Opgehemeld: Martin Bril

Dat je over de doden niets dan goeds mag zeggen, is in Nederland niet minder dan een gebod. Maar de hagiografieën over Martin Bril, Michaël Zeeman en – nog altijd – Theo van Gogh behoeven toch enige kanttekeningen.

Met Zeeman ben ik niet op de vuist gegaan. Toen niet, en ook niet bij een andere gelegenheid. Dat deed ik alleen met Martin Bril.

Bril ontmoette ik voor het eerst in de radiostudio van de VPRO aan de ’s- Gravelandseweg, waar de opnamen werden gemaakt van het programma Boeken. Dat programma had het inmiddels geliefde magazineformaat. Ad Fransen, die nadien naar HP/De Tijd zou gaan, deed de interviews. Hans Bouman belde in de uitzending literaire types op, en de uitzending werd besloten met een gesproken column, door mij voorgelezen. De technicus sneed vooraf altijd heel voorkomend alle gestotter uit de band. Mijn doublures, gematerialiseerd in talloze stukjes tape van ongeveer vijf centimeter, veegde hij bij elke gelegenheid geroutineerd in de prullenbak. Die middag waren er twee debutanten in de studio: Dirk van Weelden, een nogal ernstig kijkende jongen, en zijn kompaan Martin Bril. Die was een halve kop groter en had toen nog lang, donker haar, eindigend in een staartje. Ik vond hem vrijwel onmiddellijk onsympathiek, wat vooral had te maken met zijn manier van praten: verveeld en blasé. Hij leek er bij voortduring voor te waken iets te zeggen dat niet modieus of bedacht was.

Het gehele artikel staat deze week in HP/De Tijd.

Jan Zandbergen