Jamie III

Wat vooraf ging: Jamie, de hond, is dood. Negen jaar geleden, toen we ‘buiten’ gingen wonen, kwam hij. Een kat hadden we al.

In de vorige aflevering had ik het terloops over ‘het gedoe met de kat’, dat aan Jamies komst voorafging. Het zat zo. Sinds 1981 had ik een kat, een kater, genaamd Donder. Toen ik in 1980 in Amsterdam ging wonen had ik al een witte kat genaamd Bliksem, een pers. Veel van mijn avonden en nachten bracht ik door in Mazzo, een club, wat zeg ik, de club van dat moment, gevestigd aan de Rozengracht. Op de ochtend na zo’n nacht werd er aangebeld. “Ik kom de kat brengen,” zei een stem door de intercom. Ik wist nergens van. Het was ene Hans, hij had een kartonnen doos onder zijn arm met daarin een jong zwart katje, dat hij, zoals gisteren, afgesproken in de Mazzo – enfin, enkele uren eerder – kwam afleveren.

Toen had ik twee katten, een witte en een zwarte, Bliksem en Donder. Getransformeerd van speelse kleuter tot sikkeneurige hoogbejaarde verhuisde Donder twintig jaar later mee de stad uit. Een paar weken daarna was hij dood.

Hij takelde af, kreeg kanker; op een zondag verergerde het ineens, waarop de weekendarts hem uit zijn lijden verloste. Net toen we weggingen, Donder dood in een rode Dirk-tas, schoot ze ons aan. “Het is misschien wat vroeg voor jullie om erover na te denken,” sprak ze voorzichtig, “maar het kan helpen om het verlies te verwerken als je snel een ander huisdier neemt.”

Voor we het wisten stonden we tegenover een bench (eufemisme voor kooi) met zo’n warmhoudlamp erboven, zoals je soms in restaurants ziet. In het schijnsel, weggedoken in een met watten beklede Hertog-doos, was een klein rood pluisje te onderscheiden.


“Die is hier vanmiddag binnengebracht,” vertelde de dierenarts, “de enige overlevende van vier.”

Aan het strand van een nabijgelegen meertje waren ze gevonden, de mislukte verdrinking van een overcompleet kattennest. Het rode pluisje keek ons argwanend aan. Enfin, toen hadden we een nieuwe kat. Type lapjes.

Om de een of andere reden bereiken wij nooit volledige consensus over de namen van onze huisdieren, met als gevolg dat ze meestal onder meerdere namen door het leven gaan. Ik stelde voor hem Rojo te noemen, uitgesproken op z’n Spaans. Vrouw en dochter hielden het liever op Roodje.

Met Jamie ging het net zo.

Ik wilde hem James noemen. Even dacht ik aan ‘Hond’. Nee echt, maar héél even, want dat is natuurlijk een vrij slecht idee. Dat is het huisdiernamen-equivalent van die plastic vingertjes die je weleens op de klep van een kofferbak ziet zitten, alsof er iemand in ligt. Of zo’n stenen hondje voor op het gazon, dat zogenaamd een kuil aan het graven is.

Van ‘Hond’ kwam ik op James. (‘Mijn naam is Hond. James Hond.’) Maar een hondennaam moet op een klinker eindigen, hadden vrouw en dochter gelezen, dat roept makkelijker, dus zij stelden voor er ‘Jamie’ van te maken. Desondanks noemde ik hem privé meestal James, ook omdat ik de indruk had dat hij die naam zelf eveneens prefereerde.

Enfin, zo verdween Donder – onder een steen achter in de tuin – en verscheen Roodje. Het was winter; bij gebrek aan zo’n warmhoudlamp zetten we zijn mand op het rooster van een convectorput. Nog weken lag hij daar, ziek en zwak, maar hij overleefde en zou opgroeien tot een forse, eenzelvige buitenkat met een enorm territorium, waar indringers vriendelijk doch beslist uit worden verwijderd.


Toen hij een maand of vijf oud was, deed Jamie zijn intrede, en achteraf was dat de perfecte timing. Fysiek was Roodje hem toen nog de baas en samen met zijn anciënniteit gaf hem dat precies het vereiste overwicht om zijn morele gezag te vestigen over deze wilde, nieuwe huisgenoot. Gezag dat intact bleef toen Jamie hem alsnog boven het hoofd groeide, met als gevolg een perfect machtsevenwicht.

Hetgeen, zoals bekend, de voorwaarde is voor een succesvolle relatie.

(wordt vervolgd)

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import kuitenbrouwer