De balans van de immigratie

Met zijn voorstel om de kosten van de immigratie te laten onderzoeken, heeft Geert Wilders de natie een fijne zomerkluif geschonken. Hij wist zich bij voorbaat verzekerd van afwijzende reacties van de Haagse politiek en al diegenen die vinden dat je zo niet ‘over mensen’ kunt spreken. Tegelijk stond vast dat onafhankelijke stemmen zouden uitleggen dat in Nederland elk beleid financiële onderbouwing behoeft en in kosten en baten wordt uitgedrukt. Waarom de immigratie dan niet? Dat suggereert dat we met een taboe te maken hebben dat buiten de politiek correcte orde valt, en daarmee scoorde Wilders opnieuw. De Haagse mores schrijven zelf voor dat er slechts rationeel beleid mogelijk is als beleidsmakers zich op keiharde cijfers baseren en hun kop niet in het zand steken. Zo’n onderzoek had er dus allang moeten zijn.

Van mij mag het (ik denk zelfs dat de Haagse rekenmeesters enthousiast aan het rekenen slaan als zij daarvoor het groene licht krijgen), maar ik vind het evenmin een schande dat zo’n onderzoek tot nu toe is uitgebleven. Iedereen kan wel ongeveer vermoeden dat grote aantallen nieuwkomers zonder opleiding een stevige aanslag plegen op de publieke middelen. Het is vragen naar de bekende weg, en er is wat voor te zeggen als de belastingbetaler dat bespaard blijft. Maar dat zal niet gebeuren. In een democratie moet over alles verantwoording worden afgelegd, ook over veertig jaar inconsistent immigratiebeleid, en ik denk niet dat Wilders deze sappige weidegrond in zijn eentje mag afgrazen.

We gaan uitgesplitst naar diverse etnische groepen te horen krijgen hoeveel de immigratie heeft gekost, maar die cijfers zullen door de migratie-experts weer worden gerelativeerd en gecompliceerd. Links en rechts zullen roepen dat niet zij, maar de anderen stigmatiseren. Er zullen nieuwe definitiekwesties ontstaan (wie of wat is een niet-westerse migrant en tot in de hoeveelste generatie blijf je dat), en aan het eind zitten we nog steeds met dezelfde vragen. Ondertussen gaat de immigratie door, terwijl de Nederlandse samenleving als geheel er niet beter van lijkt te worden. Zie veertig jaar ontwikkelingshulp; die blijkt ook immuun voor vernietigende kosten-batenanalyses.

Dat klinkt cynischer dan het is. Moderne verzorgingsstaten laten zich meer door sociale dan door economische overwegingen leiden. Weliswaar wordt het collectief voortdurend langs de economische meetlat gelegd, waardoor het idee bestaat dat het publiek domein ondergeschikt is aan de markt, maar in werkelijkheid is het andersom. Die vaststelling is van belang, want als we louter economisch te werk zouden gaan, kan iedereen die ziek, zwak en ‘te veel’ is het schudden. In werkelijkheid wordt daar juist veel zorg aan besteed. En als er toch gesneden wordt, dan is dat omdat de kosten anders de pan uit rijzen. Om humanitair te blijven, moet er geknepen worden, uit voorzorg voor onmenselijke toestanden.


Zo is het ook met immigratie. Iedereen begrijpt dat het dichtbevolkte Nederland de poort niet zomaar kan openzetten, en er wordt dan ook op allerlei bureaucratische manieren geprobeerd om de instroom van migranten te beperken. Het gevoel bestaat dat de overheid niet genoeg doet om de stroom te keren. Maar is het niet waarschijnlijker dat immigratie beleidsimmuun is geworden? Onderzoek naar de vraag of de Nederlandse overheid de immigratie werkelijk nog kan reguleren, lijkt mij nuttiger dan een kosten-batenanalyse. Immigratielanden als Amerika en Australië kunnen aan de poort selecteren, omdat zij afgeschermde eilanden zijn en heldere eisen stellen aan nieuwkomers, die als sollicitanten worden behandeld. De (kleinere) Europese verzorgingsstaten, die hun eigenheid ook door de Europese eenwording bedreigd zien, hinken op meerdere gedachten en hebben de controle over hun grenzen verloren. Nieuwkomers zijn dan snel indringers. En hun integratie gaat altijd gepaard met verdringingseffecten ten koste van het minder succesvolle deel van de eigen bevolking.

De kramp waar een open samenleving als de Nederlandse mee worstelt, is niet de angst voor de vreemdeling, maar het gevoel dat de eigen overheid niet meer bij machte is om de stroom (ongewenste) immigranten fatsoenlijk te keren. We kunnen geen hek om het land zetten, nog afgezien van het feit dat openheid een gevierd onderdeel is van onze nationale identiteit. Dat houdt in dat een ‘waterdicht’ immigratiebeleid onmogelijk is en er weinig anders op zit dan te blijven pappen en nathouden. De balans is trouwens niet louter negatief. Ondanks de enorme kosten die de komst van grote aantallen immigranten met zich meebracht, is Nederland als geheel veel rijker geworden. Dat duidt toch op een aanzienlijke draagkracht.

import dirk jan van baar