Jamie (slot)

Wat voorafging: Jamie, de hond, is dood. Hij kwam negen jaar geleden, toen we ‘buiten’ gingen wonen. Met onze nieuwe kat Roodje kreeg hij een goede relatie.

Hij had van die plekken. Een klein stukje rechts voor de televisie, op de grond. Er is niets bijzonders aan die plek, het is er niet extra warm, er ligt geen kleedje, hij is niet afgericht om daar te gaan zitten, hij deed het gewoon. Jaar in, jaar uit. Ik ben er ook eens gaan zitten, uit nieuwsgierigheid. Het is het punt van waaruit je vrijwel de hele woonkamer en een groot deel van de keuken kunt overzien. Nergens zie je in één oogopslag meer van de benedenverdieping.

Hij was de laatste van het nest omdat hij een reu was. Mensen hebben liever een teef, die zijn makkelijker. Minder ondernemend. Hij liep weleens weg, maar nooit zonder dat wij het ernaar gemaakt hadden. Op een gegeven moment had ik gedonder met mijn werk. Terwijl ik hem uitliet in het bos, ging mijn telefoon. Het zoveelste incident. Driftig beende ik door het bos; aan het eind van het gesprek stond ik aan de rand van het volgende dorp, zonder hond. Je hoefde hem niet voortdurend aandacht te geven, maar langdurig genegeerd werd hij niet graag.

We lieten hem drie keer per dag uit, elk gezinslid één keer. Mijn corvee was de laatste, rond middernacht, een blokje om. Er is dan vrijwel geen verkeer meer in de buurt, dus dan lijnde ik hem niet aan. Soms slokte de duisternis hem op en gaf hem niet meer terug. Kon je in het donker op de fiets door de wijk gaan rijden, roepend en fluitend, hardwerkende Nederlanders wakker makend. Eén keer dacht ik dat hij binnen was, sloot af en ging naar bed. Volgende ochtend paniek. De hemel mocht weten waar hij inmiddels was. Direct werd een taskforce geformeerd: kleine J. fietste door de buurt, mijn vrouw pakte de telefoon en ik zette de computer aan om een ‘Vermist’-biljet te maken. Een uur later waren bomen en lantaarnpalen in de wijde omtrek voorzien van een geel A4-tje met een verpletterend aandoenlijk fotoportret en een hartverscheurende oproep hem te helpen terugvinden. Ze werkten goed. De hele ochtend werd er gebeld. Buren, vrienden, kennissen die de biljetten hadden gezien, Jamie zelf helaas niet.


Tegen elf uur kwam een telefoontje. De plaatselijke dierenambulance: een hond die voldeed aan Jamies signalement was aangetroffen op het station, wachtend op de trein naar Amsterdam. Ik nam hem weleens mee in de trein; hij kende de procedure. Een conductrice had zich over hem ontfermd en zat nu in de restauratie op ons te wachten. Inderdaad: een stevige vrouw, van top tot teen in NS-donkerblauw met geel, op een stoel, rug recht, en naast haar op de grond Jamie, aangelijnd met een stukje henneptouw. Even aarzelde ik. Wij zouden het verschrikkelijk vinden om hem te missen, maar voor deze vrouw zou het ook niet makkelijk zijn weer afscheid van hem te nemen. Dat zag je. In het uur dat ze nu zorg voor hem droeg had hij ongetwijfeld al voor eeuwig een plaats in haar hart veroverd. Zij zat zich nu de rest van haar leven met Jamie voor te stellen, dat kon niet anders.

Het viel gelukkig mee. Ze had gebeld met het hoofdkantoor en had inmiddels drie treinen voor hem laten schieten.

Het mooist van een hond is misschien wel dit.

Het is avond, je zit een boek te lezen of televisie te kijken, je bent de enige in de kamer. De deur staat op een kier. De deur gaat verder open en valt weer terug. Langzaam loopt hij naar je toe. Zijn kop hangt en is tegelijk een beetje opgericht. Hij is op z’n gemak, hij doet zijn rondje, maar hij wil je wel zien. Een meter van je vandaan blijft hij staan, zakt door z’n achterpoten, dan door z’n voorpoten, die hij parallel naar voren schuift, net zo lang tot hij gestrekt ligt. Dan legt hij langzaam zijn kop tussen zijn poten en ademt uit. Het klinkt als een zucht. Het ís een zucht. Soms trekt hij één wenkbrauw op en kijkt je aan.


Als een medemens bij je in de kamer komt zitten en zucht, is dat meestal het begin van een gesprek. Bij een hond is die zucht het gesprek.

import kuitenbrouwer