Bezeten brieven

Van de Franse dagboekenschrijver Paul Léautaud (1872-1956) wist ik weinig meer dan dat hij een excentrieke misantroop was die samenleefde met tientallen katten en honden. Maar hij had een baan als redactiesecretaris bij uitgeverij Mercure de France, schreef jarenlang toneelkritieken en nam wel degelijk deel aan het literaire leven, waar hij geacht werd om zijn eruditie en zijn bedrevenheid in de conversatie. Maar ja, al die katten blijven te denken geven. Met mensen die hun affecties beperken tot grote aantallen huisdieren is doorgaans psychologisch gesproken iets niet helemaal in orde. Zo ook met Paul Léautaud. Het boek Brieven aan mijn moeder maakt hartverscheurend duidelijk wat hem kwelde: de getroebleerde verhouding met zijn moeder. Eigenlijk is dit te zwak uitgedrukt – waar het op neerkomt is dat de moeder de ziel van haar zoon heeft vergiftigd.

Paul werd geboren uit een affaire van actrice Jeanne Forestier met de souffleur Firmin Léautaud. Drie dagen na de geboorte vertrok Jeanne om zich bij haar reizend toneelgezelschap te voegen. Zijn vader delegeerde de opvoeding aan een huishoudster. Op jeugdige leeftijd werd hij het huis uit gezet om voor zichzelf te zorgen. Tot zijn negende jaar bezocht zijn moeder hem sporadisch. Pas bij de laatste ontmoeting ervoer de jonge Paul enige warmte, toen zij hem in négligé ontving in een hotelkamer, waar zij hem bij zich in bed noodde en overlaadde met liefkozingen. Hij was zo onder de indruk van haar schoonheid en haar tederheid dat een hartstochtelijke moederliefde bij hem ontbrandde, die echter bestemmingsloos bleef, omdat Jeanne niets meer van zich liet horen.

Fast forward naar twintig jaar later. Het is 1901 en Paul, inmiddels 29, wordt door zijn grootmoeder (die hij niet kent) ontboden naar Calais, alwaar Fanny, zijn tante, op haar sterfbed ligt. Deze Fanny, de oudere zuster van Jeanne, was de enige van zijn familie aan moederskant die zich het lot van de jonge Paul had aangetrokken door hem genegenheid te schenken, en later een kleine maandelijkse toelage. Aan het sterfbed verschijnt ook Jeanne, die met man en twee kinderen in Genève woont. Ze is nog steeds even jong en mooi als in zijn herinnering, en tussen moeder en zoon bloeit meteen weer een broeierige intimiteit op, die ze besluiten voort te zetten door middel van brieven. Nu zullen ze elkaar nooit meer verliezen.

De correspondentie begint in oktober 1901, en in mei 1902 is het alweer afgelopen. Met een bijna dagelijkse frequentie schrijven ze elkaar bezeten brieven, zoals alleen een verliefd stel daartoe in staat is. Vooral de zijne staan in het teken van onvoorwaardelijke overgave, geluk om hervonden liefde en verlangen naar hereniging in de toekomst. Maar al snel sluipt het bederf binnen. Er ontstaat onenigheid over hoe elkaars passages te interpreteren. De moeder maakt terugtrekkende bewegingen en begint zijn aanhankelijkheid malicieus te duiden. Ten slotte vraagt zij hem haar brieven terug te zenden, wat hij weigert omdat ze het enige zijn wat hij ooit van haar gekregen heeft. Paul gaat nog zes jaar door haar twee keer per jaar te schrijven, zijn liefde te betuigen en te smeken om antwoord. Tevergeefs, Jeanne blijft zwijgen tot haar dood.


Tot tweemaal toe in de steek gelaten en verraden door zijn moeder. Er zijn mindere redenen om je tot katten te beperken.

Beatrijs Ritsema

Paul Léautaud.

Brieven aan mijn moeder.

Vertaling, voor- en nawoord van Mels de Jong. De Arbeiderpers, Privé-domein. €21,95.

1 Taal is zeg maar echt mijn ding (1) – Paulien Cornelisse

2 Echte mannen eten geen kaas (3) – Maria Mosterd

3 Bindi (2) – Maria Mosterd

4 De Prooi – Blinde trots breekt ABN Amro (5) – Jeroen Smit

5 De man en zijn fiets (10) – Wilfried de Jong

6 Ik stond laatst voor een poppenkraam (8) – Lucie Mosterd

7 De paardenjongen (re) – Rupert Isaacson

8De gevallen engel (6) – John van den Heuvel & Bert Huisjes

9 C’est la vie(re) – Martin Bril

10 Het laatste geel (7) – Mart Smeets

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import fictie