Sputterende alfa’s

De omgang tussen HP/De Tijd en de vorige week aan een hersentumor overleden Michaël Zeeman was niet zonder wrijvingen. De grote boekenwijsgeer wekte vanwege zijn enorme ego weleens de spotlust op en moest weinig hebben van de ironie die dit blad eigen is. Toen ik een jaar of tien geleden aan hem werd voorgesteld (ik was net weg als columnist bij de Volkskrant), keek hij mij eerst welwillend aan en hekelde vervolgens mijn overgang ‘naar dat vreselijke blaadje van Bert’ (Vuijsje, de toenmalige hoofdredacteur). Het vonnis van Zeeman: “Dan tel je niet meer mee.”

Toch kwam zijn dood voor mij als een schok, vanwege zijn leeftijd (een jaar jonger dan ik), en omdat ik wel affiniteit heb met de dingen waarover hij zich druk maakte. Ik vind ook dat het met ons historisch bewustzijn slecht is gesteld, en ik zou graag zien dat er in het onderwijs weer jaartallenrijtjes uit het hoofd worden geleerd (want kennis bestaat alleen bij de gratie van paraatheid en gevoel voor rangorde en chronologie). Maar als mensen hun eigen tijd het belangrijkst vinden, kan ik ze daar geen ongelijk in geven. Van Zeeman is gezegd dat hij te veel humor had om een cultuurpessimist te zijn, maar het scheelde niet veel. Hij zag de beschaving in gevaar en streed tegen middelmaat en vervlakking. Als alfa betreurde hij de teloorgang van de kennis van de klassieken, en hij droeg een Bildungsideal uit dat in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog uit het openbare leven verdwenen is. Zeeman wilde een homo universalis zijn, maar was zo op de letteren en de kunsten gefixeerd dat de werelden van de techniek en de economie – waar de echte vooruitgang plaatsvindt – erbij inschoten. Ook zijn studie filosofie maakte hij niet af (voor zijn loopbaan geen beletsel).

Hier komen we op een teer punt, want het pijnlijke is dat juist alfa’s in de moderne wereld zo onbetekenend zijn en door bèta’s en gamma’s zijn overvleugeld. Je kunt duizenden boeken gelezen hebben en toch in de marge verkeren. Sterker, alleen figuren die in afzondering een eigen niche creëren, hebben daar nog tijd voor. De samenleving is uitstekend draaiende te houden zonder Homerus en Shakespaere, terwijl heel het raderwerk stil staat bij de eerste de beste stroomstoring of tractorblokkade. Een Olympiër als Thomas Mann heeft Duitsland niet voor de barbarij kunnen behoeden, en sinds bekend is dat de kampbeulen ’s avonds zo mooi Schubert speelden, gelooft niemand nog dat de muzen je tot een beter mens maken.


Ik weet het, dit zijn clichés, maar Zeeman schrok ook nooit terug voor zwaar geschut, dus ik schets het even plat. Eruditie en geleerdheid dwingen nog net een obligaat soort ontzag af (je kunt er beroemd mee worden op tv), maar de waarde van kennis wordt bepaald door wat je er in de praktijk mee kunt doen. En ‘respect’ is tegenwoordig een eis van minderheden die zich buitengesloten voelen, dus daarmee schieten de cultuurdragers ook niet veel op. De status van de intellectueel is tanende, hoe je het wendt of keert. De alfa is nog wel deftig, maar er wordt niet meer naar hem geluisterd, en daarover is hij net zo boos als de kleine middenstander die zijn klanten naar de supermarkt ziet gaan. Nog even en onze cultuurelites zitten in de hoek waar de klappen vallen en gedragen zich daar ook naar.

Eigenlijk zien we dat nu al. Een schrale troost is dat bèta’s het ook moeilijk hebben. Net als alfa’s schelden zij op managers die al netwerkend de macht naar zich toe trekken. Maar bèta’s kunnen dingen die alfa’s en gamma’s niet kunnen en moeten alleen vrezen dat hun expertise door technologische ontwikkelingen is ingehaald. Daar hebben alfa’s geen last van. Op de vraag of dit erg is, luidt het ontnuchterende antwoord ‘neen’. Het is de prijs voor het succes van een (mondiale) alfabetiseringscampagne die kennis verspreidt en minder exclusief maakt. Al het gesputter van Europese intellectuelen over het ‘neoliberalisme’ dat de wereld zou verschralen, duidt ook op denkarmoede van alfa’s die met hun hoofd in de wolken lopen. Veel fictie, weinig realiteit. De literaire veelvraat Zeeman is zowel ‘een groot Europeaan’ als ‘een echte wereldburger’ genoemd. Maar schuilt daarin geen tegenspraak?


Het gedweep met grote Europese schrijvers en dichters werpt juist een dam op tegenover een wereldbevolking die daar geen boodschap aan heeft, en er is niks kosmopolitisch aan een elite die buiten de eigen kring slechts benepen provincialisme waarneemt. Een elite kan alleen nog een elite zijn als die een brug slaat naar een groter publiek. Zeeman met boeken deed daartoe overigens een manmoedige poging. En netwerken binnen het internationale schrijverswereldje kon Michaël als de beste. Zonder sociale intelligentie vaart niemand wel.

import dirk jan van baar