het jonge, creatieve spelers met veel talent, die – heel herkenbaar voor Mario Been – te veel op hun aanleg vertrouwen. “Ja, dat kunnen ‘karaktertjes’ zijn, met een neiging tot gemakzucht. Maar voor die spelers met te weinig zelfkritiek hebben we tegenwoordig de video-analyses. Dan kun je ze naar wedstrijdbeelden van zichzelf laten kijken, met hier en daar een kleine terechtwijzing, en aan het eind vragen: was het nou echt zo fantastisch wat je hebt laten zien?”

‘Spelers beter maken’ noemt hij het mooiste onderdeel van zijn werk. Dat kan op het trainingsveld gebeuren, maar ook daarbuiten. “Met ze praten over hun gezinssituatie kan, met name bij jonge spelers, heel nuttige informatie opleveren. Waar woon je, heb je broers en zussen, en hoe gaat dat onderling? Thuis kunnen dingen spelen – ziekte van ouders, een scheiding; ik noem maar wat – waardoor een speler niet lekker in z’n vel zit en minder goed voetbalt dan we van hem verwachten. Dan is het prettig als ik de reden weet. In een interview heeft Kevin (Hofland, Feyenoord-verdediger – red.) gezegd dat hij bedreigd is. Dat is een angstige situatie, ook voor een ervaren speler. Daar ben ik dus graag van op de hoogte.”


Hij spreekt Engels, Italiaans, Frans en Duits. “Maar vanwege het toenemend aantal Spaanstaligen dat hier komt voetballen, ga ik ook die taal leren. Verder probeer ik me een beetje te verdiepen in de culturen van onze buitenlandse spelers, zodat ik ze beter begrijp. People management noem ik dat, en dat wordt steeds belangrijker in het huidige voetbal: begrip, medeleven, een arm om een schouder. Guus Hiddink kan dat als geen ander, en kijk wat hij bereikt heeft. Op dat terrein valt nog veel winst te halen. Hoe je met mensen omgaat, leer je niet op de trainerscursus. Dat heb je in je of niet, al probeer ik er wel zo veel mogelijk boeken over te lezen. Bij een boeman zullen spelers niet snel aankloppen als ze een probleem hebben. Gelukkig schijn ik – heb ik de afgelopen jaren bij m’n vorige clubs gemerkt – wel uit te stralen dat ze altijd bij me terecht kunnen.”

Zijn trainerschap nam in 2000 een aanvang bij Feyenoord, als assistent van de huidige bondscoach Bert van Marwijk. In de zomer van 2005 begon hij als hoofdcoach bij Excelsior, waarmee hij meteen kampioen werd van de eerste divisie, destijds Gouden Gids Divisie genaamd. NEC werd zijn volgende club. Daarmee haalde hij in het seizoen 2008/2009 Europees voetbal en overleefde hij de UEFA Cup-groepsfase. Dankzij dat unieke succes overwinterde de Nijmeegse club zelfs. Nu is hij bij Feyenoord de trainer van wie – na Ruud Gullit, Erwin Koeman en Gertjan Verbeek – wonderen worden verwacht. Want de ‘Trots van (Rotterdam-)Zuid’ lijkt niet langer deel uit te maken van de traditionele topdrie, getuige de zevende, zesde en zevende plaats van de afgelopen drie seizoenen. Het laatste landskampioenschap dateert zelfs uit de vorige eeuw: 1999. Been: “Toch is dit – in míjn beleving hè, want natuurlijk ben ik subjectief – de grootste club van Nederland, met de mooiste historie, het mooiste shirt en het mooiste stadion; en met de mooiste en trouwste achterban.”


Dat die extreem hoge verwachtingen heeft, merkt hij niet alleen in Rotterdam-Zuid. “Waar ik ook kom – van de supermarkt in mijn woonplaats Barendrecht tot in Spanje, waar ik een vakantiehuis heb – word ik aangesproken met: ‘Hé Mario, het wordt dit seizoen toch wel beter, hè?’ of: ‘We worden toch wel kampioen?’ Tja, Feyenoord is de club van de hoop.”

Publiek bezit zijn hoort bij zijn vak, weet hij. “Daar kun je of in meegaan of heel gestrest van worden. In dat laatste geval zou ik op een privé-eilandje in de Stille Oceaan moeten gaan wonen. Maar ik ben niet zo moeilijk, en eigenlijk vind ik het allemaal leuk. Alleen van sommige interviews word ik weleens moe. Dan begint een journalist wéér over dat Pietje Bell-verhaal en moet het over vroeger gaan, dat ik toen altijd de lolbroek wilde uithangen en minder gedisciplineerd was. Daar ben ik nu wel klaar mee.”

Zijn leven als voetballer was heel mooi, dat van trainer is nog mooier, vindt Been. Maar het is ook loodzwaar. “Vaak kom ik echt moe thuis. Dit is een zware baan, waar heel veel energie en tijd in gaat zitten. Regelmatig ben ik er pas ’s avonds laat, omdat ik na m’n werk overdag nog naar een wedstrijd moet – van onze jeugd, of om een speler te scouten of een van onze komende tegenstanders te bekijken. Dus ik krijg van het thuisfront nog weleens het verwijt dat ik afwezig ben. Zelfs als ik er wel ben; want dan zit ik vaak met m’n gedachten toch weer bij de club en de spelers: wat kan ik nog verbeteren, en hoe kan ik dat doen? Dan word ik weleens terechtgewezen: zit je nou weer…? Oeps, ja dus; na zo’n seintje tracht ik wel weer afstand te nemen. Maar ook als we vrienden of familie op bezoek hebben, beginnen die altijd meteen over Feyenoord: ‘Hoe gaat het daar nou?’ en ‘Ben je tevreden?’ Ja, die mensen willen dat weten, en daar kan ik dus niks aan doen.”


Deze zomer slaagde zijn negentienjarige zoon Gianluca voor zijn vwo-opleiding. Tijdens de diploma-uitreiking ontbrak Mario. “Helaas, werk ging écht voor, maar daar baalde ik natuurlijk heel erg van. Zijn geboorte heb ik ook al gemist. Toen voetbalde ik bij Pisa en zat ik na een wedstrijd in het vliegtuig onderweg naar huis. Ik probeer wel zo veel mogelijk van zijn wedstrijden te zien. Dat zal dit seizoen gemakkelijker zijn dan de afgelopen jaren, toen ik in Nijmegen werkte. Het beloftenteam van Feyenoord, waarin mijn zoon nu speelt, voetbalt op maandagavonden en ik moet daar toch kijken. Want er kunnen jongens in rondlopen die op korte of iets langere termijn in aanmerking komen voor het eerste elftal. De afgelopen jaren bij NEC ging ik daar op maandag naar het tweede kijken. En omdat ik de volgende dag weer vroeg op de club moest zijn, bleef ik in Nijmegen slapen. Dat deed ik vaker, een keer of drie per week. De andere dagen reed ik op en neer. Vergeleken met die situatie is het nu dus wel iets makkelijker om tijd en aandacht voor m’n gezin te maken. Maar het blijft behelpen, al zal ik nooit klagen. Want voetballers en trainers hebben natuurlijk een geweldig leven. Dat hou ik spelers ook vaak voor. Waar ik altijd veel waarde aan hecht, is ’s avonds met z’n vieren eten. Dat vind ik heel gezellig, en dan wil ik van m’n vrouw, zoon en dochter horen hoe hun dag was.”

De vijftienjarige Jamie Been zit op de theaterschool. “Ook van haar probeer ik zo veel mogelijk uitvoeringen en voorstellingen te zien, met de hulp van m’n vrouw. ‘Deze mag je echt niet missen,’ zegt ze dan. Dat moet ik echt plannen, en soms lukt het dan door werk toch niet. Jamie heeft nu ook de leeftijd dat ‘de vriendjes’ haar ontdekken, en andersom. Ik schijn nogal streng te zijn qua uitgaan en vooral het tijdstip dat ze weer thuis moet zijn. En een jongen met wie ze uitgaat, wil ik van tevoren wel graag even ontmoeten. Maar ja, ik ben er lang niet altijd. ‘Het komt wel goed,’ zegt m’n vrouw dan. ‘Laat het nou maar aan mij over.’ En het is ook altijd goed gekomen en goed gegaan. Vooral dankzij Astrid, want het grootste deel van de opvoeding is op haar schouders terechtgekomen.”


De mooiste herinnering uit het meest recente Feyenoord-verleden dateert van 8 mei 2002, de winst van de UEFA Cup in het eigen stadion, twee dagen na de moord op Pim Fortuyn. Voor Mario Been en zijn vrouw Astrid was het ook een periode vol persoonlijk drama. “Mijn vrouw was destijds zwanger van een tweeling. Een kleine week voor de finale in de Kuip is dat fout gegaan.” Koeltjes: “Ja, dat zijn de mindere momenten in je leven.”

Na een korte stilte: “Uit die wedstrijd heb ik een schitterende foto van Pierre (Van Hooijdonk – red.), die nadat hij de eerste goal gescoord heeft naar de dug-out is komen rennen en mij daar vastpakt. Dat zijn momenten dat… Ja, wat moet ik erover zeggen…? Ik ben iemand die zulke dingen wegstopt. Kijk, natuurlijk zijn dat moeilijke situaties, erg moeilijk. Maar je moet door. Inmiddels ligt het alweer ruim zeven jaar achter ons, en destijds hadden we al twee heerlijke kinderen. Maar dat het na zes, zeven maanden fout ging, is heel moeilijk geweest; vooral voor m’n vrouw.”

Hij is – ook door zichzelf – wel omschreven als iemand die zich in moeilijke situaties het liefst terugtrekt, om met een lachend gezicht terug te keren. “Dat is wel mijn manier, ja: een kwinkslag, een geintje. Maar daarom hebben die gebeurtenissen me nog wel heel erg geraakt. Alleen tracht ik altijd uit alles het positieve te halen.”

Onder dergelijke droevige omstandigheden lijkt een zoektocht naar pluspunten niet eenvoudig. “Ja, dat is… een goeie… Nou, in die situatie met die tweeling hadden we al twee mooie, gezonde kinderen. Maar het blijft iets verschrikkelijks. Daarom was het moeilijk om écht te genieten van die gewonnen finale. Natuurlijk was ik ongelooflijk blij. Maar er was die andere kant. Toen ik naar de tribune keek waar m’n vrouw zat, zag ik dat ze ongelooflijk zat te huilen. Ja… al met al een enorm dubbel gevoel.”

import sport